Toen Google Maps nog niet bestond

Een wereld aan monsters, fictieve eilanden en verzonnen bergketens

De Engelse monnik Matthew Paris schreef in de dertiende eeuw een ambitieuze geschiedenis van de wereld. Zijn 'Chronica majora' begon met een kaart, over zeven pagina's perkament, die de lezer van Londen naar Jeruzalem voerde. Dit begin doet - bekeken met de ogen van vandaag - bijna kinderlijk naïef aan, maar is ook aardig door de terloopse opmerkingen die de maker heeft achtergelaten. Eenmaal bij de Balkan aangeland leek hij het kaartmaken een beetje moe: "Richting de Baai van Venetië en richting Constaninopel liggen aan de kust steden die zo ver weg zijn." Nog mooier was zijn eerlijkheid op de afbeelding van zijn eigen Engeland: "Als de pagina groter was geweest, was dit hele eiland langer geweest."

Twee recentelijk verschenen boeken over de historie van de cartografie, 'Op de kaart' van Simon Garfield, en 'Een geschiedenis van de wereld in twaalf kaarten' van Jeremy Brotton, leren de lezer dat ook de ogenschijnlijk zo precieze makers van vandaag kritisch gevolgd moeten worden. "Een accurate wereldkaart bestaat niet en die zal er ook niet komen", concludeert Brotton na vijfhonderd pagina's bespiegelingen. "De paradox is dat we de wereld nooit zullen kennen zonder kaart en hem met een kaart nooit goed zullen kunnen weergeven."

Zoals broeder Matthew de Britse eilanden aanpaste aan de grootte van zijn papier, zo dwongen legio cartografen de werkelijkheid in hun voorstellingswereld. Soms voor een mooi plaatje. Vermaard is de 'Leo Belgicus' die eind zestiende eeuw opdook: de Nederlanden in de vorm van een vriendelijke leeuw. Er bestaat een hele traditie aan beestachtige kaarten: de Verenigde Staten als een adelaar en de grote rijken van hun tijd (Groot-Brittannië en Rusland) als octopussen met vervaarlijke tentakels.

Nog belangrijkere vervormers waren geloof en bijgeloof. Middeleeuwse kaarten presenteerden Jeruzalem, de plaats van de kruisiging van Jezus Christus, als middelpunt van de wereld. Naast alle landen werd ook de Hof van Eden afgebeeld. Het verhaal van schepping, zieleheil en Laatste Oordeel ging samen met een beeld van de op dat moment bekende wereld. En van de veronderstelde wereld. Hoe onbekender de streek was des te fantastischer werden de bijbehorende beschrijvingen en illustraties. Dan kon er een lynx over Klein-Azië sluipen met het bijschrift: "Kan door muren zien en urineert door zwarte steen."

Kennis is ook macht. De Europese expansie vanaf de zestiende eeuw werd mede mogelijk gemaakt door de vernieuwende wereldkaart van Gerard Mercator, die tot op de dag van vandaag invloed heeft. De geallieerden maakten na de invasie van Normandië in 1944 dankbaar gebruik van de Michelin France 1939 die de Amerikanen in grote oplagen hadden laten herdrukken. Minstens zo vaak werd macht omgezet in (pseudo)kennis. Grootmachten onderstreepten hun grandeur met kaarten waarop ze als middelpunt van de wereld werden afgebeeld. Of ze lieten met cartografische propaganda zien welk gevaar er uitging van gezworen vijanden.

De Duitser Arno Peters kwam in de jaren zeventig met een wereldkaartprojectie die de eeuwenlange cartografische zelfoverschatting van de Oude Wereld aan de kaak stelde. Europa kromp bij hem. Het zuidelijk halfrond kreeg veel meer ruimte: Afrika en Zuid-Amerika werden langgerekter van vorm. Peters' aannames waren in sommige opzichten al even bedenkelijk, maar zijn ideeën sloten aan bij de tijdgeest. In de ogen van veel kritische geesten had het kolonialisme weliswaar zijn langste tijd gehad maar was het imperialisme nog springlevend. In een artikel in The Guardian, onder de kop 'Dr. Peters brave new world', werd de Peters-projectie omschreven als de eerlijkste kaart die tot dan toe was bedacht. Als speeltje van de progressieve goegemeente werd de zogenaamd apolitieke voorstelling al snel het middelpunt van menige politieke discussie.

Brottons 'Een geschiedenis van de wereld in twaalf kaarten' gaat eigenlijk meer over ideeën dan over geografie. De eigenlijk in de Renaissance gespecialiseerde Britse professor krabt met veel precisie en stelligheid de politiek en cultuur achter twaalf kaarten uit de wereldgeschiedenis uit.

Brotton voert de lezer mee naar vervlogen tijden en exotische oorden als Korea en het Siciliaanse hof waar een Arabische kaartenmaker zijn tijd vooruit was. Het boek is rijk aan informatie maar pittige kost en soms wat hermetisch geschreven.

Garfields aanpak in 'Op de kaart' staat daar bijna haaks op. Hij levert een veel laagdrempeliger boek af dat dikwijls doet denken aan het werk van Bill Bryson. Ook dit boek heeft zo'n auteur die belezenheid weet te combineren met een vermakelijke mix van weetjes en anekdotes.

Garfield bespreekt naast de cartografische canon de parate kennis van taxichauffeurs, het ontstaan van de kleurige metrokaarten en kuddegedrag van toeristen als gevolg van de reisgids. De baedekers van honderd jaar geleden en meer hadden dezelfde uitwerking als de latere Lonely Planets en Rough Guides. Al in 'A Room with a View' (1908) beschreef E.M. Forster dat gidsen eerder je geest verkleinden dan verruimden: ze leidden reizigers over gebaande paden en hielden ze weg van authentieke emotie.

Ook vertelt Garfield met smaak over het gemak waarmee fouten op een kaart belanden en de moeite waarmee ze weer verdwijnen. Vandaag de dag kan een onnauwkeurigheid in een Wikipedia-lemma of elders op het internet een eigen leven gaan leiden. Met uitglijders van cartografen ging het vroeger niet anders.

Een Spaanse karmeliet die meereisde op een schip beschreef begin zeventiende eeuw Californië als een eiland. Een Spaanse kaartenmaker nam het twintig jaar later over en meer dan 250 jaar langen zouden collega's deze aanname kopiëren.

De Grote Oceaan raakte in de loop der eeuwen dankzij de rijke fantasie en de dromen van onsterfelijkheid van diverse kapiteins bezaaid met talrijke niet bestaande eilanden. Het duurde soms tot in de twintigste eeuw totdat het fictieve karakter ervan duidelijk werd.

De Engelse cartograaf James Renell tekende op de kaart van West-Afrika het duizenden kilometers lange, afschrikwekkend hoge Konggebergte. Renell werd na zijn dood in 1830 vanwege zijn wetenschappelijke verdiensten begraven in Westminster Abbey. De door hem verzonnen bergketen overleefde hem; pas eind negentiende eeuw verdween die van kaarten. In de tussentijd had het gebergte een tijdlang ontdekkers uit de binnenlanden van dit deel van Afrika weggehouden.

De toekomst van de cartografie laat zich lastig voorspellen. Het Engels woord 'map' komt van het Latijnse 'mappa', dat tafelkleed of servet betekent. Ons woord 'kaart' voert terug op het Griekse woord voor 'papyrus'. Maar met de opmars van Google Earth en andere digitale mogelijkheden lijkt de eeuwenlang zo vertrouwde verschijningsvorm op z'n minst op de terugweg. Google verzamelt en vernieuwt verder. Het bedrijf bouwt zo een imperium dat een ongekende hoeveelheid informatie verzameld. Waar zo'n concentratie van financiële en zelfs politieke mogelijkheden op één plaats toe leidt, zal moeten blijken.

Simon Garfield: Op de kaart. Hoe de wereld in kaart werd gebracht. (On The Map. Why the world looks the way it does)Vertaald uit het Engels door Tracey Dost-Plegter en Bert Meelker. Podium/Luster, Amsterdam/Antwerpen; 496 blz. euro 27,50

Jerry Brotton: Een geschiedenis van de wereld in twaalf kaarten. (A History of the World in Twelve Maps) Vertaald uit het Engels door Ineke van den Elskamp, Jan Willem Reitsma en Pon Ruiter. De Bezige Bij, Antwerpen; 576 blz. euro 29,95.

Hollands glorie met kaarten
Het Nederlandse bedrijf TomTom maakte een klein kastje met satellietnavigatie tot gouden handel. Zo'n vierhonderd jaar eerder deden landgenoten iets soortgelijks met papieren kaarten. In een tijdperk waarin Europa de wereld ontdekte, kwamen de Portugezen met het idee om de cartografie wetenschappelijk aan te pakken. Het waren de Nederlanders die er een industrie van wisten te maken.

Willem Blaeu (1571-1638) was een succesvol drukker en cartograaf, die groot werd met de uitgave van wereldkaarten en zeemansgidsen. Hij nam het initiatief voor een groots project, waarvan hij de voltooiing niet meer mocht meemaken. Zijn zoon Joan Blaeu (1596-1673) bracht de Atlas Maior uit. Meer dan drieduizend pagina's op groot formaat (52,7 bij 32,1 centimeter).

De Nederlandse kaarten, ook die in de Atlas Maior, toonden een nieuwe blik op de wereld. Aan de randen lagen niet langer mythische oorden die je vanwege monsterlijke mensen en dieren beter kon mijden. Blaeu maakte juist nieuwsgierig. Hier werd gedacht in mogelijkheden, commerciële bijvoorbeeld. De serpenten, eenhoorns en andere wezens die er nog op stonden, dienden vooral als versiering.

De prachtige uitvoering van de atlas bleek de basis voor het succes. Het boek vond zijn weg naar kooplieden, financiers en politici in Amsterdam en de rest van Europa. De zeer hoge prijs vormde voor de elite nauwelijks een belemmering. De duurste kleurenedities kosten ruim 450 gulden (omgerekend nu zo'n 30.000 euro). De atlas was pronkstuk en statussymbool tegelijk.

De geografie-manie in de welgestelde kringen uit die jaren is ook terug te zien op de schilderijen van Johannes Vermeer. Op een kwart van de 35 van hem bewaard gebleven werken zijn kaarten en globes prominent afgebeeld.

De drukkerij van Blaeu groeide uit tot waarschijnlijk de grootste van de Republiek. In 1672 sloeg het noodlot toe. Bij een brand gingen de werkplaats en veel van de voor herdrukken cruciale koperplaten verloren.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden