interview

Thom de Graaf: Zo hoog mogelijk reiken, dat kan ook in het hbo

Thom de Graaf tussen de hbo’ers op de Hogeschool Utrecht.Beeld Werry Crone

Hogescholen moeten een volwaardig alternatief worden voor de universiteit, stelt Thom de Graaf bij zijn afscheid deze week als voorzitter van de Vereniging Hogescholen. ‘Er zijn universitaire studies die thuishoren in het hoger beroepsonderwijs.’

Nog even en Thom de Graaf (61) trekt de deur van de Haagse stadsvilla van Vereniging Hogescholen voorgoed achter zich dicht. Zes jaar lang vertegenwoordigde hij als voorzitter de Nederlandse hogescholen in politiek Den Haag, bij maatschappelijke ­organisaties en de overheid.

“Ik vind dat het hbo er uitstekend voor staat. Zeker als je het vergelijkt met een jaar of zeven geleden”, zegt hij, terugblikkend op de periode dat hij de hogescholen vertegenwoordigde. Morgen is zijn laatste werkdag. Voordat de oud-D66-politicus aan de slag gaat als vice-president van de Raad van State spreekt hij nog een keer over de staat van het hoger beroepsonderwijs.

Toen De Graaf begon, stond het hbo er niet zo best op. Het regende negatieve berichten. Zo bleek de opleiding journalistiek van Hogeschool Windesheim in Zwolle ver beneden de maat. Een kwart van de studenten die kort daarvoor waren afgestudeerd had ­eigenlijk geen diploma mogen krijgen. Bij Hogeschool Inholland, met vestigingen in Noord- en Zuid-Holland, was de situatie nog dramatischer. Daar kregen studenten van een heel scala studies onterecht een diploma.

Wat trof u aan toen u begon?

“In 2011 was er echt een behoorlijke ­crisis rondom de kwaliteit van opleidingen en rondom de kwaliteit van examineringen. De sector was naar binnen ­gekeerd, de onderlinge verhoudingen waren niet goed. Hogescholen waren in verwarring. Dat is symbolisch verbonden aan één hogeschool, Inholland, maar ook op andere plekken zag je dat.”

Hoe staat het hbo er nu voor?

“De afgelopen jaren is er ongelooflijk veel geïnvesteerd in de kwaliteit van de bacheloropleidingen. Neem de pabo’s. Die staan nu prima bekend, maar er was een tijd dat er werd getwijfeld aan de kwaliteit. Je ziet dat de waardering voor het hoger beroepsonderwijs weer is toegenomen, bij zowel de accreditatieorganen als de inspectie als de studenten.

“We hebben ook meters gemaakt in de begeleiding van studenten in het eerste jaar. We hebben nog steeds studenten die heel lang over hun studie doen en veel uitval in het eerste jaar, maar de uitvalcijfers zijn gelukkig niet verder gestegen (het percentage studenten dat na een jaar van studie wisselt of uitvalt ligt rond de 32 procent, red).

“Van mbo-4 naar hbo, dat is bijvoorbeeld ook echt een probleem. Daar doen we van alles aan, zeker in de Randstad zijn er veel experimenten. Denk daarbij aan allerlei vormen van begeleiding. We zien ook dat jongens sneller in de problemen komen dan meisjes. Ook als we kijken naar de culturele achtergrond zijn er verschillen. Voor jongens met een allochtone achtergrond is het soms lastiger om de stap naar het hbo te maken. Dat heeft ook met cultuur te maken, die van de hogeschool, maar ook de eigen cultuur.”

Van oudsher is het hbo een plek voor studenten met een sociale achtergrond waar studie niet gebruikelijk is.

“Het hoger beroepsonderwijs is een emancipatiemotor, inderdaad. We zijn van oudsher de poort naar het hoger ­onderwijs. Maar het is niet zo dat het beeld moet bestaan dat wij er enkel zijn voor studenten van wie de ouders niet hebben gestudeerd.”

De doorstroming van het mbo naar het hbo neemt af. Ruim tien jaar geleden stroomde nog zo’n 51 procent door, tegen 41 procent nu. Hapert de emancipatiefunctie?

“Kijk, wij hebben de opdracht om, als het even mogelijk is, toegankelijk te zijn voor die mbo’ers die door willen, net zoals we dat zijn voor havisten en vwo’ers. Tegelijkertijd zagen we dat die stap bij mbo’ers vaak tot teleurstellingen leidde. We kwamen vaak nog een uitval van boven de 20 procent tegen.

“In het hbo gebeurt er nu iets verstandigs om daar wat aan te doen. Er is een betere voorbereiding van de ene naar de andere stap. En er zijn, en dat is echt een vernieuwing van de afgelopen jaren, associate degrees gekomen (een opleiding van twee jaar voor mbo-4-afgestudeerden. De opleiding zit qua niveau tussen een mbo-4 en een hbo-bachelor, red). Die zijn in samenspraak met het mbo ontwikkeld voor studenten die niet weten of ze een hele hbo-opleiding aandurven of die verdieping willen als ze al werken.”

Een uitgangspunt van het Nederlandse onderwijssysteem is dat de bevolking hoogopgeleid moet zijn. Zou doorstroming daarom niet maximaal behoren te zijn?

“Dat is ook zo, alleen, we bieden nu een breder palet aan mogelijkheden. Want we zijn erachter gekomen dat er een sterke behoefte is, bij studenten en bij het bedrijfsleven, aan alternatieven. Niet aan enkel de keus dat je na het mbo óf gaat werken óf naar het hbo. Er is daarom een derde mogelijkheid gecreëerd. Dat is niet een bewuste keus om mbo’ers af te remmen om naar het hbo te gaan. Want elke mbo’er die het kan en die het wil, is van harte welkom.”<

Dan de doorstroom naar de andere kant. Bij veel universitaire masters is het moeilijk om met een hbo-diploma binnen te komen, bleek pas uit onderzoek van de Landelijke Studentenvakbond. Bij 100 van de 800 academische masters waren hbo’ers niet welkom. Wat vindt u daarvan?

“Op zich vond ik dat niet zo’n sterk onderzoek, hoewel ik het beeld herken. Ik heb daar ook met de universiteiten over gesproken, over het gebrek aan schakeltrajecten. Eigenlijk vind ik dat wij als hoger beroepsonderwijs voor die studenten die een volgende stap willen zetten na hun bachelor zélf een volwaardig alternatief moeten hebben. Dat is de belangrijkste reden waarom er professionele masteropleidingen in het hbo zijn gekomen. Op die manier kunnen studenten die gericht zijn op de praktijk een volgende stap binnen het hoger onderwijs maken zonder daarvoor ingewikkelde schakeltrajecten te volgen. Als ze dát willen, omdat ze wel academische belangstelling hebben, ­onderzoeksbelangstelling hebben, dan moeten ze dat vooral doen en stimuleren we dat ook. Maar het belangrijkst is dat het hoger beroepsonderwijs zelf een volwaardig alternatief biedt. Niet voor niets denken we ook al na over hbo-doctoraten.”

Stapelen van diploma’s is een onderliggend idee van het Nederlandse onderwijs. Hoe vindt u het dat die praktijk aan erosie onderhevig is?

“Ik ben een beetje af van het model dat hbo’ers altijd daarna nog naar de universiteit zouden moeten. Ik wil dat het ­hoger onderwijs bestaat uit twee ­kolommen: hbo én universiteit. Een master aan het hbo moet een volwaardig alternatief zijn voor een master aan de universiteit. Ja, je moet de student de gelegenheid geven om zo hoog mogelijk te reiken. Maar zo hoog mogelijk reiken kan ook in het hbo. Ja, sómmigen kunnen dan nog naar de universiteit. Dat is een breuk met de klassieke gedachte dat je met het hbo nog eigenlijk niet helemaal klaar bent.

En draai de kwestie eens om, kijk naar de universiteiten, die hebben eigenlijk opleidingen gecreëerd die niet zozeer wetenschappelijk zijn maar veel meer op de beroepspraktijk gericht. Die studenten, die daarnaartoe gaan, die horen eigenlijk in het hbo. Het zou goed zijn om een nieuwe verdeling te maken tussen hbo en universiteit.”

Welke universitaire studies horen thuis op het hbo?

“Ik wil geen specifieke studies noemen, maar je kunt denken aan studies op het domein van economie of gezondheid. Fysiotherapie is van oudsher een studie in het hoger beroepsonderwijs. Toch is er een enkele universiteit die het als een academische studie aanbiedt. De vraag is, waarom eigenlijk? Universiteiten moeten hun studies zo inrichten dat ze zich richten op studenten met een wetenschappelijke interesse.”

Onderzoek wordt voor hogescholen steeds belangrijker. Voor welk type ­onderzoek is een hogeschool geschikt?

“Voor het onderzoek dat direct toepasbaar is in de praktijk, dat bijvoorbeeld gaat over innovatie op de werkvloer in de zorg of in het onderwijs. Als het betrekking heeft op de methodieken, of om nieuwe toepassingen van technieken, dan is de hogeschool bij uitstek de plek om onderzoek uit te voeren.”

Het aantal lectoren is ook fors toegenomen, van 300 tien jaar geleden tot meer dan het dubbele nu. Komen er nog meer bij?

“De financiering van het onderzoek blijft achter, kan ik je vertellen. Die is niet voldoende om de kwaliteit en doorwerking in het onderwijs te versterken. Per universitaire student is in de eerste geldstroom (de rijksbijdrage, red.) ongeveer 7000 euro beschikbaar voor onderzoek. In het hoger beroepsonderwijs is dat 150 euro. Ik geef maar even het verschil weer. Willen we echt een grotere impact leveren, dan zal er meer geld bij moeten.”

Welk bedrag moet erbij?

“Dat kan ik niet zeggen. Het onderwijs is niet slecht bedeeld geweest bij de    ­kabinetsformatie van vorig jaar. Ik pleit ervoor waar mogelijk en wanneer    mogelijk deze aspecten mee te nemen.”

Moet het vergelijkbaar zijn met de ­bedragen die naar wetenschappelijk onderzoek gaan?

“Nee, dat heeft een heel ander functie, daar zit veel zwaarder laboratorium­onderzoek bij, denk aan fundamenteel natuurkundig onderzoek. Ik wil alleen zeggen dat als het de bedoeling is dat praktijkgericht onderzoek zich verder gaat ontwikkelen, dat daar dan ook meer geld voor nodig is.”

Hoogleraren hebben een mooie toga. Een hbo-lector in pak steekt daar toch wat pover bij af, vindt u ook niet?

“Je moet als hogeschool één ding niet willen, en dat is universiteitje spelen. Je moet bij je kern blijven, bij je oorsprong. Hogescholen zijn wat minder plechtig, wat informeler. Daar zitten voordelen aan, want misschien dat we hierdoor eerder benaderbaar zijn.”

Studiestress is een steeds groter thema bij studenten. Velen kampen met psychische problemen, voelen zich opgejaagd en zijn bang om na hun studie met een reuzenschuld te zitten. Om de druk op studenten te verlichten maakte minister van hoger onderwijs Ingrid van Engelshoven anderhalve week geleden onverwacht bekend dat hogescholen en universiteiten niet langer van eerstejaars mogen eisen dat ze meer dan twee derde van de studiepunten in het eerste jaar halen.

Universiteiten en hogescholen reageerden geïrriteerd, u ook. Waarom?

“De minister bracht het niet als gespreksonderwerp. Ze zei: ik ga het zo bepalen. Dat is echt een inbreuk op de bestuurlijke verhoudingen zoals we die gewend zijn. Een punt dat zulke grote gevolgen heeft voor de onderwijsinstellingen gooi je niet onverwacht en zonder vooraankondiging in de pers. Bovendien heeft de minister in antwoord op Kamervragen in februari gezegd dat ze wat betreft het bindend studieadvies geen stappen zou zetten zonder overleg met universiteiten en hogescholen. Ook heeft de onderwijssector in april akkoorden gesloten met de minister. Daarin heeft de minister met geen woord gerept over verlaging van het bindend studieadvies. Instellingen kunnen zelf goed bepalen of de normen die ze hanteren voor eerstejaarsstudenten terecht zijn. De ene opleiding geeft meer werkdruk dan de andere.”

Laten we het eens vanuit het perspectief van de studenten bekijken. Die zijn enthousiast dat het bindend studieadvies omlaaggaat omdat het hun stress verlaagt.

“Ik erken dat studenten het niet makkelijk hebben. Ze hebben er vaak baantjes bij om te zorgen dat hun lening niet te hoog wordt. De samenleving is veranderd en daar moeten hogescholen rekening mee houden. Maar dat wil niet zeggen dat hogescholen verantwoordelijk zijn voor het hele psychische welzijn van studenten die een deel van de dag helemaal niet op hun school zijn.”

Wat kunnen hogescholen doen aan ­studiestress?

Om de druk te verminderen hebben we matchingsgesprekken voordat studenten met een opleiding beginnen, zodat een geïnteresseerde student beter kan inschatten wat hij van de opleiding kan verwachten en de opleiding van de ­student. We hebben met studenten-­organisaties afgesproken dat we meer gaan investeren in studentenwelzijn. Maar het blijft lastig. De problemen van de samenleving – denk aan het segregatievraagstuk, polarisatie, psychische problemen – komen ook de hogeschool binnen. Een hogeschool moet daar zo ontvankelijk mogelijk voor zijn en ­daarmee rekening houden bij de ­begeleiding. Maar wij kunnen niet de problematiek van de hele samenleving oplossen. Ik hoop dat mensen zich dat wel realiseren.”

Lees ook:

Universiteiten maken het hbo’ers lastig: Eén op de acht weert ze in masters

Bij ruim honderd van de achthonderd universitaire masteropleidingen is het onmogelijk om met een hbo-diploma binnen te komen, stelt de Landelijke Studentenvakbond op basis van eigen onderzoek.

Er is weer vertrouwen in het hbo, zelfs onder vwo’ers

Voor het tweede jaar op rij is het aantal hbo-studenten gestegen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden