theater

ROTTERDAM - De Hindenburg was de grootste zeppelin die Duitsland in de jaren dertig fabriceerde. Gevuld met watergas omdat Amerika om militaire redenen niet het onbrandbare helium wilde leveren aan het nazi-regime, koerste deze gigantische vliegende bom een aantal malen over de Atlantische Oceaan heen en weer. Op 6 mei 1937 kwam nog vrij onverwacht het einde: boven zijn landingsplaats bij New York vatte het luchtschip vlam en stortte ontploffend neer.

De ondergang van de Titanic en die van de Hindenburg zijn spectaculaire verkeersrampen van de twintigste eeuw, hoewel bij de laatste minder mensen omkwamen dan bij een gemiddeld modern vliegtuigongeluk. In film en theater zijn ze geliefd dramatisch materiaal. Koos Terpstra, tot dit seizoen samen met Peter de Baan artistiek leider van het RO Theater en in april van dit jaar samen met hem pardoes op straat gezet, schreef in de maanden die volgden op zijn ontslag 'Het neerstorten van de Hindenburg en wat daarna gebeurde'. Laten we deze langademige titel even goed op ons inwerken: we hebben dat straks nodig bij het begrijpen van de voorstelling.

Immers, aanvankelijk begrijpt de toeschouwer niet waar Terpstra naar toe wil met zijn 'Hindenburg'. Voor veel toeschouwers zal dat zo blijven tot en met het applaus twee uur later. We zien inderdaad het neerstorten van de Hindenburg (destijds uitvoerig gefilmd en gefotografeerd door de duizenden toeschouwers van het drama), en wel op een iets rondlopend doek dat de hele toneelopening vult. Voor de spelers blijft een smalle speelstrook over, waarop ze opkomen en afgaan, vaak met een metalen zitmeubel - design jaren dertig - in hun handen (ontwerp Erik Kouwenhoven), en gekleed in superbrede krijtpakken (de mafia), stola's en doorzichtige zuurtjeskleurige japonnen (de hoeren) en ongetailleerde klepbroeken (de agenten en matrozen).

Al dit moois ontwierp Maya Schröder, maar wat de liefdesgeschiedenissen tussen hoeren en matrozen en de strijd tussen agenten en mafiosi met de Hindenburg te maken hebben, dat blijft duister. Ook het bezoek van God op aarde (Tom Jansen: hij wil liever geen 'God' genoemd worden, maar 'Jansen') is niet speciaal met de verongelukte zeppelin verbonden, evenmin als de bespiegelingen over de eeuwigheid en andere belangrijke zaken, uitgesproken door Joost Prinsen.

Nee, het stuk gaat helemaal niet over de Hindenburg, en ook ik had me zand in de ogen laten strooien door de paginalange uitweidingen in de RO-krant over de Duitse zeppelinbouw in de jaren dertig door dramaturg Inés Sauer. Het stuk is een parabel of zelfs een sleuteldrama over Terpstra's ondergang bij het RO. De goede agent (Geert Lageveen) - lees: Koos Terpstra - heeft het materiaal in handen om de New-Yorkse mafia definitief aan te pakken. Lees voor dit laatste de zin uit Koos' curriculum vitae: “Dit artistieke leiderschap was voor Terpstra een optimale doorstart van een onderzoek, nu in vaste samenwerking met een groep acteurs, naar een eigen vorm van theater dat hij wilde maken in de grote zaal.” De slechte agent (Leopold Witte) - lees: Peter de Baan - wijst de plannen van zijn collega als onzinnig van de hand. 'Maar we zijn toch vrienden?' stamelt Lageveen, en Witte wijst hem er fijntjes op dat je collegialiteit niet moet verwarren met vriendschap. 'Je bent een verrader!' snikt Lageveen, en jawel hoor, de volgende scène blijkt hij door de mafia (het RO-bestuur) in samenwerking met de slechte agent te zijn afgeschoten.

Ook God, die een stoethaspel blijkt en de meer naïeve kanten van Peter de Baan met zich meedraagt, moet er aan geloven ('M'n eigen mensen begrijp ik niet', zegt hij nog.) Hij krijgt samen met Lis (Lynda van Dyck, iets tussen een hoerenmadam en Liz Taylor in) een sloop over z'n kop en een nekschot van de hoer Vincent (Veerle van Overloop), die net daarvoor een nieuwe kapitein heeft omhelsd in de persoon van de heer J.P. van Ruitenbeek van de technische staf van het RO. De zoon van agent Lageveen, Rogier in 't Hout, in wie we wellicht de nieuwe artistiek leider van het RO moeten zien, Guy Cassiers, riep toen zijn vader nog leefde: 'Ik ben op zoek naar mijn eer'. Aan het eind zegt hij: “Op zoek naar eer? Zulke jongens moet je wantrouwen.”

Ja, de zeeën gaan bij Terpstra hoog. Zijn theatrale tegenhanger van W.F. Hermans' 'Onder professoren' klinkt niet alleen boos en bitter, maar ook rancuneus. Dat komt omdat hij noch De Baan noch het bestuur van het RO ooit volledige opening van zaken heeft gegeven over de gang van zaken. Nu komt het als mosterd na de maaltijd, al ben ik gek op mosterd. Maar het grootste bezwaar tegen deze 'Hindenburg' is natuurlijk dat het stuk als stuk, zonder de kunst-politieke achtergronden, een hand vol los zand is, een verzameling onsamenhangende (soms wel grappige) scènes en uitspraken. De toeschouwer, die de misère rond het RO al lang vergeten is of in ieder geval niet het wie, wat en waarom paraat heeft, zal niet weten, denk ik, wat hij met deze voorstelling aan moet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden