Toen Elgin van de Grieken roofde

Anker speelt met het postmodernisme, maar houdt het licht en levendig

Jan-Willem Anker heeft in zijn prozadebuut een ambitieus thema te pakken: de roof van de beelden van het Parthenon door de achttiende-eeuwse Schotse graaf Elgin. Deze 'Elgin Marbles' werden bij aankomst in Engeland door de inmiddels noodlijdende graaf aan de regering verkocht en zijn sindsdien tentoongesteld in het Londense British Museum.

Graaf Elgin roofde met toestemming van de Turkse sultan, de leider van het Ottomaanse rijk, die destijds in Griekenland de dienst uitmaakte. Dat maakt zijn daad niet minder controversieel. Anno 1803 wijdde Lord Byron al een furieus gedicht aan de diefstal: "De schuwe praalhans ging er onvervaard/ Met moedertje Athena's rijkdom vandoor."

Nog steeds worden vurige debatten gevoerd over het marmer van Elgin, dezer dagen weer wat vuriger gezien de deplorabele staat van Griekenland. Vorige maand nog zegevierde komiek Stephen Fry in een debat waarin hij pleitte voor teruggave, een wapenfeit dat in Engeland dan meteen groot nieuws is.

Anker bewerkte Elgins levensverhaal tot een smeuïge, vermakelijke en beheerste roman, en nog historisch juist ook. Het mag wat veel lijken, dat de graaf achtereenvolgens zijn neus (aan een geheimzinnige ziekte), zijn vrouw (aan haar minnaar) en zijn geld (aan de goede zaak) verloor, maar al die levensfeiten zijn elders terug te vinden.

Aanvankelijk heeft Thomas Bruce, de zesde graaf van Elgin, weinig kwaad in de zin als hij anno 1799 samen met zijn jonge vrouw Mary afreist naar Constantinopel. De net benoemde afgezant van het Britse rijk wil Britse kunstenaars de Griekse beeldhouwwerken aan het Parthenon na laten schilderen en er afgietsels van maken om deze kopieën mee te kunnen nemen naar huis. Dit alles ter lering van de Britten "wanneer ik de kunsten bevorder, bevorder ik ook de smaak".

Geconfronteerd met de verwaarlozing van de beelden door de Turken, en met plunderende toeristen 'die allemaal een scherfje antiek mee naar huis willen nemen', bedenkt Elgin dat een kopie - eerst nog 'sterker dan het kwetsbare origineel' - hem niet genoeg is. Het witte marmer van de tempel van Minerva betovert hem: "Het is zo zuiver. Een ideëel wit, zo puur als pas gevallen sneeuw. De blanke puurheid van de mensenziel zelf." Deze kunstwerken moeten gered worden voor de beschaving, vindt Elgin, want de Grieken zijn in zijn ogen gedegradeerd tot een bijgelovig bastaardvolk van gauwdieven, en de Turken zien het marmer slechts als stenen valuta. Een kopie is waardeloos, 'slechts een fantasie, een verdubbeling'. Intussen heeft de graaf niet in de gaten dat zijn verwaarloosde, voortdurend zwangere vrouw hem allang voor een kopie heeft ingeruild.

Anker speelt met het postmodernisme (wat is echt, wat een kopie?) maar houdt het licht en levendig. Hij weidt uit over rattenvallen en over zeeziekte die bestreden wordt met gin. Op de achtergrond passeren historische celebrities zoals de verleidelijke schilder William Turner ('lippen die vol en rood als aardbeien waren') of de 'gehavende circusbeer' admiraal Nelson.

Af en toe krijgt het getouwtrek tussen Britten, Grieken en Turken een wat hoog Asterix-en-Obelixgehalte, ook omdat de schrijver zijn morele oordeel impliciet houdt, maar de ironische weergave van Elgins blinde ambitie en de ruïnes die hij achterlaat, vormt ook de kracht van deze avonturenroman.

Als motto krijgen we een citaat van Alessandro Baricco mee: "voor de barbaren is het verleden een stortplaats vol ruïnes: zij gaan ernaartoe, neuzen wat rond, pakken wat ze kunnen gebruiken" - en soms denken ze de beschaving te dienen.

Jan-Willem Anker: Een beschaafde man. De Arbeiderspers, Amsterdam; 366 blz. € 21,95

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden