Toen geselkoord meer dan een symbolisch relict was

Godsdienstpsycholoog Emke Bosgraaf deed onderzoek naar verstervingspraktijken die tot de jaren zeventig in kloosters in gebruik waren. Met versterving moest de wil van novicen worden gebroken zodat zij zich konden overgeven aan God.

Paus Johannes Paulus II was gewoon op gezette tijden op de grond te slapen terwijl hij ondertussen zijn dekens in de war maakte opdat zijn personeel het niet zou ontdekken. Dit was een zogeheten verstervingsoefening die ook in kloosters werd gedaan.

Zulke radicale verstervingsoefeningen kwamen in Nederland niet voor, zo blijkt uit 'Gebroken wil, verstorven vlees' van godsdienstpsycholoog Emke Bosgraaf, die hierop in 2009 cum laude promoveerde. Hij onderzocht de specifieke context waarin Nederlandse religieuzen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw ervaring opdeden met ascetische oefeningen.

Vooral novicen kregen die opgelegd. Deze oefeningen konden variëren van het bedelen om voedsel bij anderen, het apart eten aan een klein tafeltje of het verrichten van zinloze handelingen, zoals het wegharken van bladeren die de volgende dag door de novicemeester teruggeharkt bleken te zijn.

Spectaculairder voorbeelden zijn er niet te geven. Het aanleggen van de cilice, de boeteketting ¿ bekend van 'De Da Vinci Code' en ook favoriet bij de vorige paus ¿ maakte in Nederland geen deel uit van het 'verplichte aanbod' van versterving. Het was meer iets voor de liefhebbers.

Het is precies dit zorgvuldig afgebakende onderzoeksveld dat het boek typisch Nederlands maakt. Bosgraaf heeft er niet voor gekozen het begrip ascese in het algemeen, internationaal of theologisch te onderzoeken; hij onderzocht het fenomeen via interviews met religieuzen die het in de jaren vijftig nog hebben meegemaakt. Vooral het feit dat hij het vertrouwen van veelal hoogbejaarde getuigen heeft weten te winnen en hun mondelinge overlevering vastgelegd heeft, verdient bewondering.

Bosgraaf laat zien dat al eind jaren dertig ernstig aan de zin van dit soort verstervingsrituelen werd getwijfeld. Als een novice - voor wie deze gebruiken trouwens veelal als een complete verrassing kwamen - merkte dat het geselkoordje in zijn cel geen symbolisch relict van zijn voorganger was, werd daar met gêne op gereageerd: "Nee, we doen dat zo na een paar weken, ja, maar alsjeblieft, je moet jezelf geen pijn doen hoor!"

In de naoorlogse jaren gaat het snel. In een tijdsbestek van drie decennia is de praktijk van de versterving zo goed als verdwenen uit het kloosterleven. Via de kloostertijdschriften is deze ontwikkeling goed te volgen. Eerst komen de medici, vooral de psychiaters. Niet veel later de theologen, van wie vooral de nieuwtestamenticus Willem Grossouw grote invloed heeft gehad. Zowel medisch-psychiatrisch als theologisch krijgt het 'vlees' anti-ascetisch eerherstel.

In een schitterende formulering, ontleend aan de franciscaanse traditie wordt gesteld dat in die jaren het lichaam als 'broeder ezel' meer als broeder dan als ezel wordt ontdekt. Het moet Nederlandse religieuzen geduizeld hebben. In 1970 werden zij wakker in een andere wereld. Het Tweede Vaticaanse Concilie was gehouden. Het leven gold niet langer als de vijand. En niet 'sterven voor de wereld' maar 'overgave aan de wereld' werd het nieuwe motto. "God is geen boeman, God is liefde", zo vat een trappistin dit tijdsbeeld kernachtig samen.

De verhalen van de geïnterviewden zijn aangrijpend. Ook na jaren zijn de vernedering en het machtsmisbruik door hun superieuren nog altijd voelbaar. Niet zonder humor maken zij feilloos duidelijk dat de doelstelling het 'willetje breken' was. Met recht en reden trekt een vrouwelijke religieus de parallel met de vernederingen die zij in oorlogstijd jonge Duitse rekruten zag ondergaan.

Bosgraaf weet knap te vermijden dat zijn boek een soort rariteitenkabinet wordt. Dat doet hij allereerst door het begrip versterving niet meteen in de neuroseleer onder te brengen. Er is iets in het ritueel dat uitstijgt boven het ritualisme. De tijd heeft naar zijn inzicht terecht een einde gemaakt aan eerst de lichamelijke en vervolgens de psychisch georiënteerde versterving.

De zogeheten 'ongezochte' versterving, een actievere vorm van omgaan met het lijden dat je overkomt, behoudt een tegoed in een moderne samenleving waarin, met een woord van Marcel Möring, lijden een anomalie geworden is, iets dat niet hoort en waarmee we niet geconfronteerd wensen te worden.

Of, zoals een wijze dominicanes het zegt: versterving als "iets wat je tegenkomt, ja, dan is dat heel wat anders. En ik denk dat je daaraan moet werken tot aan de laatste dag van je leven, gewoon in de omgang met elkaar. Ik denk dat dat de grootste vormen van versterving zijn."

Emke Bosgraaf: Gebroken wil, verstorven vlees. Over versterving in het Nederlandse kloosterleven.
Bert Bakker, Amsterdam. ISBN 9789035135956; 342 blz. € 29,95

Seksueel misbruik
Godsdienstpsycholoog Emke Bosgraaf hoopt dat de commissie-Deetman zich niet beperkt tot enkel seksueel misbruik in de rooms-katholieke instituties. Zeker bij vrouwen en in vrouwelijke religieuze gemeenschappen nam het psychisch misbruik minstens zo erge, zo niet ernstiger vormen aan.

Dat schrijft Bosgraaf in de handelseditie van zijn dissertatie over het kindermisbruik in katholieke instellingen, dat na afsluiting van zijn onderzoek aan het licht kwam. Bosgraaf geeft de context waarbinnen dit misbruik plaats kon vinden een belangrijke verbreding.

Van wie de 'wil gebroken wordt' valt moeilijk aan te nemen dat hij zich ontwikkelt tot een uitgebalanceerde persoonlijkheid. Hoewel Bosgraaf niet heeft ontdekt dat versterving tot 'ontpersoonlijking' heeft geleid - de interviews laten juist zien dat veel religieuzen toch hun persoonlijkheid wisten te behouden - is er altijd het gevaar gebleven van een zekere verwringing.

In ieder geval heerste er een strikte seksuele moraal die tot uiting kwam in een antilichamelijk klimaat waarin tederheid vaak ontbrak. Van precies dit klimaat wordt in de verhalen over misbruik gewag gemaakt.

Zo lijkt er een relatie te zijn met de wijze waarop religieuzen ooit zelf zijn gevormd. Verder is de argwaan en het gebrek aan intimiteit waartoe de cultuur van de versterving neigde, een voedingsbodem voor kindermisbruik en kan dit misbruik gedijen en gehandhaafd worden in de cultuur van het verzwijgen en de gehoorzaamheid die eveneens meekwamen in dit verstervingsideaal.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden