Toch gezien

Gekend waren ze, maar niet gezien, de 88 tbs-patiënten die Henk Hage schilderde. Wat ziet Hage als hij Willem Jan Otten portretteert? En wat ziet deze zelf?

Willem Jan Otten (1951) schrijft poëzie en proza. Voor zijn beschouwend proza ontving hij in 2014 de P.C.Hooft-prijs. Zijn laatste essayboek is 'Droomportaal'.

Eind maart 2015 liet de schilder Henk Hage uit mdf-platen 88 paneeltjes zagen van 17,4 x 17,2 cm - formaat badkamertegel - voor evenzovele portretten van misdadigers. Hij deed het in opdracht van de Pompestichting: 'Portretteer al de tbs'ers van onze longstayafdeling, maar doe het zo dat ze onherkenbaar blijven'.

Het idee was van de geestelijk verzorger in de kliniek. Mensen, beweerde hij, willen gekend worden. Ze willen bestaan, ook als de samenleving hun het recht heeft moeten ontnemen om vrij en zichtbaar te zijn. De paradox van longstayers is dat ze uitentreuren gekend worden - hun doopceel is genadeloos gelicht geweest; van hun misdaad is alles vaak tot op de seconde bekend; ze zijn door deskundigen veelal onbehandelbaar verklaard; ze staan elk uur van de dag onder toezicht. Maar gezien worden ze niet.

Wat is dat voor zien? Hage schreef op de achterkant van elk paneeltje een naam, een afgekorte naam, een van de 88 sterrenbeelden die in de Oudheid aan het firmament werden onderscheiden. Leo, Pyx, Lib, Cap, Oct, Aqr.

Daarna hing hij ze op, in rijen onder elkaar, aan de muren van een soort ruime cel midden in de kliniek. Die had hij ingericht als atelier, en daar is hij, op de bodem van de put, een jaar lang gaan werken. Iedere gedetineerde die geportretteerd wilde worden, kon zijn eigen plankje uitkiezen.

Het lijkt allemaal nog het meest op een ritueel, en het doet onvermijdelijk denken aan de witte steen waarvan gezegd wordt dat wij hem na onze dood krijgen, en waarop onze eigenlijke naam geschreven staat.

De fictie van de eigenlijke naam, die ons al voor onze verwekking gegeven is, en die ons, nadat we geleefd hebben, geopenbaard zal worden, drukt enigszins het aartsverlangen uit van dit project. Elke gedetineerde is, behalve een monster in de ogen van de wereld, ook een verloren ziel, en toch heeft hij even de witte steen in handen gehad, en de nieuwe naam gelezen, en hem vervolgens aan de schilder gegeven. Die hem op het paneeltje aan het licht zal brengen.

Je hoeft geen gestigmatiseerde misdadiger te zijn om te begrijpen dat iedere deelnemer aan dit project een sprong waagde. Want even fundamenteel als het verlangen om gezien te worden is de angst voor wat er dan te zien zal zijn. Het diepst is de afgrond van het vertrouwen - en toch is er gesprongen, door vijftig van de longstayers.

In zijn meesterlijke roman 'Ik ben karmozijn' (1992) vertelt Orhan Pamuk hoe verbijsterd Perzische miniaturisten in de vijftiende eeuw waren toen zij in aanraking kwamen met de Venetiaanse portretkunst. Zelf tekenden zij menselijke figuren, met heus gestileerde gezichtjes, maar dan ging het om personages uit legendes, met standaardtrekken, zoals in stripverhalen. Het idee dat een gezicht aan één individu toebehoorde, dat je al kijkend kon weten wie het was, en dat die iemand zou kunnen zeggen: dat ben ik, en dat je zelf zo iemand zou kunnen zijn - het veroorzaakte een aan paniek grenzende consternatie.

Waar kijk je naar als je een realistisch portret ziet? De miniaturistenvreze is van alle tijden. Zelfs nu nog steekt hij de kop op. Wanneer aan het eind van 'Sterren op het doek' de Bekende Nederlander de drie portretten van hem of haar een voor een te zien krijgt. "Ben ik dit?" Hoe glamoureus en vleiend het ding in kwestie ook bedoeld is - altijd trekt er gedurende een nanoseconde een floers van totale crisis over het gelaat van zelfs de meest bekeken, camerageile BN'er, alsof hij aangezicht in aangezicht is komen te staan met de afgrond.

En altijd denk je: als ze dat nu hadden gezien, de portrettisten, als ze die oogopslag hadden weten te vangen... Nooit wordt, althans de keren dat ik het begoochelende programma zag, het persoonlijkste, het werkelijk gefascineerde portret uitgekozen. Het portret, het waarlijk gelukte, is een crisis.

Hage is een van de meest mysterieuze portretschilders van het moment. Op minipaneeltjes heeft hij een reeks van 247 zelfportretten gemaakt, als boek verschenen in 2006: 'Onbewaakte ogenblikken'. De pagina's lijken op de albumbladzijden van een waanzinnige postzegelverzamelaar. Er staan portretten in die hij kijkend in de spiegel heeft gemaakt, maar ook die hij zonder spiegel is gaan maken, en zelfs met ogen dicht.

Een goed gelijkende foto van Henk Hage ontbreekt in het boek. En toch, toen ik hem voor het eerst ontmoette, was de gelijkenis, zoals dat heet, treffend. Hij vertelde toen dat hij tijdens het werken aan de reeks eens zichzelf toevallig tegenkwam in een winkelruit, en dacht: 'die lijkt toch minder dan de zelfportretten'.

Het raadsel dat dit werk je opgeeft is dan ook: wie zie je als je jezelf ziet? Het is, in de era van de selfie, een klemmende vraag. We slagen

erin om de wereld te bedelven onder beelden van onszelf waarop iedereen op iedereen is gaan lijken, en waarop niemand meer een 'zelf' ziet. De achthonderd en drie selfies die de 24-jarige Koreaanse vanmiddag naast me op een terras op Facebook post, zijn evenzovele bewijzen van haar totale onzichtbaarheid. Als een bezetene richt ze haar mobieltje op zichzelf, toch gaat ze ongezien door het leven.

De beeldcultuur is in het manische stadium gekomen waar wij onszelf, in ons ontembaar verlangen om gezien te worden, met onze eigen beelden uitwissen. Het is 'de zelfmoord van het zien' (Ester Ehlvest).

Wat ziet Henk Hage als hij schildert? Waar kijkt hij naar? Tergende vraag, die alleen Henk Hage kan beantwoorden door... te schilderen.

Ik ben door hem geportretteerd, in ruil voor deze woorden, die nog niet geschreven waren. Terwijl hij mij schilderde, zat hij in zekere zin voor mij: ook ik was, in gedachten, bezig aan een soort portret, van hem.

Voor hij aan het werk ging liet hij iets zien dat, vertelde hij, in zeldzaam slechte aarde was gevallen. De vrouw die voor hem had gezeten, had, na een zeer korte blik met haar inderdaad puisterige, klodderige evenbeeld gewisseld te hebben, het resultaat in afgrijzen van zich af geworpen. Ze wilde het niet hebben, voor geen prijs.

"Het is soms puisterig, wat ik maak", erkende Hage. "Maar het is nooit gewild afstotelijk." Het was alsof hij me wilde waarschuwen. Toch ben ik gaan zitten. Twee uur lang.

Ik vraag me af hoe vaak ik Henk Hage eigenlijk een schilderende beweging heb zien maken. Ik kan ernaast zitten, maar als hij zich alles bij elkaar zestig keer voorover heeft gebogen om iets te 'doen', gedurende steeds hooguit drie seconden, dan is het veel. Gemiddeld dertig schilderhandelingen per uur, één per twee minuten! De rest van de tijd zat hij min of meer geleund tegen de rug van zijn stoel en keek hij naar mij en naar het minuscule paneeltje waarop klaarblijkelijk iets aan het verschijnen was. Veel vaker naar het paneeltje dan naar mij, ook als hij niet aan het schilderen was.

Dat vroeg ik hem op een gegeven moment: heb je eigenlijk al gezien wat het worden gaat? In een flits? Hij antwoordde dat hij niet zo heel erg het gevoel had dat hij zag of keek. In 'Onbewaakte ogenblikken' zegt hij dat schilderen luisteren is, naar wat zijn hand doet - en zijn schilderende hand lijkt buiten hem om te weten waar hij mee bezig is. Abracadabra, en toch knikte ik. Van het schrijven van een gedicht weet ik dat het bijna altijd begint met iets wat al op papier staat voor je goed en wel beseft dat het is wat je had willen schrijven, en welbeschouwd had je niets te willen. Volgens de dichter Hans Faverey schrijft het zich.

Hage praatte tijdens dit hoe dan ook luisterende proces vrijwel onafgebroken. Hij zei na afloop dat hij meestal meer zwijgt, en uit de prachtige verslagen die hij gemaakt heeft van de sessiegesprekken in de longstaykliniek maak je op dat hij een goede luisteraar is, en zijn zitters weergaloos aan de praat krijgt. Voor hoeveel van deze niet alleen door de staat, maar ook door zichzelf ingesloten zielen waren deze sessies, die alles bij elkaar soms wel twaalf uur geduurd hebben, niet de eerste keer dat zij mochten meemaken hoe het is om gehoord te worden? Hoe dan ook, ik kreeg de indruk dat hij, door te praten, en door te luisteren, een soort peinture automatique ontketende - en zijn hand, buiten zijn gesprekvoerend bewustzijn om, de vrije teugel gaf.

Na twee uren vroeg hij of ik niet moe was.

Ik bekende dat ik uitgeput was, godweet waarvan. De tijd was omgevlogen.

Hij stond op, en maakte een gebaar. Ik mocht naar het resultaat kijken. Nu was dus het 'Sterren op het doek'-moment aangebroken, ook al zei hij dat het vermoedelijk nog niet af was. "We hebben nog een uurtje nodig", zei hij. "En daarna, als het nodig is, nog een zitting."

Ik had het gevoel dat hij niet ontevreden was. Observeerde hij mij toen ik voor het paneeltje (zie hierboven) ging staan?

Natuurlijk klopte het hart mij in de keel.

Ik zal een stilte hebben laten vallen voor ik, zonder nadenken - het ontglipte me, volautomatisch - zei: "Maar dat is mijn moeder!" Het kan zijn dat ik het zelfs geroepen heb. Want haar zag ik. Mijn moeder. Iets anders kan ik er niet van maken.

Iemand die mij niet kende had twee uur lang schilderend naar mij gekeken, zestig schildersgebaren gemaakt - en mijn bijna negentigjarige moeder op zijn paneeltje getoverd. Mijn moeder, van wie nog nooit iemand heeft gezegd dat ik uiterlijk op haar lijk. En die Henk Hage van zijn leven nooit heeft gezien.

Na een kwartier werd de sessie hervat. En een uur later zag ik dat mijn moeder verdwenen was, of hoe zeg ik dit: afgezwakt.

Wie naar de panelen van 'Bewaakte ogenblikken' kijkt, beseft dat al deze mensen werkelijk met huid en haar gezeten hebben, recht voor Hage en zijn adelaarsscherpe linkeroog. Elk paneeltje afzonderlijk is zeldzaam hevig aanwezig. Zoveel mens samengeperst op zo'n klein oppervlak. Het is moeilijk om je daar niet mateloos over te verbazen - Hage is een meester van de concentratie, elke kop is een gebalde vuist.

Hij heeft van iedereen in de kliniek minstens twee portretten gemaakt - een voor de reeks van 88 die in zijn geheel moet hangen, en een voor eigen gebruik. Een derde van de bewoners heeft gezegd dat ze hun 'eigen' portret aan hun moeder zouden geven. Je hart breekt bij de gedachte dat deze levenslang aan hun onuitsprekelijke daden geketende mensen een moeder hebben - zij is de enige van wie zij weten dat zij hen nog altijd 'ziet' - en nu willen zij haar het wonderlijke, nietsontziende portretje geven dat Hage van hen heeft gemaakt. Zodat het gezien wordt, 'thuis', 'ergens in de wereld van de mensen'. Zodat zij daar zijn - zij, 'zoals ze zijn', in het blikveld van de eerste en laatste die van hen houdt.

Na de expositie in Museum het Valkhof komen alle 88 panelen te hangen in de gang die naar de ruimte leidt waar de portretten zijn gemaakt, in het hart van de zo totaal gesloten inrichting. Daar zullen ze alleen nog door de longstayers zelf, hun verzorgers en bewakers, gezien worden. Lange muren met daaraan de portretten van de mensen die de muren insluiten. Henk Hage heeft bedongen dat ze daar moeten blijven hangen, alle 88, tot de laatste geportretteerde is overleden.

Natuurlijk, wij, de mensen van buiten de instelling, kunnen beschikken over de reproducties. Maar de schroeiende portretjes hangen in de kliniek, verborgen als rotsschilderingen in een ontoegankelijke grot. Ze zijn het zwaarst beveiligde kunstwerk van de wereld - samen met zijn onderwerp, zijn voorwerp van deernis en aandacht, opgesloten achter dezelfde inrichtingsdeuren.

Bewaakte ogenblikken

Bijgaand essay is een ingekorte versie van Willem Jan Ottens voorwoord in het boek 'Bewaakte ogenblikken'. Daarin staan de portretten van de tbs-gedetineerden van de Pompekliniek, met dagboekaantekeningen van schilder Henk Hage.

'Bewaakte ogenblikken, portretten van longstay-TBS'ers'

159 blz. euro 19,50 Van Tilt

De gelijknamige expositie is te zien in museum Het Valkhof in Nijmegen.

www.museumhetvalkhof.nl

In 2006 verschenen bij uitgeverij Chris- tofoor Hage's zelfportretten. Dat boek, getiteld 'Onbewaakte ogenblikken', is alleen nog tweedehands verkrijgbaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden