Opinie

Theater

AMSTERDAM - Als de 'Oom Wanja' door Toneelgroep Amsterdam begint, schuift de schrotenachterwand langzaam naar voren tot een vrij ondiep voortoneel resteert. Een geschraagde zijwand rechts vernauwt het toneel nog meer. Pas bij het vierde bedrijf, wanneer de beroering veroorzakende bezoekers het landgoed verlaten en de gezapige rust er kan weerkeren, schuift de wand weer ver naar achteren.

Het lijkt de omgekeerde wereld. Alsof men zich ten leste toch nog heeft kunnen ontworstelen aan de bekrompenheid, aan de provinciaalse leefwijze, die zo typerend is voor de stukken en personages van Anton Tsjechov (1860-1904). Maar de schroten duiden niet op burgerlijkheid. Ze zijn samengevoegd tot torenhoge panelen, die zichtbaar een toneelruimte, een toneelspeelruimte afbakenen. In deze 'Oom Wanja' is het de plek waar de gemoedsrust door een invloed van buitenaf wordt verstoord en de personages genadeloos worden geconfronteerd met hun binnenwereld, hun altijd onderdrukte gevoelens en emoties, hét terrein van acteurs.

Geen ingeleefd spel hier, derhalve. De acteurs tonen de personages. De introductie, de eerste opkomsten zijn geaccentueerd. De dokter Astrov van Hans Kesting wendt zich met “Het leven is saai, stom én schraal” rechtstreeks tot het publiek. Pierre Bokma's Oom Wanja blijft een stap voor de coulisse even staan tot hij is opgemerkt en gaat dan pas zitten om de vraag of hij uitgeslapen is - “Ja. Hélemaal.” - te beantwoorden. Dat werkt komisch, terwijl de personages diep ongelukkig zijn. Dat contrast maakt je als toeschouwer ontvankelijk voor de verwarring waaraan zij ten prooi zijn. Ik geloof dat ik nog nooit eerder zo'n lucide en gevoelig gespeelde 'Oom Wanja' gezien heb.

De buitenwereld is buitengesloten. Alleen aan het begin verwijzen de verlichte kieren tussen de panelen naar de komst van de 'indringers': de professor (weduwnaar van Wanja's overleden zuster) en diens tweede, jonge vrouw Jelena. “O, wat is ze mooi!” zegt Wanja glurend door een kier, terwijl zijn stem bij 'mooi' een langgerekte halve octaaf de hoogte inschiet, om prompt daarop een geërgerde moppertirade te houden over die droogpruim van een professor die zijn hele leven lezingen over kunst heeft gegeven zonder er een jota van te snappen. Bokma's Wanja is een kunstenaar, sensibel en gepassioneerd. Het enige kunstwerk echter dat hij produceert is het boeket rozen dat hij, als het te laat is, in een vaas schikt. Verder doet hij er niets mee. Astrov plant tenminste nieuwe bomen. Daarom zal Jelena niet door zijn adoratie worden aangetrokken, maar door de minder fijnbesnaarde Astrov. Lineke Rijxman laat zien hoe zij langzaam in de ban raakt van diens bevlogen idealisme, dat hem werkelijk anders maakt dan de andere mannen in haar omgeving, versterkt door de loftuitingen van haar echt verliefde stiefdochter Sonja. Het opkomende schuldgevoel, dat ze van kersverse vriendin in rivale verandert, verbergt ze letterlijk door zich even voor Sonja achter de zijcoulisse te verschuilen.

Het verschil in mannelijkheid tussen Wanja en Astrov, dat hem nog aantrekkelijker maakt voor Jelena, geeft Kesting geestig aan met een met zeer lage bas ingezet 'Ave Maria'. Onverwacht opwindend klinkt uit diezelfde mond later: “Lief klein roofdier.” En niet 'roofdiertje', zoals in de vertaling van Timmers. Deze Astrov praat niet in verkleinwoordjes, maakt Marianne Fennema duidelijk, die de vertalingen van Van Houweninge en Lutz een opvallend fris klinkende opknapbeurt gaf. Alles in deze prachtvoorstelling is helder en direct. De simpelheid van de vormgeving van Jan Joris Lamers is weldadig. De enscenering van regisseur Titus Muizelaar heeft een grote zeggingskracht. Steeds zijn er scherpe lijnen getrokken tussen gevoel en bedoeling. Als Wanja de onwillige Jelena het hof maakt, zit zij met de rug naar hem toe aan de andere kant van het podium, tot hij haar in een wilde omhelzing wil dwingen. Als de professor (een ongenadig hard acterende Hugo Koolschijn) het voorstel doet het landgoed te verkopen, zitten de anderen als een bedrukt schoolklasje naast elkaar te luisteren, tot Wanja er woest uitspringt. De mooiste scène is die waarin Wanja met een bos rozen Astrov en Jelena in een giebelig vrijerijtje betrapt. Met een geamuseerde verbazing blijft hij kijken. Het is Astrov die zich opgelaten voelt en zijn spullen bij elkaar pakt: de ongetwijfeld door Lamers bedachte, aan elkaar geplakte kleurvlakken waarmee hij de vernietiging van het natuurlandschap heeft geïllustreerd.

Met dat soort details komt een wonderlijk eigentijdse melancholie de voorstelling ingeslopen, een weemoed Tsjechov waardig. Als tenslotte de achterwand terugschuift voel je als het ware hoe de buitenlucht weer naar binnen kan dringen, alle op elkaar gekletste emoties laat wegdwarrelen en plaats maakt voor de oude vredigheid. Voor het eerst geloof ik Sonja (een mooi spontane Janni Goslinga) als zij, na een blik op de achter Astrov gesloten deur (de enige deur en de enige keer dat ie gebruikt werd), in het droevige leven zonder liefde berust door haar geloof in een gelukkiger hiernamaals. Het is een troost. Maar hoe vreselijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden