Tijdens WO I werd voetbal pas echt populair in Nederland

Het elftal van Ajax voor de aftrap tegen Blauw Wit (uitslag 0-0), in maart 1918. Beeld Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/Het Leven/Fotograaf onbekend

Tijdens WO I werd voetbal pas echt populair in Nederland. Soldaten hadden daarin een grote rol.

Zonder goed voorbereid te zijn, raakt Nederland in 1914 omringd door oorlogvoerende landen. Als op 31 juli 1914 de mobilisatie wordt afgekondigd, vertrekken duizenden jonge mannen naar kazernes door heel Nederland. Het wordt oorlog, maar Nederland blijft neutraal. Toch blijven al die mannen waakzaam, al hebben ze niets te doen.

De oorlog duurt langer dan gedacht. Veel langer. Daarom wordt al snel naar methoden gezocht om de soldaten de tijd te laten verdrijven. Sport, en voetbal als belangrijk onderdeel daarbinnen, wordt van overheidswege gepropageerd als middel om de soldaten weerbaar te laten blijven. Voetbal wordt dan al zo'n twintig jaar gespeeld in Nederland, en een bal is bovendien een betrekkelijk goedkoop object waarvan eentje al genoeg is om grote groepen tevreden te houden.

Nu, honderd jaar na het einde van de Eerste Wereldoorlog, is duidelijk dat tijdens de oorlog het voetbal in Nederland een enorme groei doormaakte. Volgens sporthistoricus Jurryt van de Vooren lijdt het geen twijfel: in WO I kwam het voetbal in Nederland tot bloei.

Van de Vooren: "De Eerste Wereldoorlog bracht een omslag in het Nederlandse voetbal. Niet alleen in ledenaantallen, ook in landelijke verspreiding en in sociale samenhang. De Nederlandse soldaten hadden daar een belangrijke rol in. Zij brachten het voetbal vanuit het leger mee naar dorpen en steden waar nog nooit iemand een bal had gezien."

De cijfers zijn overdonderend, aldus Van de Vooren in het voorwoord van het boek 'Kampioenen 1914-1918', dat deze week uitkwam. In vier jaar tijd zijn er 836 voetbalclubs opgericht, stelt hij. Waar voetbal voor de Wereldoorlog een elitesport was, vooral door 'jonge heren' gespeeld in Noord- en Zuid-Holland, sijpelde de sport in oorlogstijd door naar de lagere klassen. Voetbal werd de volkssport, waar bijvoorbeeld cricket voor de elite bleef.

Kanonnen

Een van die clubs was OVV uit Oostvoorne, in het zuidelijke puntje van Zuid-Holland op Voorne-Putten. De club, opgericht in 1917, is een goed voorbeeld van hoe de oprichting van zo'n vereniging in haar werk ging, terwijl niet veel verder de oorlog woedde.

Het waren jonge jongens die de club oprichtten, aangemoedigd door leeftijdgenoten die elders op het eiland al waren begonnen met spelen. De bal die ze nodig hadden was duur, en alleen te koop in het nabijgelegen Brielle. Het benodigde geld konden ze alleen bijeenbrengen, doordat een van de welgestelde inwoners van het dorp een gulden schonk.

Voor de voetballers was er geen veld beschikbaar; daarom trokken ze strepen op het strand, met een hoopje schelpen als penaltystip. Het gebulder van de kanonnen klonk regelmatig, zeker als de wind goed stond (en dat was vaak). Af en toe was het voetbal moeilijk. Er spoelde weleens een mijn aan of, luguberder, verdronken Duitse en Britse soldaten die het slachtoffer waren geworden van de duikbootoorlog die zich op het Kanaal afspeelde.

OVV ontstond in een tijd waarin een groot deel van Voorne-Putten ging voetballen. Maar kwam dat echt door de oorlog?

Ernest Verhees, sporthistoricus en werkzaam bij het gemeentearchief van Nijmegen, vindt dat die conclusie iets te snel getrokken wordt. Ja, het klopt dat er veel clubs werden opgericht, maar dat paste in een al bestaande trend, betoogt hij. Er waren al heel veel mensen die bij verenigingen speelden die niet bij een bond waren aangemeld.

Daar is OVV een voorbeeld van (pas in de jaren twintig zou die club zich aansluiten bij de Rotterdamsche voetbalbond), maar Verhees zag dat zelf ook in de regio Den Bosch, waar hij onderzoek deed naar voetbal tijdens de Eerste Wereldoorlog. "Als er geen oorlog was geweest, was er precies dezelfde groei geweest."

Volkssport

In het verslag van de Nederlandsche Voetbal Bond (NVB) uit het seizoen vóór de oorlog (1913-1914), staat een conclusie die de mening van Verhees lijkt te ondersteunen: '...Men zal moeten erkennen dat gesproken kan worden van een 'voetbalbeweging'. Het Nederlandse volk heeft ons spel in zich opgenomen en als het zijne aanvaard; voetbal is in de loop van 25 jaren geworden niet één, neen, De Volkssport.'

Voetbal was namelijk niet onbekend als sport in Nederland. Pionier Pim Mulier had in Haarlem al HFC opgericht, al was die club overvleugeld door Sparta als beste van Nederland. Er werden zelfs al sinds 1905 interlands gespeeld, met Nederland-Engeland in 1913 als een duidelijk hoogtepunt. Bij die wedstrijd waren zelfs leden van de regering aanwezig.

De Eerste Wereldoorlog was daarom juist een knik in een snelle groei van de sport, concludeert Verhees. De mobilisatie was niet altijd goed voor het voetbal, betoogt hij. Voetbalclubs kwamen in de problemen omdat ze een deel van hun spelers zagen vertrekken naar de kazernes her en der in het land. Dat ging ten koste van de eigen club, en de eigen competitie. De situatie was in het eerste oorlogsjaar zo penibel, dat de voetbalbond het noodzakelijk vond een noodcompetitie op de stellen waarin clubs niet konden degraderen.

Er waren wel militaire competities, maar die zorgden niet voor inkomsten voor een vereniging. Wel werd af en toe tegen een militair elftal gespeeld. Dat gebeurde veel rond Den Bosch, zegt Verhees.

Ook in Oostvoorne, waar OVV net was opgericht, was het militaire elftal een geduchte tegenstander. Er was een eilandencompetitie, waarin verenigingen uit de buurt tegen elkaar speelden. Het militair elftal werd samengesteld uit de ongeveer 2500 soldaten die de vestingen van Brielle en Hellevoetsluis moesten bewaken.

Mobilisatie was dus niet alleen maar goed voor de verenigingen, toch heeft het wel degelijk meegeholpen om de bekendheid van de voetbalsport te vergroten. Verhees geeft aan: "Terugkeer uit mobilisatie, grotere bekendheid met het steeds populairder wordende voetbal maar ook meer tijd voor ontspanning (door de Arbeidswet van 1919) zullen een rol hebben gespeeld."

Katholieken

Van de Vooren: "Er zijn geen cijfers van het aantal soldaten dat in militaire dienst in aanraking is geweest met voetbal. Of hoeveel dat doorgegeven hebben binnen de lagere sociale klasse. Het zou heel mooi zijn als daar eens een rapport van gevonden zou worden. Er is nog heel veel niet onderzocht over sport en de Eerste Wereldoorlog."

Verhees stipt nog een ander punt aan waardoor de groei van het voetbal in de oorlog ontstond: de grote expansie van voetballend Nederland vond plaats in het zuiden van het land en dan met name in katholieke gebieden.

In Breda en Den Bosch ontstonden in 1915 de eerste katholieke competities. Op die manier konden katholieken voetballen, maar was het risico op 'zedelijke gevaren' tot een minimum teruggebracht.

De timing daarvan had wel met de oorlog te maken. Kapelaan W. Binck redeneerde dat er vaart moest worden gemaakt, schrijft Verhees, want als de militairen uit dienst zouden komen, zou Brabant heel wat meer nieuwe clubs krijgen. Dud de tijd drong.

Het zijn met name de katholieke voetbalclubs geweest waardoor het totaal aan voetballende Nederlanders flink werd verhoogd, van 7500 in 1910 tot bijna vijftigduizend in 1920. Als paddestoelen schoten de katholieke voetbalclubs uit de grond.

Dat het voetbal daarmee een volkssport werd, dat is wel duidelijk. Dat werd ook in het leger bewezen, aldus de NVB in een jaarverslag. Zo is er speciale aandacht voor luitenant Thomson, die de sport ondanks afkeuring 'van zijn superieuren' in het leger had doorgevoerd in Den Haag en Leeuwarden. Hij ging zelfs 'met en tusschen' zijn soldaten spelen, en dat was volgens zijn meerderen niet te beargumenteren.

De bond was er wel blij mee. Thomson had gehandeld volgens het mooie beginsel van elke sport: gelijkheid.

Of het nu door of ondanks de oorlog is, het voetbal in Nederland krijgt tussen 1914 en 1918 door het hele land voet aan de grond. De exponentiële groei van het aantal spelers zet zich in de jaren die volgen voort. Het voetbal verankerde zich in de Nederlandse cultuur, op een plek waar het nooit meer weg is gegaan.

Lees ook: 

Een eeuw later is het landschap de laatste getuige van de Grote Oorlog

De Vlaamse Westhoek is getekend door de loopgravenstrijd tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wie weet waar hij moet kijken, ziet honderd jaar na de wapenstilstand behalve tientallen soldatenkerkhoven, monumenten en hordes toeristen ook de littekens in het landschap.

Precies 100 jaar geleden vroeg de vluchtende Duitse keizer Wilhelm II asiel aan op Nederlandse bodem

Het is dit weekeinde honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog eindigde. Het Limburgse plaatsje Eijsden herdenkt dat de Duitse keizer, op de vlucht uit eigen land, daar het neutrale Nederland binnenkwam.Wilhelmina effende zijn pad.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden