THE KIOSK

ZEVEN BOJAREN MACHTIGER DAN TSAAR BORIS JELTSIN

'De zeven bojaren' heten ze, onder verwijzing naar adellijke grootgrondbezitters uit vroeger eeuwen. Elk van hen beschikt over een politieke beschermheer en een eigen politiemacht en inlichtingendienst. Vladimir Goesinski bijvoorbeeld, heerser over een imperium van kranten, omroepen, banken en onroerend goed, houdt er een privé-leger van meer dan tienduizend man op na.

Tien jaar geleden, toen het Sovjet-systeem instortte en er commercieel gebankierd mocht worden, begon de opkomst van de zeven graaiers. Met speculaties op de internationale valutamarkten verwierven ze kapitalen. Jeltsin gaf hun de kans, zich meester te maken van Ruslands bodemschatten, schrijft Remnick in The New York Review of Books. De staat kon leningen die de zeven hadden verstrekt, niet terugbetalen. Daarom mochten ze voor een prikje staatseigendommen opkopen, die Jeltsin zogenaamd onpartijdig liet veilen.

Zo werd Boris Berezovski voor 100 miljoen dollar eigenaar van het olieconcern Sibneft. Later zou hem voor deze Siberische gigant het tienvoudige zijn geboden. Een andere bojaar, Michail Chodorkovski, ging voor 168 miljoen dollar aan de haal met driekwart van Joekos Olie, dat nu jaarlijks zo'n 3 miljard dollar opstrijkt. De rijkste en machtigste van het stel moet de 36-jarige Vladimir Potanin zijn, een voormalig opperhoofd van de Jonge Communisten. Deze ex-kameraad zou voor 32 miljard dollar aan industriële ondernemingen en banken bezitten.

Ruslands economische basis wordt van de conglomeraten van de zeven niet veel beter, meent Remnick. Ze verkopen bodemschatten en doen het goed op de aandelenmarkt, maar maken eigenlijk niets en hun bijdrage aan de technologische innovatie is minimaal. Tegelijkertijd zitten tienduizenden middelgrote bedrijven, die de ruggegraat van de economie zouden moeten vormen, in de penarie. Zij staan niét in de gunst bij politici en investeerders en zuchten onder draconische belastingregels en georganiseerde misdaad.

Amusant is het artikel van Remnick alleen voor Benny-Hill-fans. Aan de memoires van een ex-lijfwacht ontleent hij details over Jeltsins niet-politieke vaardigheden. Zo schept de president er genoegen in, met twee lepels op andermans hoofd te roffelen - een enkele keer zelfs op een staatshoofd.

De gedachte dat Jeltsin zélf getikt is, moet wel eens zijn opgekomen bij zijn perssecretaris Kostikov. Die werd tijdens een boottochtje op last van zijn dronken chef in een ijskoude rivier gekieperd. Eenmaal aldus gedoopt, schrijft Remnick, werd Kostikov bevorderd tot ambassadeur bij het Vaticaan.

FILOSOFEN VERDEDIGD TEGEN 'NITWIT' MAARTEN 'T HART

Onschuldiger vermaak van een iets hoger niveau levert een polemiek over de waarde van filosofie, gevoerd in twee Nederlandse tijdschriften. De openingszetten werden gedaan door Hans Ree en Maarten 't Hart. Beiden bleken niet onder de indruk van wat filosofen de mensheid te bieden hebben. In het Hollands Maandblad (HM) nam hoogleraar Maarten Doorman het voor de filosofen op, niet door uit te leggen waarom ze zo belangrijk zijn maar door Ree en 't Hart af te kammen. 't Hart krijgt er ook van langs in het maartnummer van Filosofie Magazine (FM), waarin René Gude zich opwindt over 'de agressieve domheid' van deze 'totale nitwit'.

Een hoofdbezwaar van de twee anti-filosofen is dat wijsgeren over het algemeen niet grondig thuis zijn in enige vakwetenschap, hetgeen hun vermogen om iets steekhoudends over de wereld te zeggen aanzienlijk zou beperken. Ree signa-leert, in het jongste nummer van het HM, deze tekortkoming ook bij Doorman, die deed alsof het concrete menselijk denken verloopt volgens de wetten van de logica. Deze verwarring van feitelijke denkprocessen en logica staat al sinds Gottlob Frege (-1925) bekend als psychologisme, schrijft Ree. “Een eeuw van logisch onderzoek is spoorloos aan [Doorman] voorbijgegaan.”

René Gude bestrijdt in FM Maarten 't Hart met verwijzingen naar filosofen, uit vroeger eeuwen, die wel degelijk verstand hadden van natuurwetenschap. Descartes bijvoorbeeld. 'Die vond de analytische meetkunde uit', gaf les in wiskunde en was in zijn Amsterdamse tijd geregeld bij een slager in de Kalverstraat doende, sectie te verrichten op pas geslachte kalveren.

Het toppunt van demagogie vindt Gude 't Harts bewering dat Kant, evenals de meeste grote Duitse denkers, een antisemiet was en zo bijdroeg tot een klimaat dat Auschwitz mogelijk maakte. Niet alleen onbewijsbaar maar pervers noemt Gude het, Kant van racisme te betichten. Op zijn beurt suggereert hij dat biologen in dit opzicht meer op hun kerfstok hebben dan wijsgeren. Dat had ook 't Hart kunnen weten, als hij niet zo vaak vaak “met beslagen brillenglazen boven een bak guppies [was] blijven hangen”.

Ook journalisten en andere 'mediafiguren' lopen averij op. In het HM vraagt de econoom Pen zich af, mede op grond van persoonlijke ervaringen, of vriendschap met journalisten heilzaam is voor iemands welbevinden. Het antwoord komt erop neer dat het altijd oppassen is: een vriend kan opeens verkeren in een journalist.

Bij voorbaat verloren is wie in handen valt van werkers in de showbusiness, Paul de Leeuw met zijn 'onfrisse mentaliteit' voorop. Dat is ook de indruk van André Klukhuhn. Hij herdenkt in FM zijn vriend Piet Vroon. In de laatste periode van zijn leven verkeerde die 'om allerlei persoonlijke redenen in een chaotische psychische toestand' en was hij niet meer bij machte, “zich zijn vele tegenstanders met zijn natuurlijke brille van het lijf te houden. Sommige minder begaafde mediafiguren zagen daardoor hun kans schoon hem te degraderen tot mikpunt van hun volksvermaak.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden