Titus Brandsma was niet altijd principieel

Titus Brandsma (tweede rij, hand bij de mond) zoals velen hem kenden: joviaal en aardig. (FOTO'S UIT HET BOEK. ) Beeld
Titus Brandsma (tweede rij, hand bij de mond) zoals velen hem kenden: joviaal en aardig. (FOTO'S UIT HET BOEK. )

Ton Crijnen, oud-journalist van Trouw en De Tijd, wilde niets verdoezelen in zijn levensbeschrijving van Titus Brandsma. De bijna heilige pater karmeliet maakte wel eens een verkeerde inschatting.

Titus Brandsma, de ’mysticus met het treinabonnement’, wacht officieel nog op heiligverklaring, maar menige biograaf heeft daar alvast een voorschot op genomen. Al die wierookwolken benemen het zicht op de tengere karmeliet met de ronde brilleglazen, die journalist was, hoogleraar filosofie, en die uiteindelijk als verzetsstrijder van uitputting stierf in concentratiekamp Dachau, op 26 juli 1942. Hij is 61 geworden.

Voor Ton Crijnen, in zijn werkzame leven als journalist verbonden aan De Tijd en Trouw, was Titus Brandsma „een vrome, wereldvreemde pater die ver van mijn belevingswereld afstond. Als roomse jongen kon je vroeger niet om Titus Brandsma heen. Maar hij werd zo opgehemeld, dat ik op een gegeven moment dacht: dat kan niet waar zijn.”

Crijnen begon aan een biografie waarin hij Brandsma recht wilde doen in diens ontwikkeling, inclusief de aanvechtbare keuzes die de pater karmeliet ook wel heeft gemaakt. Nu ligt er een lijvige, genuanceerde beschrijving. Anders dan vorige biografen wilde Crijnen niets verdoezelen in de levensbeschrijving van de man die in 1985 is zalig verklaard door Johannes Paulus II.

Titus Brandsma, in Friesland geboren, maar ingetrokken bij de karmelieten in Oss, zette zich onvermoeibaar in voor de maatschappelijke emancipatie van katholieken. Die begon in de jaren dertig op gang te komen, maar tegelijk was er het nationaal-socialisme. Steeds moest de begaafde karmeliet het belang afwegen van katholieke kranten en scholen die zich eindelijk konden gaan ontwikkelen, en dat van Joodse Nederlanders, die steeds meer uit het maatschappelijk leven moesten verdwijnen. Als veel andere katholieken zag Titus Brandsma het nationaal-socialisme aanvankelijk als een milde vorm van communisme.

Crijnen schetst hoe Titus Brandsma in de jaren dertig wel eens een verkeerde inschatting maakte. Zo had hij er geen bezwaar tegen dat de Duitser Baader in 1936 rector magnificus werd van de Nijmeegse universiteit. Aartsbisschop De Jong, na de oorlog tot kardinaal verheven, mede wegens zijn principiële opstelling tegen de bezetter, had Brandsma advies gevraagd, omdat er geruchten waren dat Baader nazisympathieën had. Brandsma woof het bezwaar weg. In mei 1940 verscheen Baader in naziuniform op de universiteit, schrijft Crijnen.

Was de pater karmeliet naïef?

„Naïef is niet het goede woord. Dat was hij niet. In 1935 was Brandsma er wel van overtuigd dat het nationaal-socialisme een groot gevaar was. Al was hij daar niet de eerste in, anderen zoals Poels en Aalberse zagen dat eerder. Hij was wel een persoonlijkheid met verschillende kanten. Zo kon hij behoorlijk zakelijk zijn. Door die scherpe kantjes werd hij voor mij interessant. Hij bleek geen wereldvreemde mysticus, maar zag spiritualiteit als een middel voor concrete antwoorden op de noden in de samenleving. Het is ontegenzeggelijk waar dat hij een optimistisch mensbeeld had, hij ging uit van het goede van de mensen. Maar vergeet niet om hem in zijn tijd te plaatsen. Katholieken waren bezig met hun eigen maatschappelijke emancipatie. In dat proces had Brandsma een belangrijke rol. Het was net als met allochtonen nu: er was maar een klein kader. Vandaar dat hij in zoveel comités zat. Vandaar ook zijn keuze om lang te proberen de katholieke pers aan de gang te houden. Brandsma was niet altijd zo principieel. Het kerkelijk gezag woog zwaar voor Brandsma, hij was toch een gezagsgetrouwe clericus. En hij liet het belang van zijn eigen volksdeel, de katholieken, vaak het zwaarst wegen.”

Dan is er die onverklaarbare ondertekening van de ariërverklaring. In deze verklaring, afgegeven door de Duitse bezetter, moesten Nederlanders schriftelijk laten weten dat ze geen Joods bloed hadden. Dat Brandsma deze verklaring ondertekend heeft, is des te vreemder omdat hij zich van begin af aan sterk heeft ingezet voor het belang van de Joden. Vandaar dat hij, tegen de wil van de bisschoppen in, lid werd van het Comité van Waakzaamheid. Crijnen: „Dat was op uitnodiging, dus toen al stond hij bekend als iemand die zich tegen jodenvervolging inzette.”

Dat comité van waakzaamheid was opgericht in 1936, om de belangen van de Joodse Nederlanders te beschermen tegen het nationaal-socialisme. Het was breed van opzet, buiten de zuilen om, met naast Titus Brandsma ook leden als Jan en Annie Romein. De bisschoppen hadden katholieken sterk ontraden om lid van dat comité van waakzaamheid te zijn, juist omdat het geen zuiver katholieke organisatie was. Toen zijn bisschop hem opdroeg, eruit te stappen, deed Brandsma dat. Het woord van de bisschop woog zwaarder.

Crijnen: „Ook in zijn houding ten opzichte van Joden moet Brandsma in zijn eigen tijd geplaatst worden. Hij had die kenmerkende dubbele houding tegenover Joden. Enerzijds zette hij zich sterk in tegen jodenvervolging, ook op scholen. Anderzijds hing hij de theologische opvatting aan dat de Joden Christus vermoord hadden. Maar waar sommige ordeleden antisemitisch waren, was Brandsma dat nooit.”

Naast zijn vele talenten had Titus Brandsma een tekortkoming: hij kon geen nee zeggen. En omdat hij ook nog zo aardig was, vroeg ieder comité in zijn buurt hem om voorzitter te worden. Gedreven door zijn streven om katholieken in Nederland weer volwaardig mee te laren doen, leidde Brandsma een versnipperd bestaan als journalist, hoogleraar filosofie in Nijmegen, adviseur van katholieke journalisten, aanjager van een eigen katholieke journalistenopleiding, adviseur van bisschop De Jong, en was hij ook nog lid van een orde. Crijnen: „Brandsma heeft zoveel verschillende activiteiten gedaan dat hij zijn talent en aandacht versnipperd heeft. Zo heeft hij bijvoorbeeld nooit een gedegen wetenschappelijk werk geschreven.” De enige echt belangrijke bijdrage aan de wetenschap van Brandsma is dat hij de bronnen voor de Middeleeuwse Nederlandse mystici heeft bijeengebracht. De pater karmeliet maakte daarvoor vele reizen, ook naar Zuid-Italië.

Godfried Bomans was ooit student bij Brandsma, en volgde de colleges filosofie in Nijmegen van de fragiele man met het brilletje. Van hem is de kenschets de ’mysticus met het treinabonnement’.

Lof heeft Crijnen voor de professionele, moderne kijk van Brandsma op de journalistiek. „Hij zag de radio of de telex niet als bedreiging, maar als communicatiemiddelen zoals een krant dat ook was, die het katholieke gedachtegoed konden uitdragen, mits van goede kwaliteit.”

Ook daarin ontwikkelde de Friese boerenzoon Brandsma zich snel. Anders dan andere katholieke opinieleiders in die tijd was hij niet onvoorwaardelijk geneigd, de katholieke pers te steunen. Een katholieke krant moest niet alleen katholiek zijn, maar vooral algemeen journalistieke kwaliteit bieden, in de vorm van nieuws en ook achtergrond. „Met dat inzicht was hij zijn tijd vooruit,” meent Crijnen. „Je ziet aan de manier waarop hij schreef dat hij echt journalistieke feeling had.” En dat voor een professor filosofie.

Door de waarheidsgetrouwe benadering van Crijnen is goed te zien hoe Brandsma in zijn strijd tegen het nazisme steeds principiëler werd en zich ontwikkelde tot de man die zich niet bekommerde om zijn eigen behoud of dat van de katholieke pers, maar zich onvoorwaardelijk inzette tegen geweld en onrecht. De laatste maanden van zijn leven reisde hij, inderdaad per trein, vele katholieke redacties af, om ze ervan te overtuigen dat ze geen advertenties van nazi’s moesten plaatsen, ondanks de gevolgen. Die inzet leidde tot zijn arrestatie. Helemaal onverwacht kwam die niet. Dat Brandsma niet bang was, blijkt wel uit zijn aanmaning aan de agent van de Sicherheitsdienst Steffen die hem kwam arresteren, om op te schieten. Want dan konden ze de trein van half zeven nog halen. „De NS hebben niet de gewoonte op SD-ers te wachten,” voegde Brandsma de agent toe.

De broze karmeliet kwam via kamp Amersfoort in Dachau. Daar hield hij het maar 37 dagen uit. Crijnen sprak een enkele overlevende uit het concentratiekamp. „Dan hoor je welke betekenis Brandsma had door zijn aanwezigheid, terwijl iedereen dacht dat je aan zo’n onpraktische man, en ook nog zo tenger, niets zou hebben. Er gingen een enorme kracht en inspiratie van hem uit.”

Moet Titus Brandsma heilig worden verklaard?

Crijnen sluit zich aan bij de uitspraak van een overlevende van kamp Amersfoort: „Ik ben niet voor heiligverklaringen, maar als iemand heilig verklaard moet worden, dan Titus Brandsma maar.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden