theater

Tournee tot 1 mrt. 24 en 25/2 Groningen, 5-7/2 Amsterdam, 14 en 15/2 Utrecht en 21 en 22/2 Rotterdam.

De 'Trojaanse vrouwen' van de Griekse tragediedichter Euripides is de slotakte van een oorlog: de vrouwen worden als slavinnen naar de gereedliggende schepen gedreven, de laatste huizen worden in brand gestoken, en de laatstlevende kleinzoon van de koning, het jongetje Astyanax wordt van de transen van de burcht te pletter gegooid om te voorkomen dat ooit een wreker van de verwoeste stad zal opstaan.

Het Zuidelijk Toneel bracht zaterdagavond in de Eindhovense Stadsschouwburg die tragedie in première, in een gastregie van Johan Simons, artistiek leider van Toneelgroep Hollandia. De samenwerking tussen deze twee groepen heeft tot een voorstelling geleid die aanzienlijk afwijkt van de Griekse tragedies die Simons de afgelopen jaren samen met componist Paul Koek bij Hollandia tot stand bracht ('Prometheus', 'Perzen' en 'Fenicische vrouwen').

Het verhalende, soms bijna anecdotisch wordende regisseren van Simons stond daar in dienst van de muzikale aspecten die door Koek werden ingebracht. In 'Trojaanse vrouwen' geeft hij het begrip 'muziektheater' een andere, en ik denk veel meer bij hem passende lading.

Het koor in deze tragedie wordt namelijk vertolkt door één personage. Het is de zangeres Astrid Seriese die deze zware rol (het stuk heeft zeer veel gezongen passages) vervult op een manier die regelmatig nagels langs de ruggenwervels trekt. En zij zingt haar partij niet alleen (en soms ook de gezongen partij van de hoofdpersoon Hekabe, de koningin-moeder), maar zij heeft de partij gecomponeerd, samen met slagwerker en marimba-speler Peter Meuris.

Zij op het toneel, en hij met zijn instrumenten er vóór, geven aan deze voorstelling met hun lyrische frasen en schrijnende dissonanten een sensatie van échte authenticiteit die mij zò heftig, nog nooit bij een tragedie-opvoering is overkomen. Het kan dus tóch, denk je met tranen in de ogen, terwijl Meuris met zacht geroffel de scène begeleidt waarin we weten dat Astyanax, buiten beeld, van de muren wordt geworpen.

Als de muzikale component van de voorstelling de enige was om te vermelden, was ik al diep tevreden naar huis gegaan. Maar tegenover het koor staat Hekabe in de persoon van Frieda Pittoors. Zij draagt het stuk, liggend op de grond, staande in de immense ruimte van het lege toneelhuis, verloren, de schouders naar beneden. Zij raakt aan het verdriet voorbij, haar prachtige stem, die altijd een klank van licht metaal heeft, snijdt de smart aan repen.

In de mythe, en ook in het naar haar genoemde stuk 'Hekabe', veranderen de goden haar in een hond, en zorgen er zo voor dat zij niet als de slavin van de gehate Odysseus naar Griekenland moet. Pittoors refereert aan dat gegeven in het slot, als zij op handen en voeten rond de dode Astyanax sluipt, snuffelt, huilt. Er gaat zo'n huiveringwekkende kracht van haar uit, dat alle cliché's over de 'Trojaanse vrouwen' als anti-oorlogsstuk, hoe terecht ook, verbleken. Euripides brengt haar naar een veel diepere diepte, en Pittoors laat dat zien in een taal van lijf en stem die in geen eeuw meer te zien zal zijn.

Maar ook nu is de lof van de voorstelling nog niet tot zijn eind gezongen. Elsie de Brauw is Cassandra, de waanzinnige, de door de Grieken verkrachte priesteres van Apollo. Met huwelijksfakkels bezingt zij haar toewijzing aan Agamemnon, de opperbevelhebber, en de bijl die haar straks, samen met hem, zal klieven als zij met hem in zijn paleis zal arriveren. De scène tintelt van kou. En daarna Chris Nietvelt als Andromache, moeder van Astyanax. Nietvelt beweent haar lot met rituele slagen op borst en rug, schreeuwt het uit; dan hoort zij dat haar zoontje niet met haar mee in slavernij zal gaan, maar wordt vermoord. Zoals Hekabe over de rand van het verdriet een hond zal worden, wordt zij een spotvogel, iets aan mensen voorbij, iets waar geen woorden meer voor zijn. Zeg, ik wil hier niet een beetje gaan zitten janken tussen al die kuchende Eindhovenaren, zijn jullie nu helemaal belazerd?

Camilla Siegertsz is Helena, om wie de oorlog was begonnen. Als Menelaos, haar Griekse echtgenoot, haar komt halen, is er het debat tussen Helena en Hekabe, een oer-Griekse scène die met zijn banaliteit de moderne toeschouwer even weer op de vloer zet. Het debat hoort in het stuk, en is afgrijselijk.

De idiote opmerking van dramaturg Tom Blokdijk: 'Haar pleidooi voor de prioriteit van de passie maakt indruk, de tegenargumenten van Hekabe zijn daarmee vergeleken toch maar behoudzuchtig en burgerlijk', blijft gelukkig domme letters op papier. Pieter Paul Muller speelt als enige man de god Poseidon, de heraut Talthybios en Menelaos. Door al die rollen in één acteur te verenigen, rijgt Simons even venijnig als vertederend het mannelijk onvermogen door dit vrouwenstuk heen. En Muller speelt die rollen ook venijnig vertederend.

De grote kracht achter deze overweldigende voorstelling is natuurlijk de vertaler, Herman Altena. Als een recalcitrant jongetje tussen de vertalersbazen van dit moment, die Griekse tragedies gewiekst omzetten in hedendaags proza, ritmisch proza, klinkt-het-niet-lekker?-proza, vertáált hij, bakent hij het vreemde van het oud-Grieks gewetensvol af van onze eigen taalbeleving, zoekt hij structuren om dat oude Grieks even vreemd als vertrouwd te laten klinken.

Hij deinst niet terug voor het eh eh!, het ototototoi en io io! van de tragedie. Zelfs het peeu, peeu!, het gekrijs van meeuwen in een grijze winterlucht, laat hij klinken in deze tragedie, die zo vol diermetaforen is. En in Simons heeft hij een regisseur gevonden die dat respecteert. En in Frieda Pittoors en anderen heeft hij acteurs gevonden die dat scherp, kaal en precies weten te hanteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden