Tim Krabbé: de wereld is oneindig interessant

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Tim Krabbé (Amsterdam, 1943) is schrijver, schaker en wielrenner. Zijn boeken worden vaak vertaald en regelmatig verfilmd. Krabbé schreef het Boekenweekgeschenk ’Een Tafel vol Vlinders’ dat tijdens de Boekenweek – nog tot 21 maart – bij besteding van tenminste elf euro vijftig aan Nederlandstalige boeken gratis wordt verstrekt.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Er is een anekdote over mijn vader die ik jarenlang, vol trots, vertelde. Het was 1952, of 1953. Er kwam een collectant aan de deur. ’Is het voor alle gezindten?’ vroeg mijn vader. ’Ja, meneer’. ’Dus ook voor de katholieken. Dan geef ik niks’. Toen ik er niet lang voor zijn dood met mijn vader over sprak, kon hij zich van die hele gebeurtenis niets herinneren. God mag weten of hij het was vergeten of dat ik het misschien zelf wel had verzonnen. Mijn vader was, hoe dan ook, streng anti-gelovig en dat heb ik van hem overgenomen. Ik maak er bezwaar tegen om atheïst genoemd te worden. Atheïsme is een vanzelfsprekende toestand; dat heeft geen naam nodig. Ik speel geen dwarsfluit. Moet ik dan ook als niet-dwarsfluitspeler door het leven?”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Ja, laten we het hebben over die 32 gesneden beeldjes: het artistieke, wetenschappelijke schaakspel. Ik zal niet zeggen dat ik op dat gebied mensen verafgood, maar ik heb wel bewondering voor schakers die grote prestaties hebben geleverd. Bijvoorbeeld Michael Tal. Zegt je niets? Mooie Joodse jongen, kunstenaarsnatuur: roker, drinker, altijd achter de vrouwen aan. Wereldkampioen in 1960. Tal was een geniaal schaker die liet zien dat er op een andere dan dogmatische manier geschaakt kon worden. Hij deed krankzinnige dingen: in een Caro-Kann tegen Botwinnik sloeg hij met zijn pion op f3 terug! Met zijn pion! Goed nou ja, je zou eigenlijk de partijen van Tal moeten kennen om me te kunnen begrijpen. Ik heb hem ooit, als 25-jarig, eerbiedig journalistje, mogen interviewen. Een idool, zeker. Hij had een enorme invloed, zeker op het artistiek geneigde jongetjes zoals ik.

Ik heb mij een tijdlang bezig gehouden met een moeilijk te begrijpen, haast meetkundig, wiskundig fenomeen: de Dolle Toren. Het was een romantische onderneming, een soort jacht op de heilige graal. En ja, ik heb hem uiteindelijk doorgrond, maar ik kan niet zeggen dat ik in de schaakgeschiedenis voortleef als de man die de Dolle Toren in kaart heeft gebracht. Ik heb ook een tijd lang schaakproblemen gemaakt, puur om een abstract idee vorm te geven, om een bepaald soort schoonheid te creëren. Ze hebben geen enkele maatschappelijke betekenis en je verdient er geen cent mee. Ze worden gepubliceerd in speciale blaadjes die wereldwijd een publiek van twintig mensen bereiken, maar toch ik heb altijd het idee gehad dat mijn dwars door alles heengaande scheppingsdrang dáár mee te maken heeft gehad: iets willen maken puur en alleen om het te redden van zijn niet-bestaan.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Als ik een ergens op de biblebelt moet voorlezen, vermijd ik de verhalen waarin ik inga tegen het bestaan van God. Ik heb er geen enkele behoefte aan mensen te shockeren. Ze komen daar ook niet om mij te bekeren; ze willen gewoon een gezellige avond hebben. Mensen putten, hoe absurd ook, troost uit de illusie van het geloof. Dus op een bepaalde manier heeft onzin nut. Maar het blijft onzin. Hoe ik me laat troosten? Ik heb tot nu toe geen hartverscheurende dingen meegemaakt, maar mocht het ooit gebeuren dan zal er geen troost zijn. Je kunt jezelf natuurlijk van alles wijsmaken, maar het vreselijke kan nu eenmaal niet worden weggetoverd.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Geen sjabbes, geen seideravond, niks. Het joodse geloof – of de joodse gebruiken – speelden in ons gezin, al was mijn moeder joods, geen enkele rol. Ik weet alles over de Jodenvervolging, ik ken de verhalen over de oorlog en de verschrikkingen, maar als het dichterbij komt ik weet het niet, we komen nu wel erg dicht in de buurt van de koude-grond-psychologie Mijn moeders moeder stierf nog voor ze werd weggehaald, mijn grootvader en mijn tante, op wie mijn moeder zo dol was geweest, zijn afgemaakt in en bij de kampen. Mijn tante had voor mijn geboorte een hangertje gemaakt met mijn naam erop – dat zijn immens zielige verhalen, maar wat moet ik ermee? Ik heb eerbied voor haar; ’t schijnt een leuke, dappere jonge vrouw geweest te zijn, maar voor mij is er geen verschil met de andere afschuwelijke gebeurtenissen van toen. Ik heb niet het gevoel dat dit verhaal mij, persoonlijk, aangaat. Ik heb haar niet gekend. Begrijp je? Mijn ouders hebben ervoor gezorgd dat wij geen tweede generatie slachtoffers zijn geworden. Dat vind ik, zeker van mijn moeder, een grote verdienste. En het is ook niet zo dat ik bewust het Jodendom uit de weg ben gegaan. Ik had vroeger veel Joodse vriendjes, een van mijn belangrijkste vriendinnetjes was zo’n nerveus, Woody Allen-achtig half Joods type, de schaakwereld zit vol Joden, dus nee, ik voel er niets bijzonders bij en ik heb er ook helemaal niks op tegen. Het zijn net mensen, die Joden.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Goed, mijn moeder zag, denk ik, in Jeroen de reïncarnatie van haar zusje en ik was net zoals mijn vader, haar man, met wie ze een slecht huwelijk had. Daardoor is misschien die tweespalt tussen mijn broer en mij ontstaan, maar ik weet niet of we hierover ik bedoel, het is weer zo’n amateur-interpretatie. Ik heb lang genoeg psychologie gestudeerd om te weten dat het een volstrekte illusie is te denken dat je de menselijke geest ooit zult kunnen begrijpen.

Mijn moeder was, maar dat ontdekte ik pas veel later, een heldin die zichzelf kon wegcijferen. Zij verdiende het geld, zij deed het huishouden. Mijn vader was de kunstenaar die nauwelijks iets verkocht. Ik deelde haar liefde voor taal. Ze was ook secretaresse bij Kunstenaarssociëteit De Kring, waar de fabeldieren Mulisch en Donner in het wild rondliepen. Dat maakte haar voor mij ook interessant. Toch werd mijn verhouding met haar er in de loop der jaren niet beter op. Ik ga je niet tot in detail uitleggen hoe dat, volgens mij, kwam. Laten we het erop houden dat bij ouder wordende mensen de schil loslaat en oude frustraties weer aan de oppervlakte komen. Ik heb nog foto’s van haar als jonge vrouw: zo mooi, zo onvoorstelbaar mooi! En rond haar tachtigste was ze verbitterd geraakt. Er hing vaak een wat geprikkelde stemming tussen ons, maar we genoten tot een paar dagen voor haar dood van onze scrabble-potjes. Ze wilde het steeds moeilijker maken. De laatste jaren scrabbelden we in het Engels. En die allerlaatste keer wilde ze ineens in het Frans.

Haar grootste verdriet was niet de dood van haar zusje, maar dat haar twee zoons geen goede relatie hadden. Aan haar sterfbed, in november 2002, hebben zich nog wel roerende verzoeningstaferelen afgespeeld – het is ook niet niks als je moeder doodgaat maar dat heeft slechts, heel symbolisch, geduurd tot aan de dood van mijn vader. Sindsdien hebben we geen contact meer maar goed, wat is dit voor een gebod? Ben ik mijn broeders hoeder?

De verhouding met mijn vader? Tja. Die was, helaas, óók nogal ingewikkeld. Kijk, een kind heeft geen keuze. De wereld waarin hij leeft is een wereld die nooit anders had kunnen zijn dus het idee dat je ouders hebt die misschien ook anders hadden kunnen zijn, komt pas bij je op als je twaalf of dertien bent.

Mijn vader was een dominante figuur die zijn plannen voor onze levens heel duidelijk in probeerde te voeren; die ons de artistieke kant op wilde sturen, progressief wilde maken, onafhankelijk, non-conformistisch. Daar ben ik hem nu zeer dankbaar voor, maar een jong kind wil juist conformistisch zijn, dus die botsingen waren onvermijdelijk. We moesten ons onderscheiden van het grauw en ik vond hem, in de nadruk die hij daarop legde soms een beetje belachelijk. Hij zat vol liefde, maar hij was niet erg handig in het uiten ervan. Misschien is zoiets, binnen een slecht huwelijk, ook wel onmogelijk. Het was slecht vanaf de oorlog, geloof ik. Ik heb er nooit naar gevraagd. Mijn moeder had de neiging erover te vertellen, maar ik nam mijn vader in bescherming omdat hij, later, teveel als een soort idioot werd neergezet. Ja, ondanks hoogoplopende conflicten, voel ik mij sterk met hem verwant. Hij lijkt, in zijn verlangen ons geen ’confectie’ te laten zijn, op Fred in ’Een Tafel vol Vlinders’. Misschien is dit Boekenweekgeschenk ergens, in de verte, ook wel een ode aan hem.

Er was al iets veranderd tussen ons: toen ik zelf vader werd. Ik denk dat ik milder werd. Ik zag wat hij had geprobeerd te doen en ook hoe het hem later, in zijn tweede gezin, met mijn halfbroer Mirko, toch nog was gelukt om een relatie te onderhouden waarin de liefde van beide kanten kwam. Dat is niet pijnlijk voor mij, helemaal niet. Ik heb me nooit beklaagd, om wat dan ook. Maar ik ben wel blij dat ik op een andere manier met mijn zoon omga. Laatst kwam de opvoeding ineens ter sprake en Esra zei: je krijgt van mij een 8,5. Niet slecht, toch? Welk cijfer ik mijn vader zou geven? Oei. Dat moeten dan twee cijfers worden. Een 10 voor zijn liefde en een 3 voor de uitvoering. Dan kom je gemiddeld nogal laag uit misschien moet ik het bij een 10 houden nee, dat klopt ook niet. Laat ik hem een 8,1367 geven. Een hoog cijfer, maar wel heel, héél genuanceerd.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Wat een schijnheilig kulgebod! Als er één idee is dat tot veel moorden heeft geleid, dan is het het christendom wel. Ik ben in principe helemaal niet tegen moord, dus ook niet tegen de doodstraf. Maar de doodstraf is in sommige gevallen te licht; ik zou met plezier degene martelen die mijn zoon iets aandoet. In ’Een Goede Dag voor de Ezel’ geef ik de gedachte weer van een vader wiens veertienjarige dochter door een of andere jongen is verkracht wacht, ik pak het er even bij. Hier, bladzijde 63: ’Bart Meeuwse moest dood. Maar eerst moest hij gemarteld worden. Hij zou hem vastketenen in een donkere schuur en met stokken zijn benen stukslaan. Hem dan dagen alleen laten, zijn angst voor een volgende marteling laten groeien. Dan terugkomen en zijn benen weer stukslaan. Hem zijn eigen drek in zijn mond duwen. En als hij daarvan moest kosten, zijn eigen kots. Steeds opnieuw, dag na dag en dan zou hij hem weer weken in eenzaamheid en angst laten. En daarbij zou hem steeds de hoop laten dat het eens afgelopen zou zijn’ afijn, enzovoort enzovoort. Ik ben niet die man, maar ik gun hem zijn fantasie zeker. Niks andere wang. Hoezo vergeving? Slechte jeugd enzo, het zal allemaal wel. Tout comprendre c’est tout pardonner.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Ik heb mogelijkheden tot hele leuke seks vermeden omdat ik het niet aardig vond tegenover mijn geliefde van dat moment – maar ik ben er ook wel eens voor bezweken. Principes zijn goed, maar je moet ook niet al te braaf zijn.

Ik heb verschillende relaties gehad, maar om een of andere reden – je zou het die vrouwen moeten vragen – is het nooit gelukt om iets gaande te houden. Met mijn lieve ex Liz heb ik een buitengewoon vriendschappelijke verhouding. Je zou zelfs kunnen zeggen dat we iets hebben opgebouwd wat blijvend is. Geen seks, geen hartstocht, maar wel een hele mooie vriendschap. Ik ben dus wel degelijk tot zoiets in staat, maar nog een huwelijk, ik weet het niet Ik ben inmiddels te zeer vergroeid met het genoegen altijd te kunnen doen waar ik zin in heb. Die enorme zee van vrije tijd zal ik niet zo snel meer opgeven.”

VIII Gij zult niet stelen

„Ik ga hier niet beweren dat ik moreel zo hoogstaand ben, maar het simpele stelen, langs de kapstokken lopen en in jaszakken graaien, dat heb ik nooit gedaan. Ja, wacht, ik heb een keer een single van Frankie Avalon gestolen uit de Bijenkorf. Ik was zestien en al mijn vriendjes deden het, dus ik moest wel meedoen. Ik heb wel altijd een soort bewondering voor gevaarlijke vriendjes gehad en dat vormt zeker een onderwerp in mijn boeken, maar toch: ik heb het volstrekt niet in me.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„’De Renner’ en ’Kathy’s Dochter’ hebben allebei een hoofdpersoon die Tim Krabbé heet. In beide gevallen ging het mij erom een goed boek te schrijven over de dingen die ik had meegemaakt. Om ’Kathy’s dochter’s privacy te beschermen heb ik daarin van alles veranderd – misschien ook wel om later te kunnen zeggen dat je uiteindelijk van geen enkel detail meer met zekerheid kon zeggen of het werkelijk zo was gebeurd. Maar ik zou de hoofdpersoon niet Tim Krabbé hebben genoemd als ik niet had willen zeggen dat het autobiografisch is.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Het is niet zo gek dat iedereen het heeft over ’Tim Krabbé, de schrijver met een zeker succes en nationale bekendheid die nog nooit het kleinste prijsje heeft gewonnen’. Het ís ook curieus. Het is niet zo dat ik heb gezeurd dat ik almaar de Nobelprijs niet kreeg, maar jarenlang, boek na boek, niet eens op de longlist van een grote literaire prijs komen ja, op een gegeven moment werd het te gek. Het heeft niets met jaloezie te maken. Ik was het gewoon zat en besloot vanaf dat moment mijn boeken niet meer in te sturen. Dat ik nu het Boekenweekgeschenk heb mogen schrijven voelt niet als een genoegdoening. Het is een eer, zeker, maar geen literaire eer. Als je kijkt naar de voorwaarden waaraan de schrijver van het Boekenweekgeschenk moet voldoen – goede, korte roman kunnen schrijven, bekend zijn, met publiciteit om kunnen gaan – dan verbaast het me dat ik niet tien jaar eerder ben gevraagd. Het verbaast me niet alleen dat ze het toen niet deden, maar ook dat ze het nu alsnog doen. Soort dubbele verbazing. Maar het is goed zo. Klaar? Nee zeg! Nog lang niet. Ik heb een grote levenslust. De wereld is oneindig interessant. Het maakt me woedend te bedenken dat ik niet mag zien hoe het er hier over tienduizend jaar uitziet. Of over honderd jaar. Het gebouw waarin ik woon zal dan niet meer bestaan. Hoe ziet Amsterdam eruit? Welke boeken zullen nog geschreven worden? Welke schaakpartijen zullen nog gespeeld worden? Of de vijftigste verjaardag van mijn zoon, de verjaardagen van zijn kinderen Ik lig er niet wakker van, maar het is wel een spijtig gevoel. En er is ook een gevoel van haast: ik moet zo langzamerhand misschien een beetje ernst met de dingen gaan maken.

Ik ben een man van cijfertjes, statistieken. Het grappige is dat ik, na vijfentwintig jaar geen wielerwedstrijden meer te hebben gereden, nu nog aardig in de buurt kan komen van de records die ik reed toen ik in de 30 was. Kopje van Bloemendaal stond op 2 minuten en 19 seconden. Daar heb ik in het afgelopen seizoen 2 minuten en 29 seconden over gedaan. Dat is 7 procent langzamer, niet gek voor dertig jaar ouder. Dat is het mooie van fietsen: Jan Derksen senior is negentig en zit nog altijd op de fiets. Voor schrijven geldt hetzelfde. Normaal gesproken zou ik mijn werkende leven achter me hebben. Ik krijg al een jaar AOW, maar ik ben van plan om door te schrijven tot ik niet meer kan. Mijn vader heeft nog tot dik na zijn negentigste prachtige schilderijen gemaakt. Hij werd 97, zijn twee zussen 95 en 100 en mijn moeder is 88 geworden; de voorwaarden zijn gunstig. En ik voel me sterk. Ik heb mijn 65ste verjaardag gevierd met het winnen van een wielerwedstrijd in Rotterdam. Als je mij op mijn tiende zou hebben verteld dat zoiets in 2008 zou gaan gebeuren, dan had ik je nooit geloofd.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden