Toen heb ik met mijn duistere kant afgerekend

Stel, God bestaat en je mag hem één vraag stellen, wat vraag je dan? Zesde aflevering van een serie. Vandaag: Rudi van Dantzig, danser, choreograaf en schrijver.

’Ik ben nu in een fase dat ik nadenk over waarom het leven gelopen is zoals het gelopen is. Ook omdat ik kanker heb of had, ik weet nooit wat ik moet zeggen. Ik zou willen vragen: waarom ben ik geworden die ik ben?”

„Als kind was ik een eenzaam, teruggetrokken jongetje. Toen ik artistiek leider van Het Nationaal Ballet was, vraten die missie, dat vak, het geluk van de groep, me compleet op. Nu die periode achter me ligt, merk ik dat ik weer terug ben bij het begin. Dat is een gevecht.”

Hoe gaat u dat aan?

„Soms helemaal niet. Kom ik dagen het huis niet uit. Zie ik niemand. Iets in mij wil de deur dichthouden, zoekt de eenzaamheid. Tegelijkertijd vraag ik me af waarom ik dat doe. Als ik me zo afsluit, blijf ik maar piekeren.”

Maakt u wel eens de balans op van wie u nu bent?

„Constant. Als zo’n muis die in een rad rondholt. Ik heb soms het gevoel dat ik in een cirkel van steeds dezelfde terugkerende emoties en gedachten blijf steken.”

Welke?

„Het raadsel nog steeds aangetrokken te worden door mensen van mijn eigen geslacht.

Het raadsel dat ik het bestaan mooi vind en tegelijkertijd denk: als het over is, heb ik daar vrede mee.

Het raadsel dat ik van mensen houd en me toch terugtrek. Allemaal paradoxen.

In de beginperiode van mijn leven zonderde ik me vaak af, ook omdat ik gepest werd op school. Ik was enig kind en thuis was mijn veilige nest. We woonden aan de overkant van het IJ. Soms staken mijn moeder en ik met de pont de rivier over en gingen we naar de Bijenkorf. Op een keer mocht ik van haar een speeltje uitzoeken. Er waren bakken met opwinddiertjes en in één bak lag tussen de beren een verloren ezeltje.

Mijn eerste gedachte was: dat beestje moet ik redden. De juffrouw van de Bijenkorf wond hem op en zei: dat ding doet het niet. Maar ik wilde per se dat ezeltje. Ik had hem tenslotte gered. Dat typeerde mij wel. Ik was anders dan de andere jongetjes en die voelden dat. Ze speelden niet met mij. Zeiden: wacht maar, na school slaan we je op je donder. Op weg naar huis werd ik nagezeten. Dat is me niet in mijn kouwe kleren gaan zitten. Ik was goed in tekenen, opstellen maken maar niet in sport. Ik voelde me prettiger bij meisjes dan bij jongens. De ervaringen in die tien eerste jaren van je leven zijn zo bepalend.”

Welke rol speelden uw ouders?

„Ik onderging mijn ouders meer als een broer en een zus. Ze waren jong in gedrag, gelukkig en verliefd. Ik kon daar jaloers op worden. Later heb ik ontdekt dat mijn vader vond dat mijn moeder te lankmoedig was ten opzichte van mij.

Na de oorlog, ik was een jaar of veertien, vond ik een brief waarin hij schreef: ’Je voedt hem niet goed op. Je moet hem meer dwingen.’ Hij merkte dat ik een eenling bleef, dat maakte hem ongerust. Het heeft me wel geschokt dat ik een twistpunt tussen hen was.”

Wat is een sleutelmoment in uw leven?

„Het moment dat ik ontdekte dat ik meer geïntrigeerd was door jongens. Ik voelde dat er iets in mij niet klopte en dat hield me erg bezig. Tegenover ons woonde een jongen wiens vader net als mijn vader bij Fokker werkte. Ik bewonderde hem maar ontdekte dat ik behalve bewondering ook aantrekkingskracht en opwinding voelde. Ik wist niet wat ik met die gevoelens aanmoest, maar wilde ze ook niet kwijt. Vóór de hongerwinter ben ik met een groep Fokker-kinderen naar Friesland gebracht. Op dat moment zat mijn vader ondergedoken en was mijn moeder met haar zus op hongertocht, dus ik heb hen niet meer gezien. In het begin kwamen er nog brieven naar Friesland, maar dat hield op. Op school baden we voor de mensen in de steden in Holland die omkwamen van de honger. Ik vroeg me af of mijn ouders nog wel leefden. Weer dat eenzame gevoel. Daarna is de geschiedenis gekomen die ik heb beschreven in ’Voor een verloren soldaat’. De seksualiteit was al in me ontwaakt, maar dit was de eerste echte confrontatie ermee.

Na de oorlog kwam ik thuis als een raadselachtig, dichtgeklapt, moeilijk jongetje. Latere gebeurtenissen in mijn leven zijn niet meer van díe importantie geweest. Ook niet de euforie toen ik danser werd, voor mij als laatbloeier een enorme overwinning. Sonia Gaskell nam me aan in 1952. Ze zei: ’Je bent geen goede danser, maar ik heb jongens nodig.’ Dat was even slikken, maar ik wist het. Bij dat gezelschap zijn mijn enthousiasme en mijn liefde voor het leven tot bloei gekomen. Ik hoorde eindelijk ergens bij.”

U zegt: enthousiasme voor het leven. Maar zowel uw boeken als uw balletten zijn vaak doortrokken van een grote desolaatheid.

„Dat heeft te maken met mijn twijfels aan mijn kunnen. In menselijke relaties maar ook als choreograaf. Als ik de opdracht kreeg voor een ballet, nam ik die aan met een mengeling van ongeloof, geluk en angst. Zo’n ballet wordt aangekondigd, er worden kostuums en decors gemaakt terwijl het er nog niet eens is. De verschrikking dat het niet afkomt of slecht wordt, heeft me vaak benauwd.”

Wat of wie hielp u daar door heen?

„Toer van Schayk. Door er te zijn. We waren geen grote praters maar begrepen elkaar goed, meer dan wie ook, denk ik. We woonden tien jaar samen. Ik voelde een grote bewondering en vriendschap voor hem. En nog. Toen ik artistiek leider van Het Nationaal Ballet werd, ben ik veranderd. De dansers zagen mijn somberheid, ik vond dat ik ze daarmee niet mocht opzadelen. Met die duistere kant in mezelf heb ik toen afgerekend.”

U vroeg: waarom ben ik geworden die ik ben? Bent u geschapen naar Gods beeld en gelijkenis?

„Ik hoop het, maar dan wel míjn God. Een God die veel geduld heeft, rustig bij je gaat zitten, een hand op je knie legt en zegt: wij gaan eens drie weken samen praten. Die God gun ik heel veel mensen.”

Een kleurrijk godsbeeld, dat van een homoseksuele danser.

„Voor mij is ook elk katje, elke krekel, elke vogel, elke plant, een beeld van God, al lijken ze niet op hem. Ik ervaar God in hun volmaaktheid. De mens laat ik maar even buiten beschouwing. Te veel hersens, vrees ik.”

En wat zal het antwoord van die God zijn op uw vraag?

„Hij weet het niet. Het is mooi om hem een antwoord toe te denken, maar ik ben bang dat hij er geen heeft. Ik denk dat ook híj erg eenzaam is. Misschien heeft hij zijn zoon bij zich. Ik hoop het.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden