The Idea of Order at Key West

She sang beyond the genius of the sea. The water never formed to mind or voice, Like a body wholly body, fluttering Its empty sleeves; and yet its mimic motion Made constant cry, caused constantly a cry, That was not ours although we understood, Inhuman, of the veritable ocean.

WALLACE STEVENS

The sea was not a mask. No more was she. The song and water were not medleyed sound Even if what she sang was what she heard, Since what she sang was uttered word by word. It may be that in all her phrases stirred The grinding water and the gasping wind; But it was she and not the sea we heard.

For she was the maker of the song she sang. The ever-hooded, tragic-gestured sea Was merely a place by which she walked to sing. Whose spirit is this? we said, because we knew It was the spirit that we sought and knew That we should ask this often as she sang.

If it was only the dark voice of the sea That rose, or even colored by many waves; If it was only the outer voice of sky And cloud, of the sunken coral water-walled, However clear, it would have been deep air, The heaving speech of air, a summer sound Repeated in a summer without end And sound alone. But it was more than that, More even than her voice, and ours, among The meaningless plungings of water and the wind, Theatrical distances, bronze shadows heaped On high horizons, mountainous atmospheres Of sky and sea.

It was her voice that made The sky acutest at its vanishing. She measured to the hour its solitude. She was the single artificer of the world In which she sang. And when she sang, the sea, Whatever self it had, became the self That was her song, for she was the maker. Then we, As we beheld her striding there alone, Knew that there never was a world for her Except the one she sang and, singing, made.

Ramon Fernandez, tell me, if you know, Why, when the singing ended and we turned Toward the town, tell why the glassy lights, The lights in the fishing boats at anchor there, As the night descended, tilting in the air, Mastered the night and portioned out the sea, Fixing emplazoned zones and fiery poles, Arranging, deepening, enchanting night.

Oh! Blessed rage for order, pale Ramon, The maker's rage to order words of the sea, Words of the fragrant portals, dimly-starred, And of ourselves and of our origins, In ghostlier demarcations, keener sounds.

Wallace Stevens

De ideale orde op Key West

Het ging de zee te hoog zoals ze zong. Nooit vormde het water zich tot geest of stem, Als een lichaam volstrekt lichaam, wapperend Met lege mouwen; toch, dat bootsend slaan Was steeds een kreet, ontlokte steeds een kreet Die ons wel vreemd, doch te begrijpen was, Aan mensen vreemd, wezenlijk oceaan.

Het water was geen masker. Zij al evenmin. Er klonk geen potpourri van lied en zee, Al was hetgeen ze hoorde wat ze zong, Want wat ze zong weerklonk daar woord voor woord. In al haar frasen roerde zich wellicht Schuren van water en hijgen van wind; Maar niet de zee, zij werd door ons gehoord.

Want zij was de schepper van het lied dat ze zong. De steeds gehuifde tragediennezee Was slechts een plek waar ze te zingen liep. We zeiden: Van wie is die geest?; we wisten Dat het de geest was die we zochten, dat We dit vaak moesten vragen als ze zong.

Had alleen de donkere stem van de zee Weerklonken, desnoods door veel golven gekleurd; Of slechts de buitenstem van hemel, wolken, Waterommuurd verzonken koraal, hoe helder ook, Dan was het diepe lucht geweest, Deinende luchtspraak, een zomergeluid In een zomer zonder eind herhaald, Geluid, meer niet. Maar het was meer, en meer Zelfs dan haar stem, en die van ons, omringd Door plonzen zonder zin van water en de wind, Toneelverschieten, bronzen schimmen op Hoge einders opgetast, berghoge sferen van Hemel en zee.

Het was haar stem waardoor De lucht op zijn verdwijnpunt vlijmde. Ze mat zijn eenzaamheid tot op het uur. Zij alleen vervaardigde de wereld Waarin ze zong. De zee die, wie weet, al Een wezen had werd tijdens haar gezang Het wezen van haar lied, want zij was demiurg. Ze schreed daar voort, alleen; en wij, we wisten Dat ze geen andere wereld kende dan De wereld van haar lied, die ze al zingend schiep.

Ramón Fernandez, zeg eens of je weet Waarom, toen het zingen uit was en wij stad- Waarts keerden, de fletse lichtjes van De vissersvloot die daar voor anker lag, Bij het vallen van de avond, hellend in de lucht, Die avond naastten, met vurige palen De zee afperkten tot blazoen, de nacht Stramien, en diepte, tover gaven.

Zalig de drift om wijs en rijm te scheppen, Bleke Ramón, in woorden van de zee, Woorden der geurige poorten, flauwbesterd, En van onszelf en onze oorsprongen, Tot schimmiger bakenlijnen, scherper klank.

(vertaling Frans Kellendonk)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden