Toen Golda uit het toilet kwam, drentelde Thorwald rokend nader. 'Een heer', dacht ze.

Altijd is er een eerste moment, een eerste trilling, een eerste opwinding. Teweeg gebracht door een sonnet, een brug, een symfonie, een alinea, een levenslied, filmfragment of koningsdrama. In de zomermaanden laat Trouw aficionades aan het woord, die over ontstaan en ontwikkeling van hun (vervlogen) liefde berichten. Vandaag aflevering 6: Golda die naar de horizon kijkt en Ohowoho, ist das Meer so leer!

ANDREA BOSMAN

“Is hier ook soep?”, is ook altijd weer van toepassing als iemand in verwarde toestand er blijk van geeft in een totaal andere wereld dan de voor wakkere individuen waarneembare te vertoeven. Mijn zus en ik knikken dan naar elkaar en denken aan de soep, waar Golda's vader om vraagt als hij midden in een opstelwedstrijd over 'het jaar tweeduizend' verstrikt zit, en in kamerjas gehuld met een verfrommeld marsmannetje in zijn hand de woonkamer betreedt.

Het was ná de Pitty's op kostschool, het was ná de prachtige Chocoladefabriek, en misschien tijdens de Kruistocht in spijkerbroek maar waarschijnlijk net weer vóór de Agatha Christies. En in ieder geval ver voor de 'echte' literaire werken die de zintuigen op onomkeerbare wijze zouden beïnvloeden. Maar daarmee had 'Golda' misschien niet eens zoveel te maken. De 159 pagina's tellende meisjesroman 'Golda kijkt naar de horizon', waar behalve wij niemand van onze leeftijdgenoten ooit van gehoord heeft, werd de definitieve aanzet tot het te pas en te onpas citeren in diverse situaties, waarvoor wij in de loop van onze jeugd de meest uiteenlopende bronnen verzamelden.

Van de kinderplaat 'Urmel aus dem Eis', die wij van onze Duitse oma kregen, zingen wij nog steeds op gepaste momenten het liedje van de zeeleeuw, die op een rots voor het eilandje Titiwu met zijn diepe basstem de van eenzaamheid doordrenkte zin herhaalt: “Ohowoho, ist das Meer so leer. Ohowoho, ist das Meer so leer!” Uit 'Der Rauber Hotzenplotz' komt de diepfilosofisch klinkende gedachte die de waarzegster-met-krokodillenhond ons kinderen meegaf: “Zum Hellsehen, muss es dunkel sein!” En niet te vergeten de verzamelde werken van Wilhelm Busch, die mijn moeder nog altijd in haar boekenkast koestert. Wanneer een verjaardag weer eens wat betreurenswaardige aanwinsten heeft opgeleverd, citeren wij de drie oude tantes, die zich bezinnen op het meest afschuwelijke verjaardagscadeau, dat ze hun 'vriendin' Sophie cadeau kunnen doen: “Ein Kleid mit gelben Ranken, ich weiss, sie ürgert sich nicht schlecht, und muss sich auch noch bedanken.”

Bij vage lichamelijke klachten duikt onverwijld de archetypische hypochonder Christian Buddenbrook op, die als verklaring voor zijn zwakke toestand altijd aanvoerde dat “die Nerven der linken Körperseite zu kurz sind.” Later, toen de melancholie der adolescentie toesloeg, zweerden wij natuurlijk bij de slotzin van The Great Gatsby: “So we beat on, boats against the current, boarn back ceaslessly into the past.”

Maar dat was later. Eerst was er Golda. Als ware pioniers van de taalcollage huppelden wij, natuurlijk zonder dat we het wisten, met Golda de postmoderne paden van de jaren zeventig binnen. Mijn grote zus kreeg 'Golda kijkt naar de horizon' in 1975 cadeau voor haar tiende verjaardag van een klasgenootje. Het was de tijd van de kikkers - die stoere hoge schoenen die pas echt waren als er een geel plastic rondje aan de onderkant van de zool zat -, de jurkschorten en de hotpants - waarvan wij een aan onze leeftijd aangepaste, onschuldige versie kregen toebedeeld. Een jaar later verhuisden wij vanuit het vanzelfsprekende Zandvoort naar een dorpje in het verre en vreemde Brabant, waar iedereen met een zachte g sprak en wij om diverse redenen voornamelijk werden uitgelachen.

Na een paar maanden tijdelijk in het huis van de dominee te hebben vertoefd, verhuisden we ineens naar een heel groot, wit huis. Een villa, heette dat bijna. De bovenverdieping telde, naast een immense overloop, wel zes slaapkamers, die weliswaar niet allemaal even groot waren, maar toch. Mijn zusje nam een grote kamer aan de ene kant van de gang, naast mijn ouders, en ik koos ervoor om juist helemaal aan de andere kant, in het kleinste kamertje te gaan zitten. Ik weet niet meer precies hoe het ontstaan is, maar in die periode ontwikkelden wij de gewoonte om, als mijn ouders 's avonds weg waren, de matrassen uit ons bed te tillen, en bij elkaar op de kamer te gaan logeren. Liefst met zoutjes en limonade. En boeken. Meestal tilde ik mijn bruine Olympische-spelen-matrasje met gekleurde olympische ringen erop uit mijn oranje bed en sleepte het over de eindeloze gang naar de kamer van mijn zusje. Daar begon het grote voorleesavontuur. En daar ontdekten we Golda.

Het kaftje is inmiddels aardig versleten, de stukjes plakband, ooit bedoeld om de boel bij elkaar te houden, hangen los. Stukgelezen. Een in Tina-stijl getekend meisje met timide oogopslag, grote ogen, licht krullend donkerblond haar. Ze draagt een paarse bloes en een ingewikkeld sieraad om haar hals. Op de achtergrond een jongeman in groene smoking, krachtig gezicht, vierkante kaken, licht spottende blik.

'Golda kijkt naar de horizon' verscheen in 1972 in de 'Kluitman romanserie', zo staat op de omslag, en is geschreven door Loes Overbeek - een minder tot de verbeelding sprekende auteursnaam valt moeilijk te verzinnen. Die naam is dan ook vrijwel het enige aan het boek dat we in al die jaren niet hebben kunnen onthouden. En we hebben verder ook nooit meer iets van haar gelezen.

Het boek gaat over - hoe kan het ook anders - Golda, een rustig meisje van rond de twintig jaar. Ze werkt op het postkantoor en woont met haar ouders in een flat, waar ze een 'mooie, vierkante kamer' heeft. Het liefst zit ze 's avonds op de bank en borduurt warme kleuren op rechthoekige merklappen. Alles even harmonisch, en zo moet het ook blijven. “Na het eten allemaal handen wassen en tanden poetsen. Ze vormden een treffend hygiënisch gezin. Met moeder afwassen in de modelkeuken. Televisie. Kranten. Boeken en het borduurwerkje.”

Eén ding zit Golda behoorlijk dwars: haar lengte. Hoewel ze het liefst niet opvalt, is ze bijna twee meter lang. Ze heeft weinig vrienden maar daar hunkert ze ook niet naar. En ze zit zeker niet te wachten op de ware liefde, want daar krijg je alleen maar slapeloze nachten van. Het liefst wil ze met haar ouders in een mooi huis met een tuin gaan wonen. Eigenlijk is ze een beetje truttig en zeker niet zo als haar oudere zus Cornélie, die eerst 'met half Den Haag is uitgeweest', en nu in een slecht huwelijk is beland. Dan begint het gelazer natuurlijk ook voor Golda. Via Maxi, een meisje dat ze bij de zojuist opgerichte, idealistische jeugdbond heeft leren kennen, komt ze in contact met Thorwald. De imponerende, beetje ouderwetse, maar vooral eigenwijze Thorwald, die niet onder anderen kan werken en 'in grote dingen doet, in lange ijzeren staven en grote buizen', dweept Maxi. Maar Thorwald is vooral bezig met het 'dresseren' van meisjes; hij is naarstig op zoek naar een geschikte huwelijkskandidaat voordat zijn moeder zal sterven.

Hij gaat nogal voortvarend te werk. Als Maxi hem uiteindelijk toch tegenvalt, adviseert hij haar per brief contact op te nemen met een goede vriend van hem, een weduwnaar met twee kinderen. Volgens hem zullen ze goed bij elkaar passen. Maxi is natuurlijk woedend en vraagt Golda naar Thorwald te gaan om hem dat te vertellen. Die heeft daar natuurlijk geen zin in, maar een zekere nieuwsgierigheid kan ze toch niet onderdrukken. En ze wordt prompt vreselijk verliefd. Maar er zijn een paar problemen: Thorwald is, met al z'n bombarie, minstens anderhalf hoofd kleiner dan Golda. En hij is bezig om 'het' (andere) meisje te dresseren.

Al met al, zus en zo, om een lang verhaal kort te maken: natuurlijk komt het allemaal goed en vallen ze elkaar op het laatste in de armen en zal Golda natuurlijk met Thorwald in dat mooie huis in de bossen gaan wonen. Maar dat was voor ons nooit het meest boeiende deel van het verhaal.

Wat was er zo speciaal aan Golda, dat we het boekje wel honderdachtentwintig keer aan elkaar voorlazen en zelf hebben gelezen? Dat we de eerste bladzijde uit ons hoofd kennen. Dat we ook nu nog, met hier en daar een verwisseld woordje, die passage aan het eind van het boek, als Golda en Thorwald zich bijna definitief aan elkaar hebben overgeven, letterlijk kunnen opdreunen: “Toen Golda uit het toilet kwam, drentelde Thorwald rokend nader. 'Een heer', dacht ze.”

Vanwege deze details, vanwege deze zinnetjes die ook nu nog, bijna twintig jaar later, heel wat schuddebuiken veroorzaken, werden wij verliefd op Golda. En opmerkelijk genoeg is de wrede 'ontmaskering' van de jeugdliefde in het geval van Golda niet van toepassing. Sterker nog: het feest der herkenning maakt het alleen maar steeds leuker. Natuurlijk hebben wij toen de humor van bovenstaande woordkeuze niet zo ingezien als nu. Herinnering is een verraderlijke grootheid. Maar er zitten talloze leuke en originele vondsten in het boek, waar we ook toen elke keer weer met smart naar uitkeken. Cornélie, de 'interessant lelijke' zus van Golda die zich op de bank werpt en wanhopige pogingen doet 'krokodilletranen te voorschijn te persen', omdat Golda haar man Jan heeft uitgezwaaid. Dat vonden we prachtig. Golda die de discussies bij de jeugdbond afdoet als zijnde 'oeverloos gezwam'. Die term werd onmiddellijk in ons vocabulaire opgenomen.

En dan waren er de verhalen die op de achtergrond meespeelden. Het slechte huwelijk van Cornélie en Jan. Cornélie die op een kwade dag met kind en bagage bij pa en ma en Golda op de stoep staat, waar door Golda noodgedwongen haar mooie vierkante kamer verliest en op een stretcher in de gang moet slapen. Maxi, die na haar avontuur met Thorwald toch voor de weduwnaar valt. Zwanette, de 'appelkluifster met ogen als zwarte gaten' en een slechte jeugd, die weliswaar hoofdzakelijk naar de jongens lonkt, maar uiteindelijk toch zo slecht nog niet blijkt te zijn.

Voor het genre 'meisjesboek' en alles wat je je daarbij aan oppervlakkigheid en clichés voorstelt, is het een opmerkelijk vol en afgerond verhaal, zowel wat de personages betreft als de vele verwikkelingen. De details kloppen. Zo is op een gegeven moment vrijwel iedereen bezig met de opstelwedstrijd van de jeugdbond over het jaar tweeduizend, inclusief Thorwald. Het meest amusant bij herlezing, wat we toen natuurlijk niet konden zien, zijn de beschrijvingen waaruit heel duidelijk het achterhaalde maatschappijbeeld van begin jaren zeventig opduikt. Golda, die de heerlijke rechte vormen van de flat waar ze woont adoreert. De idealistische jeugdbond die wordt opgericht om de wereld te verbeteren. De hospita van Thorwald, die de tweede prijs wint met de opstelwedstrijd over 'De vrouw in het jaar tweeduizend'. Die zou zich volgens haar opstel vrijer kunnen bewegen als het huishoudelijk werk tot één druk op de knop werd teruggebracht. Geloof in toekomst en vooruitgang vieren hoogtij.

Hoogtepunt in dit opzicht is de kleding. Zwart-en-wit geruite broekpakken worden moeiteloos gecombineerd met grote rode flaphoeden en ook de zilvergrijze pruiken ontbreken niet. “Ze hebben ook nog langs het strand gewandeld en heel Nederland heeft naar Cornélie gekeken. Kort visgraten jurkje. Witte gestreepte kousen, grote ronde blauwe brilleglazen en om haar hoofd een stel kettingen. Op een gegeven moment werd het Jan te machtig. 'Doe die gekke rommel uit je haar', bitste hij.”

Na Golda is er incidenteel nog wel eens een bouquetreeks in een strandtas verdwaald, maar daar bleef het ook bij. De mathematische voorspelbaarheid van die boekjes was dodelijk. Terwijl 'Golda kijkt naar de horizon' duidelijk met veel plezier en liefde was geschreven. De liefde voor het woord, daar bleken wij erg gevoelig voor. En ach, een uitputtende verklaring voor onze eindeloze terugkeer naar Golda is er natuurlijk niet. Het boek was er ook gewoon op dat moment, zei mijn zus onlangs nog in een poging het fenomeen Golda te analyseren. Eigenlijk bedoelde ze: “Geef mij maar rijst.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden