Tijd om het stokje over te dragen

De Rotterdamse imam El Moumni (in licht gewaad) verlaat het Paleis van Justitie in Den Haag in 2002. Hij stond terecht vanwege homo-onvriendelijke uitlatingen. Toen de toenmalige minister van integratie, Roger van Boxtel, islamitische kopstukken daarover wilde spreken kwamen er veertig vertegenwoordigers opdagen. Onwerkbaar, vond hij. Nu zijn er twee organen. Jonge moslims vinden die niet representatief. (FOTO JOÿL VAN HOUDT)Beeld Trouw

Veel jonge moslims voelen zich niet of nauwelijks vertegenwoordigd door de eerste generatie ’gastarbeiders’ die nog steeds het hoogste woord voert als met ministers wordt overlegd. De kritiek: bestuurders van organisaties gaan al jaren rollebollend over straat.

Mijn achterban is jong en onafhankelijk, zei Mohammed Cheppih eerder deze maand, toen hij zijn plannen voor moslimomroep Ouma (Omroep Universele Moslim Associatie) presenteerde. Dat was meteen een aanklacht tegen andere aanvragers voor levensbeschouwelijke zendtijd: de moslimomroepen die stevige banden hebben met de onderling kissebissende organisaties CMO (Contactorgaan Moslims en Overheid) en CGI (Contactgroep Islam). „Wij binden ons niet aan etniciteit, kleur en geur”, zei Cheppih. „Soennieten, sjiieten, alevieten: jonge moslims denken niet meer in zulke etiketten. Die tijd is passé.”

Ouma wil breken met het verleden. En breken met iedereen die zich de afgelopen jaren heeft misdragen in medialand, zei Cheppih ook. Ouma dingt mee naar zendtijd omdat vorige maand het doek viel voor de Nederlandse Moslim Omroep (NMO) en de Nederlands Islamitische Omroep (NIO). „Ze hebben er een zooitje van gemaakt. Die mensen konden zo slecht met elkaar overweg dat het wel moest botsen”, zegt Farid Azarkan van koepelorganisatie Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders (SMN).

Toen de Rotterdamse imam El Moumni in 2001 homo-onvriendelijke uitspraken deed, wilde de toenmalige minister Roger van Boxtel (Grote Steden- en Integratiebeleid) overleg met islamitische kopstukken. Er kwamen veertig vertegenwoordigers opdagen. Een onwerkbare situatie, vond hij. Van Boxtel vroeg Mohamed Sini, voorzitter van stuurgroep Islam en Burgerschap en toen PvdA-raadslid in Utrecht, een representatieve moslimorganisatie te realiseren.

Drie dagen voordat Sini, in februari 2004, het CMO officieel presenteerde, werd de CGI opgericht. Na twee jaar kibbelen en touwtrekken was het niet gelukt om alle islamitische stromingen, etniciteiten, moskeeën en clubjes in één organisatie onder te brengen. „De CGI heeft geen achterban. Ze kunnen net zo goed zeggen dat ze de hotsieknotsie-moslims vertegenwoordigen”, zeiden ze bij het CMO. „Alsof die zes mensen van het CMO een achterban hebben”, was het weerwoord.

Sini zei: „Bij het CMO zijn 300 moskeeën aangesloten. De meeste moslims in Nederland zijn soennitisch. Wij zijn groter dan de CGI.” De repliek: „Het CMO is orthodox, eenzijdig en intolerant.” De toon was gezet, de ruzie hield niet meer op.

„De verdeeldheid is gecreëerd”, zegt Cheppih. „Misschien is het ook een utopie te denken dat je soennieten, sjiieten, alevieten en al die andere stromingen in één club kunt vangen”, werpt Azarkan op. „De christelijke familie heeft ChristenUnie, CDA en SGP, de KRO, NCRV en EO.”

Zijn Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders schuift geregeld aan voor overleg bij de minister. „Als seculiere organisatie. Wij zetten in op onderwijs, arbeid, emancipatie, participatie. Niet op religieuze inhoud, omdat dat thema meer de verschillen dan de overeenkomsten benadrukt. Wij kiezen bewust voor de verbanden. Maar ik snap best dat de overheid als er problemen zijn ook via de religieuze lijn, met moslims in gesprek wil.”

CMO en CGI zeggen via moskeekoepels een grote achterban van moslims te vertegenwoordigen (respectievelijk 500.000 en 150.000). Jonge moslims vinden die clubs echter helemaal niet representatief. De Amsterdamse jongerenimam Yassin Elforkani is duidelijk: „De eerste generatie heeft haar werk gedaan. Nu is er vooral irritatie en twijfel over de integriteit. Het wordt tijd het stokje over te dragen.”

Toen in 2005 oud-minister Verdonk opdracht gaf een imamopleiding te beginnen, wees ze Sini aan te kijken welke organisaties daarbij konden worden betrokken. Sini koppelde het CMO aan hogeschool InHolland. Dat leverde woedende reacties op uit het CGI-kamp: zo werden de orthodoxen bevoordeeld, en de liberalere moslims bedonderd.

Jonge moslims klagen over ruzieschoppers die aan het pluche zijn vastgeplakt, over vriendjespolitiek en belangenverstrengeling, over voormannen die slecht Nederlands spreken, nauwelijks geïntegreerd zijn en alleen zichzelf vertegenwoordigen als ze bij de minister aan tafel zitten. De kritiek geldt vooral Sini en Driss El Boujoufi (CMO), en Abdelmajid Khairoun en Yahia Bouyafa (CGI).

Positieve bijdragen waren er wel, stelt Azarkan nadrukkelijk. „ Maar het echte probleem zit in het bestuurlijke niveau. Dat moet flink omhoog. Dat is van algemeen belang. Anders verandert er nooit iets.”

Azarkan pleit voor vernieuwing en daar sluit Youssef Azghari, oud-columnist van Trouw, zich bij aan: „Ik zie die clubs ruziën over pietluttigheden, ik hoor hun reacties op actuele zaken. Ze zeggen met de overheid mee te willen werken aan het opleiden van Nederlandse imams, maar doen dat halfslachtig zodat die studenten straks allemaal werkloos zijn. En ik hoor nooit over grote discussies die ze in eigen kring zouden moeten voeren. Bijvoorbeeld over een islam die bij deze tijd past.”

Ibrahim Wijbenga, Marokkaans-Nederlandse jongerenwerker in Eindhoven en publicist, ziet dat de moslimvoormannen vooral bij de minister komen als er ’brandjes geblust moeten worden’. Dat is geen goede positie, zegt hij: „ Zorg dat je structureel in gesprek bent. Bijvoorbeeld bij minister Donner over een vrije vrijdag, voor moskeebezoek.”

Islamitisch onderwijs, de moslimomroepen en het gedoe rond de aanstelling van een legerimam: Wijbenga moppert over een gebrek aan bestuurlijk kader, over eilandjes waarop allerhande belangengroeperingen zich al gauw terugtrekken. „Het lijkt een wedstrijd: wie is de leukste en vlotste moslim die gevestigde politieke groeperingen als uithangbord kunnen gebruiken?”

Jonge moslims die hier geworteld zijn, zijn volgens Wijbenga verbijsterd over de slechte pr van moslimkopstukken en ’wereldvreemde’ imams. „Zij dienen allesbehalve het algemeen belang. Ze zorgen voor een beeld van liberale en conservatieve moslims, geloofsgroepen die elkaar de tent uitvechten. Daar heb ik last van. Toen we pas het comité ’Stop criminaliteit Marokkaans-Nederlandse jongeren’ oprichtten, kregen we met al die koninkrijkjes te maken. Dan wil er één niet op de lijst als de ander er ook op staat.”

CMO en CGI reageerden de afgelopen dagen niet op de voorgelegde kritiek. Opdoeken die organisaties, zegt Cheppih. „In Amerika is er een islamitische lobbyorganisatie CAIR (Council on American-Islamic Relations) die als belangrijkste spreekbuis geldt. CAIR is niet samengesteld op basis van etniciteit, moskee of koepelorganisaties, maar op de kracht van het communiceren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden