Kort verhaal

Toen de hommels Frans spraken

null Beeld Devin Wijkhuijzen
Beeld Devin Wijkhuijzen

Een zomer zonder vrienden strekt zich uit, tot een jongen opduikt die zich voorstelt als Zjan-Pol. Hij weet een nest met hommels die Frans spreken.

Gerwin van der Werf

Schrijvers Gerwin van der Werf, Maartje Wortel, Ingmar Heytze, Elke Geurts, Ernest van der Kwast, Manon Uphoff en Thomas Heerma van Voss schreven voor Zomertijd een 'sterk verhaal'. Vandaag aflevering 1.

Toen we verhuisden van de stad naar een dorp op de Veluwe, ergens midden in de zomer, was ik tien jaar oud en wist ik zeker dat ik nooit meer vrienden zou maken. Dit duurde een paar dagen, toen trof ik een merkwaardige jongen aan bij de sloot tegenover ons huis. Hij stelde zich voor en gaf mij zelfs een hand. Zijn hand was nat en vies maar ik pakte hem toch.

"Aangenaam", zei hij, "ik ben Jean-Paul."

Ik zei ook hoe ik heette. Mijn naam klonk belachelijk. Ik oefende zijn naam zachtjes voor mij uit. Zjan-Pol.

"Ik woon op het landgoed", zei hij.

"Oké." Ik wist niet wat een landgoed was. Hij wees in de richting van het bos.

"We wonen in het koetshuis hoor", ging hij verder, "niet in het kasteel zelf. Daar woont de oude baron immers. Mijn vader is de beheerder."

Kasteel, koetshuis, baron, beheerder, alle woorden die hij sprak leken betoverd, net als zijn naam. Ik wilde dat hij verder zou spreken, en dat deed hij ook. Hij vertelde dat er een otter in de sloot zat die Fred heette en een paar woorden Engels sprak. Die dag zat hij er niet, dat was jammer. Er zaten ook veel salamanders in de sloot, maar die konden natuurlijk niet praten. "Het idee alleen al!", zei hij, en hij begon te lachen.

"Ken je nog meer dieren die praten?", vroeg ik.

Hij dacht even na.

"Nee", zei hij. "Behalve de hommels. Ik weet zeker dat ze Frans spreken, maar ik kan het niet verstaan. Het is te... tja, te zoemerig. Alleen de koningin, die is te verstaan, maar die laat zich zelden zien."

Hij prikte met de stok in de sloot, sloeg riet opzij. Het was mij duidelijk dat hij mij niet in de maling nam, hij geloofde het zelf echt.

"Wil je de hommels eens zien?", vroeg hij.

"Ja, graag."

"Goed, dan haal ik je morgen hier op, om tien uur, oké?"

"Oké."'

Hij zei nog 'tot ziens'. Nog nooit had iemand 'tot ziens' tegen me gezegd. Ik rende naar huis.

"Ik heb een nieuwe vriend", zei ik tegen mijn moeder. "Hij heet Zjan-Pol."

"Hoe?", zei moeder. "Nu ja, als je je maar niets inbeeldt!"

Over het kasteel, het koetshuis en de Franse hommels begon ik maar niet.

II
Over het landgoed had Jean-Paul niet gelogen, noch over het koetshuis. Het kasteel viel me wat tegen, het was een gewoon huis, maar dan heel groot, met een lang grindpad ervoor. Van Jean-Paul mocht ik niet over het grind lopen, omdat de baron daar een hekel aan had. "Zijn hele huis hangt vol geweren en zwaarden", beweerde hij. Hij had zelfs een harnas, waar hij zondags wel in rondliep.

Om het grote landhuis heen lag een bosachtig park met veel verschillende bomen. De enige boomsoort die ik herkende was de kastanje, omdat we die ook in de stad hadden, rond de singel. In het vroege najaar probeerden we de gevallen kastanjes onder onze fietsbanden weg te schieten. In dit bos lagen nog doffe, halfvergane kastanjes van vorig jaar. We banjerden door oude bladeren. Vogels ritselden in de boomkruinen, en om ons heen gonsde het van de insecten.

"Waar het hommelnest precies is vertel ik je niet. Nog niet. We kennen elkaar nog niet lang genoeg. Wat je wel mag weten natuurlijk is dat hommels hun nesten onder de grond maken, in verlaten konijnenholen."

"Hoe oud ben jij eigenlijk?", vroeg ik.

"Ssst", zei hij. Gezoem van bijen. Hij hield zijn arm vooruit, zijn middelvinger gestrekt, alsof hij ergens naar wees. Binnen een paar tellen zat er een dikke hommel op zijn vinger. Jean-Paul bracht de hommel naar mijn gezicht, ik week achteruit.

"Hij doet niets", zei hij, alsof het zijn huisdier was.

"Hoe doe je dat?", vroeg ik.

De hommel kroop wat rond over Jean-Pauls vinger en vloog toen op. Hij zoemde luid, vloog vlak langs mijn oor, de trilling ging door mijn hele lijf. Ik kreeg kippevel.

"Wat zegt hij?", vroeg ik.

"Geen idee, zijn Frans is slecht."

"Zeg jij eens iets in het Frans", vroeg ik achterdochtig.

Ik zag hoe hij zijn hand in zijn jaszak deed. Hij droeg een jas met diepe zakken. Waarom droeg hij eigenlijk een jas, het was toch zeker bloedheet?

"Oui c'est elle, c'est la déesse, plus charmante et plus belle", zei hij.

"Oké", zei ik.

Jean-Paul stak zijn wijsvinger weer uit.

"Hou je van opera?", vroeg hij.

null Beeld Devin Wijkhuijzen
Beeld Devin Wijkhuijzen

"Ik kan dat niet."

"Ja hoor", zei hij. Hij pakte een flesje uit zijn andere jaszak.

"Suikerwater." Hij grijnsde, doopte zijn vinger in de flessehals. Ik lachte, maar echt grappig vond ik het niet.Er s Een hommel vangen durfde ik niet.

Na een poosje, ik heb geen idee hoe lang, misschien wel een half uur, had Jean-Paul een stuk of tien hommels te pakken.

"Nu gaan we ze laten zingen", zei Jean-Paul. "Opera. Hahaha."

Ik lachte niet, het was allemaal een groot mysterie.

"Kom mee", zei Jean-Paul.

We liepen in de richting van het kasteel met een licht zoemend pak melk.

Terwijl we daar liepen, schoot mij een verschrikkelijke gedachte te binnen. Een gedachte die ik niet meer van mij kon afzetten: dat het allemaal niet echt was, dat ik degene was die alles verzon, en dat ik nooit meer uit mijn eigen verhaal kon stappen. Ik had mijzelf gevangen, zoals Jean-Paul die hommels. Ik zou altijd eenzaam zijn.

III
Jean-Paul leidde mij een schuur in, een oude paardenstal of weet ik veel, en via die schuur kwamen we in het landhuis zelf. De muren waren bedekt met okergeel behang, niet van papier maar van stof. Het rook naar kruidnagel, tabak en paddestoelen. Zwaarden en geweren zag ik niet, maar wel een paar schilderijen met portretten van mannen met pruiken die vanuit alle hoeken streng en bestraffend naar mij keken. Mijn hart klopte in mijn keel, ik liep in elkaar gedoken door de gangen, Jean-Paul liep rechtop en keek alsof hij zelf de baron was, hoewel zijn voorzichtige tred verried dat hij op zijn hoede was. Hij duwde een deur open, keek om de hoek en gebaarde dat ik mee moest komen. We stonden in een kamer vol muziekinstrumenten. Er kwam een gedempt licht door de vitrage. Een grote vleugelpiano heerste over de kamer, geflankeerd door een kleiner toetsinstrument dat prachtig was beschilderd - een klavecimbel weet ik nu. Langs de wanden stonden en hingen talloze instrumenten, sommige waren mij totaal vreemd - slangachtige koperinstrumenten, dof en gedeukt, grote houten blaasinstrumenten die leken op geweren. Jean-Paul liep naar een cello, een grote cello op een standaard, hij stond voornaam en rechtop.

"De baron komt hier nooit", zei hij bij wijze van geruststelling. Ik zei niets, mijn tong was droog, mijn lippen kleefden aan elkaar.

"Let op!"

Jean-Paul stak zijn vinger weer in het flesje met suikerwater. Daarna sprenkelde hij het stroperige goedje rond het uiteinde van een f-gat in de cello. Stuk voor stuk liet hij de hommels uit het melkpak op zijn vinger kruipen, en daarna door het f-gat de cello in. Niet één keer werd hij gestoken, niet één vloog weg. Hij liet ze alle tien verdwijnen in de donkere klankkast van de cello, en de hele tijd floot hij dat deuntje. Toen de laatste hommel in de cello was gekropen legde hij zijn vinger op de lippen. Ik was nog steeds bang en luisterde of er geluid van de gang kwam, of de baron binnen zou vallen, in een harnas, zwaaiend met een zwaard.

Maar het geluid dat uit de cello kwam verdreef de angst en bracht me onder hypnose. Het gezoem van tien hommels, versterkt door de klankkast van de cello. De snaren begonnen mee te trillen, steeds luider en met steeds meer boventonen. Nooit heb ik iets wonderbaarlijkers gehoord dan het geluid dat uit die cello kwam. Een samenzwering in vreemdheid van machteloze bijen en een willoos muziekinstrument.

"Oui c'est elle, c'est la déesse, hoor je dat?", fluisterde Jean-Paul. "Dat zingen ze. De Parelvissers."

Het gezoem werd bozer en wanhopiger, en ineens had ik er genoeg van. Ik besefte dat die hommels er nooit meer uit konden komen, ze zouden muziek maken, steeds zachter, tot ze stierven.

"Kom we gaan", zei Jean-Paul, alsof hij mijn gedachten ried.

Toen we veilig buiten waren hoorde ik de muziek nog steeds in mijn hoofd gonzen, en 's nachts in bed ook.

IV
De volgende dag zag ik Jean-Paul niet bij de sloot. Naar het landgoed gaan durfde ik niet. Pas twee dagen later werd het me te veel. Ik liep met de angst in mijn hart naar het koetshuis en belde aan. Een vrouw met een vriendelijk gezicht deed open.

"Is Jean-Paul er?", vroeg ik.

"Jean-Paul?", vroeg ze. "Waar ken je die van?"

"Nou, van bij de sloot", zei ik.

"Jean-Paul is terug naar België, naar zijn ouders. Hij logeerde hier een weekje."

"Oké", zei ik. "Dag."

De dagen erna leerde ik hommels vangen bij de sloot, met een flesje suikerwater.

Een dikke, prachtige hommel zat op mijn wijsvinger toen twee jongens met kleine ogen en harde trekken op hun gezicht langs kwamen slenteren.

"Jij bent nieuw hè?", zei de grootste jongen. "Je komt bij ons in de klas."

"Kijk", zei ik. Ik bracht mijn arm hun kant op. Ze deinsden niet terug, ze kwamen zelfs een eindje naar voren.

"Deze hommels spreken Frans", zei ik, "maar vrij slecht, en onverstaanbaar."

"Doe normaal, gek", zei de jongen. "Hommels kennen geen Frans."

De schrijver

Schrijver Gerwin van der Werf (1969) stopte deze week als columnist van Trouw. Hij is muziek-docent op een middelbare school. Hij publiceert sinds het winnen van diverse schrijfwedstrijden verhalen en romans. Zijn debuut 'Gewapende man' werd in 2010 opvallend goed besproken. De opvolger 'Wild', over een jongen die met een luchtdrukpistool een vriendje neerschiet, leverde hem in Het Parool de kwalificatie 'Tarantino van de polder op', vanwege het dreigende geweld, de rauwigheid en fysieke details. Zijn laatste, 'Luchtvissers', verscheen in 2013.

De illustrator
Ook dit jaar illustreren studenten van de Willem de Kooning Academie in Rotterdam de korte verhalen in Zomertijd. Dertig tekenaars bogen zich over de zeven verhalen, uit hun werk zijn de beste illustraties gekozen. Een verhaal over hommels was Devin Wijkhuijzen (1989) op het lijf geschreven. Op zijn website prijkt een hommel en ook zijn visitekaartjes zijn ermee versierd. "Het zijn plezierige dieren. Lekker harig, net als ik met mijn baard." Hij lacht. Devin heeft affiniteit met dieren. En die zie je terug in zijn illustraties. Wat zijn werk ook typeert is imperfectie. "Dat geeft persoonlijkheid. Ik heb bijvoorbeeld eerst een perfecte cello getekend en hem daarna verpest. De lijnen minder scherp gemaakt, hier en daar een vlekje. Zo wordt het echter."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden