theater

ROTTERDAM - Een jukebox, een doorgezeten bankstel, twee stoelen en een afgetrapte koelkast. Meer hebben vormgever Elly op 't Landt en regisseur Koos Terpstra niet nodig om het verweesde bestaan van vijf Engelse jongensklieren te duiden. De locatie is de verlopen dansclub Ezra's Atlantic, die gaandeweg tot bunker of martelkelder verwordt.

Van dansen of anderszins feestvieren komt het hoegenaamd niet meer. De vijf stuurloze ettertjes of maffiosi-in-zelfhulp-opleiding hebben het te druk met elkaar afzeiken, ophitsen en desalniettemin tot 'relaxed' gedrag commanderen, kleuterzuurstok kauwen, 'alcoholische verontschuldigingen' drinken en geestverrijkende dan wel geestverlammende pillen slikken. Er is een moord gepleegd, maar door het aandoenlijke gezeul met twee vuilcontainers waarin het door midden gezaagde slachtoffer zich bevindt en door de toon waarop over het lijk gepraat wordt, neemt potsierlijkheid al gauw de plaats van huiveringwekkendheid aangaande de moord in.

Onder Terpstra's regie spelen vijf RO-acteurs 'Mojo' van de jonge en vroegbejubelde Brit Jez Butterworth (1969). 'Mojo' moet slang zijn voor 'magische kracht' of 'verdovend middel', in bluessongs gebruikt voor 'motor-car' met harde seksuele connotatie. 'Dit is Beckett in versnelling', juichte The Observer bij de Londense première in 1995, 'woest-geestig in fast forward zonder tijd op Godot te wachten'.

Vaart

De vergelijking met Beckett klinkt wel erg ronkend, maar je zult moeten toegeven dat er vaart in het stuk zit, ook al gebeurt er hoegenaamd niks en zie je 'slechts' aperte en alles lamleggende verveling.

Tussen het aanhoudend gekissebis en overactief geleuter valt een heuse jongensmachtsstrijd te ontwaren die je van hedendaagse Amerikaanse presidenten, binnenlandse procureur-generaals of olympische bestuursleden herkent. Maar het zijn niet de snelheid van taal, grofheid van toonzetting of diepgang van die machtsdorst, soms zowaar filosofisch onderstut, die je naar adem doen snakken. Daar zorgt het hoge gehalte kleurloos-bellenblazen voor, van hedendaagse jonkies die deel van de lost generation heten uit te maken. “Het enige wat we weten is 'Fish are jumping and the cotton is high'. (-) Ga 't dak op en kijk of er een engel in de schoorsteen zit te zeiken. / Mijn hele godvergeten kutleven heeft zin. Ho. Ho. Er is ons niets verteld. / Maakt niet uit.”

Cees Geel, Rogier in 't Hout, Geert Lageveen, Frank Lammers en Leopold Witte (hoe nutteloos, die nieuwigheid om de spelersnamen willekeurig achter elkaar op het programma te zetten in plaats van achter het personage dat ze spelen!) doen wat ze kunnen maar zijn op een of andere manier niet ruw genoeg voor de tekstuele rauwheid. Ondanks hun grofgebektheid blijven het toch eerder kibbelende schapenkoppen, al springen de pillenman Sweets en het oerploertje Silver Johnny in hun overopgefoktheid boven de troupe uit - die kun je ook in de Rotterdamse metro of Arnhemse trolleybus even onberekenbaar als vervaarlijk zien zitten broeien.

Aangenaam

Als het Engelse succes van 'Mojo' (bij het RO-theater in de bits-rappende vertaling van Oscar van Woensel) op leegte, zinloosheid en grootse kleinspraak is gestoeld, begrijp je Jez Butterworths triomftocht misschien iets beter. Toch klonken de slotzinnen van 'Mojo' me bijzonder aangenaam en trefzeker getimed in de oren: “Ik heb de ramen open gedaan. / Ik ruik de ochtenddauw. Mooi. Is de zon op? / 't Wordt warm. Buiten op straat. D'r zijn mensen. / Mooi. Mooi. (Stilte) Dat is mooi. Wil je er heen?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden