Tijd voor een vrouwelijke premier

Volgens politicologe Leyenaar is er behoefte aan charismatisch, bindend leiderschap

Het had niet veel gescheeld of Nederland had al in 1967, bijna vijftig jaar geleden, een vrouwelijke premier verwelkomd in de persoon van de katholieke politica Marga Klompé. We zouden daarmee het eerste land in Europa zijn geweest en na Ceylon (het huidige Sri Lanka) en India het derde land van de wereld.

Klompé was bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1967 een van de lijsttrekkers van de KVP, de partij die later in het CDA is opgegaan. Een deel van de KVP-top zag haar als mogelijke formateur en daarmee als kandidaat-premier, schrijft de Nijmeegse politicologe Monique Leyenaar in haar boek 'Hare Excellentie' over zestig jaar vrouwelijke ministers in Nederland.

Maar Klompé zei nee. Ze vond dat ze over onvoldoende kennis op financieel-economisch terrein beschikte en dat "de situatie psychologisch niet rijp is om een vrouw tot minister-president te maken". De functie ging naar de deze zomer overleden Piet de Jong. Een halve eeuw later is er nog steeds geen vrouw premier geweest.

Klompé was elf jaar eerder, in 1956, de eerste vrouwelijke minister van Nederland. Ze kreeg het departement van Maatschappelijk Werk. Inclusief Klompé heeft Nederland tot de dag van vandaag 33 vrouwelijke ministers gekend. Leyenaar heeft voor haar boek met 27 van hen gesproken; ook met Klompé, die ze interviewde in 1986, het jaar dat de politica overleed. Daarnaast maakte de auteur gebruik van krantenartikelen over en (auto)biografieën van vrouwelijke bewindslieden.

Bij elkaar krijgt de lezer zo een aardig beeld van hun rol in de Nederlandse politiek, bezien vanuit hun eigen perspectief. Leyenaar levert er nuttige informatie bij over de werking van ons politieke systeem.

Aanvankelijk waren bewindsvrouwen een soort 'excuustruus'. Niet voor niets kent de eerste paragraaf in het boek de kop 'Er moet nog een vrouw bij'. Begin jaren zestig werd de VVD'er Jo Schouwenaar de tweede vrouwelijke minister. Pas in 1973 kwam er een PvdA-vrouw in het kabinet: Irene Vorrink.

Nu, anno 2016, zijn er van de dertien ministers in het tweede kabinet-Rutte vijf van het vrouwelijk geslacht. Een van hen, Jeanine Hennis, bestuurt het typische mannenbolwerk Defensie. Maar nog steeds, aldus de auteur, zijn vrouwen er niet in geslaagd om de zware departementen in de wacht te slepen, zoals Financiën, Buitenlandse en Sociale Zaken. Relatief vaak komen zij terecht op posten die volgens Leyenaar als feminien kunnen worden beschouwd zoals Welzijn, Cultuur, Volksgezondheid en Onderwijs.

Ze gaat uitvoerig in op de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke ministers, en vooral hoe die laatste groep die verschillen ervaart. Zo zeggen ze bijna allemaal dat ze, zeker in de media, veel meer beoordeeld worden op hun uiterlijk en kleding dan mannelijke bewindslieden. Oud-minister Eveline Herfkens vindt dat haar seksegenoten daar niet over moeten zeuren zolang ze zelf meedoen aan de hoedenparade op Prinsjesdag: "Dan vraag je er toch om."

Vrouwen krijgen ook veel vaker de vraag voorgelegd dan mannen hoe ze het thuis flikken, zo'n drukke baan en de opvoeding van kinderen. En naar eigen zeggen opereren ze ook anders in de vrijdagse ministerraad. Mannelijke collega's wekken dan de indruk dat ze hard en veel praten om maar vooral in de notulen terecht te komen, zoals Tineke Netelenbos en Liesbeth Spies opmerken. Vrouwen zeggen makkelijker: "Hier hebben we niets aan toe te voegen."

En het ambitieniveau loopt sterk uiteen, zoals Gerrit Zalm eens opmerkte tegen zijn partijgenoot Melanie Schultz: "Als ik aan mannen vraag: wil je in de regering, dan vragen zij niet eens om welk ministerie het gaat. En als ik het aan vrouwen vraag, dan moeten ze er nog drie keer over nadenken en overleg voeren met ik-weet-niet-wie-allemaal."

Leyenaar deelt kabinetsleden in drie categorieën in: specialisten, generalisten en allrounders. Het merendeel van de vrouwelijke ministers - 19 van de 33 - is allrounder, dat wil zeggen dat zij zowel politiek inzicht hebben als inhoudelijke kennis van het beleidsterrein van hun ministerie.

De politicologe waagt zich niet aan een oordeel over het functioneren van de 33 vrouwelijke bewindslieden. Er spelen zoveel factoren een rol, en een minister moet met zoveel uiteenlopende belangen rekening houden dat het ondoenlijk is om te bepalen of ze succesvol is, schrijft ze. Dus in dit boek staat, anders dan in sommige kranten rond afgelopen Prinsjesdag, geen cijferlijst.

Maar tussen de regels door laat Leyenaar toch wel blijken wie het goed heeft gedaan en wie niet; soms komt het oordeel uit de mond van de betrokken minister zelf. Allrounders als Hanja Maij-Weggen, Klompé en Netelenbos waren sterke ministers, iemand als Tineke Huizinga van de ChristenUnie was veel zwakker, zij was ook maar enkele maanden minister.

Leyenaar laat de geïnterviewde bewindsvrouwen uitvoerig aan het woord, wel eens te uitvoerig. Er zijn citaten van bijna een hele pagina, af en toe onderbroken door een zinnetje in de trant van: "Zij voegt hier aan toe...". De auteur had meer voor eigen rekening kunnen nemen en citaten moeten samenvatten, dat was de leesbaarheid ten goede gekomen. En het is toch wel merkwaardig om heel oude citaten van Klompé en Vorrink (overleden in 1996) tussen recente opmerkingen van huidige ministers door elkaar aan te treffen, over hetzelfde onderwerp, alsof ze met elkaar in gesprek zijn.

In het laatste hoofdstuk ontkomt Leyenaar niet aan de vraag wanneer we in dit land de eerste vrouwelijke premier kunnen verwelkomen. We hadden er mogelijk al eentje gehad als Rita Verdonk destijds de strijd om het leiderschap van de VVD had gewonnen van Mark Rutte. En als Rutte twee jaar geleden naar Brussel was vertrokken, hadden we nu minister-president Edith Schippers gehad. Ook Tineke Netelenbos is wel eens opgevoerd als de gedoodverfde eerste vrouwelijke premier, net als Neelie Kroes; die ontkent trouwens tegenover de schrijfster dat ze ooit ambities in die richting had.

Niets staat de komst van een vrouwelijke premier in de weg, concludeert Leyenaar. Ze noemt een aantal geschikte kandidaten: Marja van Bijsterveldt, Lilianne Ploumen, Edith Schippers, Jeanine Hennis, en ook Melanie Schultz en Jet Bussemaker, al hebben die twee laatsten laten weten niet in de running te zijn.

Probleem is wel dat er geen vrouw kandidaat is voor het lijsttrekkerschap van een potentiële regeringspartij, en uit die kring komt een minister-president meestal voort. Maar in een tijd van sterke polarisering is er volgens Leyenaar veel behoefte aan charismatisch, bindend en competitief leiderschap - eigenschappen die vrouwen in haar ogen bij uitstek hebben.

Monique Leyenaar: Hare Excellentie. Zestig jaar vrouwelijke ministers in Nederland Prometheus; 320 blz. euro 19,95

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden