This living hand

Het dichterlijke verlangen naar intimiteit met de lezer, daarover handelt dit korte essay van Wiel Kusters. Keats komt erin voor en Vroman en Kouwenaar en ook een beetje een 'fenomenologie van de zintuigen', in het bijzonder de meest gebrekkige ervan: de tastzin. 'Ik kan heel goed iemand zien die mij niet ziet, iemand horen die mij niet hoort. En voor ruiken geldt hetzelfde. Maar ik kan niet iemand voelen die mij niet voelt.'

Honderdtachtig jaar geleden stierf de dichter John Keats; hij was vijfentwintig jaar oud. Graag leen ik mijn stem aan een van zijn gedichten: acht regels maar, regels die mij bijzonder raken.

This living hand, now warm and capable

Of earnest grasping, would, if it were cold

And in the icy silence of the tomb,

So haunt thy days and chill thy dreaming nights

That thou wouldst wish thine own heart dry of blood

So in my veins red life might stream again,

And thou be conscience-calm'd - see here it is -

I hold it toward you.

Ik hoop dat u, door de kracht zelf van dit gedicht, voelt waarom ik het u wil voorleggen of, liever nog, voorlezen. Hier reikt een dichter uit het begin van de negentiende eeuw u zijn hand, vanaf het papier dat ik hier vasthoud en via de stem waarover ik nog beschik. Zijn 'living hand' leeft alleen nog in de woorden die zij over zichzelf geschreven heeft.

Als we de ontroerende complexiteit van dit gedicht willen zien, moeten we, om te beginnen, in gedachten terug naar het moment waarop Keats' hand met schrijven begon. Het moment waarop deze 'living hand' over het papier bewoog en over zichzelf de woorden schreef die ik zojuist heb voorgelezen.

'This living hand, now warm and capable

Of earnest grasping'.

Door dit te schrijven is de hand gedicht, het gedicht een hand geworden. De dichter steekt ze naar ons uit. Om ons aan te raken en door ons aangeraakt te worden. Door het voor te lezen werd ik eventjes zijn handlanger.

Woorden op papier, geschreven woorden, zijn dode woorden zolang ze niet gelezen worden. Als we ze lezen, komen ze tot leven; zeker als we dat ook nog hardop doen en de woorden onze adem inblazen. In die zin was de levende hand van de dichter al 'dood' nog voor hij gestorven was. 'Dood' als een vorm van beeldspraak. Maar daar heeft de dichter het niet over. Wat hij zich wel voorstelt, en wat hij als beeld ook bij ons oproept, is hoe het zou zijn als hij echt gestorven was en in de ijzige stilte van het graf zou rusten. Dan zou er een liefdevol iemand zijn, 'you', die zou wensen zelf dood te zijn. Die zou wensen zijn of haar bloed te geven om de dichter weer tot leven te wekken, zijn hand haar warmte terug te geven. Misschien heeft dat zelfs even iets griezeligs: de dode hand van de dode dichter zoekt het bloed van een levende. Het ligt in de sfeer van de 'living dead' (de vampierverhalen, niet iets om van op te kijken in de vroege romantiek). Maar er is geen verontrusting mee gemoeid: de liefdevolle 'you', die toegesproken wordt, zou gerustgesteld zijn als de dichter door haar of zijn offer kon herleven.

Keats heeft het in zijn gedicht niet over een latere lezer die zijn gedicht nieuw leven inblaast, lang nadat de maker gestorven is. Maar het is duidelijk dat het beeld van de 'you' als 'bloeddonor' wel op die manier gelezen kan worden. En dat die intieme herleving van het gedicht hier vanavond ook even tot stand is gekomen.

Ik sprak over intimiteit tussen deze dichter en een latere lezer. Intimiteit. Waarom lezen dichters hun gedichten voor? En nog wel publiekelijk? Omdat ze lezers, een lezer, willen zien. Omdat ze met hun stem, die een hand is, door het papier willen komen om een lezer aan te raken, om haar of hem te 'raken' en in die aanraking ook zelf geraakt te worden. Ja, u begrijpt het goed: het gaat om 'gevoel' en 'gevoelens'. En om 'contact'.

Leo Vroman heeft er zo mooi over geschreven, en het gedicht dat ik bedoel is zo populair geworden, dat hij het later zelf behoorlijk sentimenteel is gaan vinden. U kent deze regels wel, uit 'Voor wie dit leest':

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,

maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,

mijn hete hand uit dit papier niet steken;

wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.

Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;

verzacht het vreemde door de druk verstenen

van het geschreven woord, of spreek het uit.

En de beide slotstrofen:

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,

zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;

en laat Uw blik hun innigste niet raken

tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees dit dan als een lang verwachte brief,

en wees gerust, en vrees niet de gedachte

dat U door deze woorden werd gekust:

ik heb je zo lief.

U hoort hoe de dichter uit zijn gedrukte letters, zijn versteende taal, met warme mond en hete hand tevoorschijn zou willen komen om zijn lezer te ontmoeten. En hoe hij van de lezer hetzelfde zou willen: dat die zijn hand legt op zijn gedicht of het uitspreekt met zijn mond. Dat de lezer het gedicht tot leven brengt, doet ontwaken. En als dat al niet kan door middel van de hand die aanraakt en de mond die spreekt, dat dan de blik van de lezer het innigste, het intiemste, van de woorden liefdevol zal aanraken. Raken staat er. Op hun beurt zullen de woorden van het gedicht hem kussen. Daarvan moet hij niet schrikken: wees gerust, of met de woorden van John Keats, 'be conscience-calm'd'.

Wat het gedicht van Leo Vroman treffend laat zien, is dat de tastzin, het gevoel, primair lijkt te zijn. Uiteindelijk, dat wil zeggen idealiter, wordt de lezer door de woorden gekust. Maar het valt op dat ook de blik, in de voorlaatste strofe, met aanraking in verband wordt gebracht.

De tastzin is enerzijds het meest 'gebrekkige' van onze zintuigen, omdat hij niet op afstand kan waarnemen, zoals het oog, het oor en de neus. Net als bij de smaakzin, die immers ook niet zonder aanraking kan, is er een onmiddellijk contact nodig met dat wat men voelt. Anderzijds lijkt de tastzin, zeg voor het gemak maar even 'de hand', de meest fundamentele waarnemingsmogelijkheid die we hebben.

In een onmetelijke, inconsistente en vluchtige wereld, die onophoudelijk in beweging is, is het een wonder dat we mensen en dingen kunnen aanraken. Dat we houvast kunnen vinden in een direct contact. Vaste grond onder de voeten. Dat we voeling houden met de werkelijkheid; samenhang kunnen ervaren tussen onszelf en andere mensen, of tussen ons en de dingen. Pas van daaruit, vanuit zo'n gevoel van samenhang dat door de tastzin mogelijk is gemaakt, wordt het waarnemen op afstand - door te zien, te horen en te ruiken - zinvol. Als wij de wereld niet konden aanraken, als we in de allerhevigste zin alleen zouden staan, afgezonderd en geisoleerd, zonder steunpunt, zonder aanrakingspunt, zou de wereld, die dan nooit de onze zou kunnen worden, verdampen en verpulveren.

De dichter Gerrit Kouwenaar, die straks voor u zal lezen, heeft daar heel mooi over geschreven in zijn bundel 'De stem op de 3e etage', uit 1960. Hij schrijft:

Zou een hand als bijvoorbeeld de hand

van een blinde die tastend door de stad gaat

niet méér voelen dan steen?

En hij vervolgt, na een korte opsomming van wat zo'n hand zou kunnen voelen:

zou deze hand niet méér dan steen voelen

als hij steen voelt?

ja, hij zal méér dan steen voelen

als hij steen voelt

bijvoorbeeld angst

angst bijvoorbeeld voor open deuren

maar de zienden zijn talrijker dan de blinden

blijmoedig en zeker door open deuren in- en uitgaande

betasten zij zelden steen

pas als de nacht is gevallen

begint de werkelijkheid.

Wat de hand van de blinde voelt, is niet alleen de materialiteit van de verschijnselen, maar ook hun betekenis. En dan niet zozeer de voor de hand liggende betekenissen, die door de alledaagse etikettentaal aan de dingen om ons heen worden gehecht (de 'open deuren' waar het gedicht over spreekt, en waar je als blinde paradoxalerwijze, en ironisch genoeg, tegenop zou kunnen lopen), maar veeleer de nu juist bijna rationeel niet te 'vatten' betekenissen die in een daadwerkelijke, tastende, lichamelijke ontmoeting met de wereld ontstaan. Dat waarvoor men ziende blind kan zijn. Maar dat in poëzie gestalte krijgt.

De tastzin is dus fundamenteel. Zonder die basale tastzin zouden wij niet in staat zijn 'stil te staan' bij iets wat we zien of horen, 'erbij te kunnen', het te 'begrijpen' (wat een abstracte vorm van 'grijpen' is; denk aan de woorden 'earnest grasping' uit het gedicht van Keats).

De tastzin maakt het mogelijk dat we aanraken en aangeraakt worden; raken en geraakt worden in de emotionele betekenis van het woord. Het een is misschien zelfs niet mogelijk zonder het ander. Ik kan heel goed iemand zien die mij niet ziet, iemand horen die mij niet hoort. En voor ruiken geldt hetzelfde. Maar ik kan niet iemand voelen die mij niet voelt. Als iemand mij ontroert, ontroer ik ook die ander. Er is in die gewaarwording per definitie wederzijdsheid.

Ik zei al, dat Leo Vroman zich met de loop der jaren wat is gaan generen voor zijn gedicht 'Voor wie dit leest', dat onderhand al tussen de veertig en vijftig jaar oud is. In 1986 publiceerde hij onder de ironische titel 'Voor wie dit kent' een soort naschrift bij dit 'huilvers', zoals hij het eerdere gedicht zelf noemde, en gaf daarin te kennen dat hij zijn 'hand wel uit dat huilvers' zou willen beuren 'om het stil en schriftelijk te verscheuren'. Toch blijkt bij aandachtige lezing van dit nieuwe gedicht, dat het niet de zo nadrukkelijk geuite behoefte aan intimiteit met de lezer is, die hem 'Voor wie dit leest' doet verwerpen. Integendeel, zou je kunnen zeggen. Sinds dat gedicht van toen heeft hij, naar eigen zeggen, 'geen mens meer u genoemd',

omdat ook jij mij zoveel nader bent

dat ik op straat graag door je word herkend.

De behoefte aan vertrouwelijkheid is dus alleen nog maar toegenomen. 'De' lezer wordt in dit nieuwe gedicht geïndividualiseerd tot een welbepaalde en bekende lezer, een 'jij'. Wat natuurlijk onmogelijk is, omdat gedrukte en via de boekhandel verspreide gedichten per definitie een vorm van flessenpost zijn, waarvan je als auteur niet weet wie ze zal lezen. Die in de regel onbekende ander is dus op zijn best een vreemde 'U', die men als vertrouwde 'jij' zou willen kennen. Daarom dus ook die hand die dichter in het oudere gedicht uit het papier zou willen steken. In het naschrift van zoveel jaren later is er wat dat betreft niets veranderd. En het kan ook niet anders dan dat het niet anders kan.

En toch. Leo Vroman heeft een mooie nuance bedacht. Lees dit gedicht als een soort van envelop, zegt hij, zoals die bij ieder van ons wel eens in de bus vallen. Daar staat dan leugenachtig buitenop gedrukt: 'Dit is Alleen voor U'. Reclamedrukwerk. Zo'n stuk drukwerk is ook het vervolggedicht met de titel 'Voor wie dit kent'. De dichter komt er niet uit tevoorschijn om contact te leggen. Maar wie de envelop opent en naar binnen gaat, de intimiteit zelf zoekt, wordt daarmee vanzelf een intimus die 'jij' heet. Het probleem van de niet-specifiek geadresseerde flessenpost blijft hetzelfde. Maar in plaats van larmoyant uit zijn gedicht te willen treden en de lezer te omhelzen, wordt de lezer nu verzocht zelf binnen te komen.

Ik heb Leo Vroman meer dan eens zien en horen voorlezen, in levenden lijve, en herinner me dat hij bij dit soort gelegenheden, waarbij er vanuit de zaal soms druk gefotografeerd wordt, ook zelf wel eens een foto maakt van zijn publiek. Die wederzijdsheid van het contact tekent de man die schreef dat hij zijn hand uit het papier zou willen steken en 'door de letters heen' van zijn gedicht, zou willen kijken in 'Uw lezende gezicht'.

U weet misschien dat Leo Vroman behalve dichter ook biochemicus is en een gerenommeerd onderzoeker op het terrein van de bloedstolling. Hij heeft wel eens gezegd, dat er voor zijn zeer gespecialiseerde wetenschappelijke publicaties over de hele wereld, als het erop aan komt, ten hoogste tien lezers zijn, die op het zelfde deelterrein werkzaam zijn. Voor wie hij in feite schrijft. En die hij ook allemaal persoonlijk kent, van congressen en symposia. Een lezerspubliek met een zo duidelijk en persoonlijk gezicht, kent de dichter niet. Hij schrijft per definitie voor een algemeenheid. Ik heb wel eens gedacht, dat Vromans, Leo's, expliciete gemaakte hang naar intimiteit met de lezer daar iets mee te maken moet hebben.

Gedichten, zoals we ze meestal tegenkomen, als woorden op papier, zijn er om gezien, in stilzwijgen gelezen, en eventueel ook hardop gelezen en gehoord te worden. Zo zijn we het gewend. Maar soms herinneren dichters ons eraan, dat gedichten iets veel nabijers willen zijn. Dat ze ons willen aanraken, raken. En als we ze voorlezen komen ze met hun stem heel dicht bij u in de buurt, al wordt het ideaal van aanraking alleen maar in een metafoor gerealiseerd: in het beeld van de hand die reikt naar een andere hand. Keats, Vroman: het zijn maar twee voorbeelden.

En om meteen ook maar misverstanden te voorkomen: niet alle dichters zullen het zo zien. Hoe aardser en intiemer hun poëzie-opvatting, hoe explicieter het verlangen naar aanraking over en weer. Hoe metafysischer, hoe vreemder, en kouder en ijler, afstandelijker, de verhouding tot hun lezer. Daar zijn grote dichters bij. Ik denk aan Paul van Ostaijen en zijn ademloze regels:

Twee handen in het lege

en verre vingers tien

(uit een gedicht dat ironischerwijze 'Polonaise' heet). Of, ander citaat van Van Ostaijen, uit het gedicht 'Jong landschap':

Over de randen van mijn handen

tasten mijn handen

naar mijn andere handen

onophoudelik

Een gedicht dat in zichzelf besloten wil zijn.

Daarover misschien bij een andere gelegenheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden