THE GLORY OF GOD IS INTELLIGENCE

“De beschrijving die Hermans geeft van het leven in Utah en vooral zijn weergave van de dogmatiek en de religieuze praktijken van de mormonen is voor zover ik kan beoordelen helemaal juist. Het enige dat niet klopt in zijn beschrijvingen is de toon. Of misschien klopt die wel, maar dan niet omdat hij past op Hermans schrijft, maar op Hermans zelf, de persoon die het schrijft. Het is een toon van minachting en haat.” Vijfentwintig jaar geleden bezocht W. F. Hermans Salt Lake City. De stad van de mormonen. Na de dood van de schrijver herlas Paul van Tongeren, tijdelijk wonend in Utah, Hermans opstel 'Twee families Smith'. Portret van de mormonen, de heiligen der laatste dagen. Paul van Tongeren is hoogleraar filosofie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.

Hermans beschrijft hoe hij op een tocht door de Verenigde Staten, komende uit de staat Nevada, naar de oostelijk daarvan gelegen staat Utah doorreist en daar Salt Lake City bezoekt. Ik las het vlak voor ik zelf voor een paar maanden naar Utah vertrok en herlas het - in Utah - naar aanleiding van de dood van de schrijver.

Nevada bestaat bijna geheel uit woestijn, met slechts een paar steden, waarvan Reno en Las Vegas de belangrijkste zijn; steden waar de verlatenheid van de woestijn als in een lachspiegel wordt weerkaatst in de holle en lege schittering van nachtclubs, casino's en speellokalen. Vanuit dit 'zondige' Nevada, waar Hermans zich vermaakt in de club van ene Harold Smith, en waar hij zich 'vredig en gelukkig' voelt, vliegt hij naar Salt Lake City, hoofdstad van Utah, de staat waar ongeveer alles verwijst naar de mormonen die zich hier vestigden in 1847, nadat hun stichter, Joseph Smith jr., was vermoord in Carthage (Illinois) en zijn volgelingen daar waren verdreven, zoals ze eerder al uit nog oostelijker delen van Amerika waren weggejaagd. Van de speeltafels van Harold Smith, de man van het wereldse vermaak, naar de volgelingen van Joseph Smith de godsdienststichter: een wereld van verschil - maar beide zeer Amerikaans.

Circa vijftig procent van de inwoners van de staat Utah is lid van de LDS-church, zoals de mormonen zichzelf het liefst aanduiden; op alle kerkgebouwen (voor gewone zondagse diensten en zondagsschool) en tempels (voor dopen, huwelijken en nog enkele bijzondere rituelen) staat het met grote letters: Church of Jesus Christ of Latter Day Saints: kerk van Jezus Christus van de heiligen der laatste dagen. De leden hebben in de afgelopen honderdvijftig jaar hun gelovige sporen nagelaten in deze staat. Stadjes hebben namen van typisch mormoonse signatuur als Nephi, Manti, en Brigham City. Zowel de naam van een grote bankonderneming als ook van een schitterend nationaal park in Utah verwijzen naar de overtuiging dat hier het nieuwe Zion zou worden verwerkelijkt. En dat dagelijks leven wordt in verregaande mate bepaald door godsdienstige regels.

Want terwijl in Nevada de zonde en het ongezonde zo normaal zijn dat ze bijna de aangename prikkel van het verbodene verliezen, heerst in Utah een religieus gemotiveerd gezondheidsregime. Roken is in Amerika bijna overal reeds weggedrongen in de marge van de samenleving, maar in Utah zijn die marges vrijwel leeg. Wie rookt kan hier bijvoorbeeld nauwelijks een kamer of appartement huren. Restaurants hebben geen rokers-afdeling, hetgeen hier betekent dat het nergens mag. Alcoholische dranken worden in restaurants doorgaans niet geschonken, en wie het zelf wil kopen is aangewezen op sporadische 'State Liquor Stores': moeilijk vindbare winkels, omdat ze als enige in dit van reclame vergeven land zelfs geen naam op de gevel dragen, en bovendien achter een muur verscholen gaan, alsof wie daar parkeert liever ongezien blijft. Maar wie het ervoor over heeft, kan binnen kiezen uit een ruime keur aan Franse, Duitse, Italiaanse en Amerikaanse (Californische, maar ook Utah-!) wijnen, en een vrijwel volledig assortiment aan sterke drank - liefst verkocht in grossiershoeveelheden.

Niet alleen vindt men hier geen pornografie of prostitutie, maar ook de tot de literatuur gerekende romans van Henry Miller bij voorbeeld heb ik nog in geen boekhandel aangetroffen. Wel hebben die - overigens zeer ruim gesorteerde - boekhandels allemaal een grote afdeling met 'religious books', variërend van bijbels (met of zonder de canonieke geschriften der mormonen erin) tot stichtelijke boekjes voor alle leeftijdscategorieën, geslachten, beroepsgroepen, levensfasen en gebeurtenissen afzonderlijk. Behalve alcohol, nicotine en seks buiten het huwelijk, zijn ook koffie en thee verboden voor de mormonen: alles waaraan een mens verslaafd kan raken en wat zijn geest kan bedwelmen, maakt hem minder ontvankelijk voor God en moet dus vermeden worden. Of nauwkeuriger: alles wat ongeveer honderdvijftig jaar geleden als verslavend, verdovend of anderszins gevaarlijk voor de religieuze toewijding werd beschouwd. Want van verslaving aan en verdoving door latere uitvindingen, zoals de televisie of de auto, maakt niemand een punt. Ik was nog geen uur in mijn vrijwel volledig lege appartement of er werd een tv met videorecorder geïnstalleerd, omdat het vanzelf spreekt dat je daar niet buiten kunt. En de cafeïne in Coca Cola is ook acceptabel, hoewel in de automaten op de campus van Brigham Young University - de enige mormoonse universiteit, genaamd naar degene die de gelovigen na de moord op hun stichter naar dit beloofde land in Utah bracht - alleen maar (niet ongezonde) 'light' of (niet zondige) 'cafeïne-vrije' cola is te vinden.

De beschrijving die Hermans geeft van het leven in Utah (bij hem beperkt tot Salt Lake City) en vooral zijn weergave van de dogmatiek en de religieuze praktijken van de mormonen is voor zover ik kan beoordelen helemaal juist. Hij blijkt opmerkelijk goed geïnformeerd - waarschijnlijk reeds sinds het werk aan zijn in 1942 geschreven roman Conserve die onder mormonen speelt. Het enige dat niet klopt in zijn beschrijvingen is de toon. Of misschien klopt die wel, maar dan niet omdat hij past op wat Hermans schrijft, maar op Hermans zelf, de persoon die het schrijft. Het is een toon van minachting en haat. Je hoort die haat zelfs al in de beschrijving van zijn stemming in het verdorven Nevada: hij voelt zich 'vredig en gelukkig' zoals 'altijd als ik mensen op grote schaal dingen zie doen die door andere mensen op grote schaal worden verafschuwd, veroordeeld en gevreesd als de hel.'

Je hoort de schrijver hikkend grinniken, zoals alleen Hermans dat kon. Het is diezelfde haat waarmee hij in zijn opstel een aantal keren de volstrekt misplaatste vergelijking maakt tussen Hitlers nationaal-socialisme en de mormoonse variant van het christendom. Beide zouden een totalitaire wereldbeschouwing verkondigen; beide hebben een relatie met 'geschriften (die) iets met Zion te maken (hebben)'; beide hebben een grote belangstelling voor de voorouders. Religieuze overtuigingen - zeker wanneer die met een voor ons ongekende ijver en naïviteit worden verkondigd - lijken door Hermans minstens zozeer te worden “verafschuwd, veroordeeld en gevreesd als de hel” als de mormonen de door Hermans geprezen genietingen van Las Vegas en Reno veroordelen.

Wat mij opvalt, nu ik voor enige tijd woon en werk tussen de mormonen, is hun grote liberaliteit die ze weten te combineren met een sterke trouw aan hun overtuigingen. Dat lijkt in strijd met het fanatisme dat hun veelal wordt toegeschreven. Inderdaad vormen ze een sterk missionerende kerk (en met succes: de kerk groeit in hoog tempo; momenteel zijn er reeds ruim negen miljoen leden).

Alle jongens moeten (de meisjes mogen) rond hun twintigste twee jaar lang als missionaris ergens ter wereld hun diensten aan de kerk verlenen. Zonder dat ze zelf enige inspraak hebben, worden ze naar alle uithoeken van de wereld gestuurd, of - wat de student die ik sprak en die best wat van de wereld had willen zien, overkwam - moeten ze zendingswerk doen in hun eigen Utah. Na een intensief trainingsprogramma beginnen ze een streng gereguleerd leven, in een kleine mormonen-gemeenschap, van waaruit ze in winkelstraten en woonwijken, op markten en dorpspleinen hun bekeringswerk doen. (Op een universiteit als BYU, waar het grootste deel van de circa tienduizend personeelsleden en ongeveer een derde deel van de ongeveer dertigduizend studenten deze dienst heeft vervuld, geeft dat trouwens een zeer internationale sfeer. Waar je ook vandaan komt, en er komen mensen van overal vandaan hier studeren en doceren, er zijn altijd wel collega's en studenten die jouw taal spreken).

Ik vroeg hen waarom zij, met al hun missioneringsijver dan niet probeerden mij te bekeren. Antwoord: dat is een van de voordelen van dit systeem: je moet dat twee jaar doen, en daarna mag je het aan anderen overlaten. 'Everyone his own business!' Dat klopt: de enkeling die, teruggekomen van zijn missie, zich blijft gedragen als missionaris (pak met stropdas, streng levensritme, bekeringsijver) wordt wat meewarig gadegeslagen.

Alleen op zondag herken je ze plotseling weer allemaal. Door de week dragen studenten (evenals veel docenten) het Amerikaanse uniform: T-shirt, jeans of korte broek, sportschoenen, baseball-cap. 's Zondags hebben de mannen allemaal een wit overhemd aan, dragen ze een stropdas en liefst een colbert; de vrouwen dragen jurken zoals wij ze ons herinneren van 25 jaar geleden. Hoewel dat voor een Nederlander wellicht de associatie met Staphorst kan oproepen, is er een groot verschil: hier zitten ze in hun zwarte pakken ook op luxe motoren of met een beker cola in de hand achter het stuur van een hippe jeep. Anders dan in Staphorst praten ze vrolijk met elkaar en zwaaien ze naar je als je wat verbaasd kijkend passeert.

Het zijn vrolijke optimisten, ook in hun dogmatiek: terwijl de Nederlandse streng-gereformeerden weten dat ze hoe dan ook zondig en in dit tranendal geheel aan Gods genade overgeleverd zijn, zo weten de mormonen dat het leven hier zeer aangenaam kan zijn en dat ze daarna hoe dan ook in de hemel komen; de vraag is slechts in welk van de drie.

De scheiding tussen door de week en zondag betekent overigens niet dat deze heiligen der laatste dagen alleen op zondag christen zijn. Integendeel: zoals gezegd wordt hun hele leven bepaald door hun geloof. Ik noemde al de vele verboden die het dagelijks leven bepalen. Maar als degene bij wie ik te eten ben gevraagd mij ophaalt van m'n appartement, vraagt hij in de auto wat ik wil drinken en rijden we even langs die ene 'State Liquor Store' waar ik mijn eigen wijn kan uitzoeken. Ook vervullen velen wisselende kerkelijke functies (de LDS church is een lekenkerk), draagt men veel geld af aan de kerk, en heeft ongeveer iedereen een taak als zielzorger voor twee andere leden van z'n 'congregatie' (gemeente, parochie). Op de universiteit worden staf en studenten op allerlei plaatsen en manieren herinnerd aan de hoge morele eisen aan mormonen gesteld: door spreuken op de muur, 'devotionals' (preken door universiteitsmedewerkers voor alle belangstellende leden van de universitaire gemeenschap), door korte formules in studiegidsen en op de deuren van campuswinkels, etc. Bij veel medewerkers hangen citaten uit mormoonse canonieke geschriften aan de muur of op de deur.

Toch is de sfeer op deze universiteit niet veel anders dan wat ik gezien heb op een paar andere grote Amerikaanse universiteiten. De wijze woorden van Nephi of andere mormoonse profeten hangen hier naast even sterk uitvergrote prenten van de Peanuts en andere affiches zoals je die elders ook vindt. In een land waar je van de reclameborden de winkels niet meer ziet, valt deze geëtaleerde godsdienstigheid ook niet meer op.

Zowel de zakelijke opvatting van het zendingswerk, als het gemak waarmee men tussen verschillende (seculiere en religieuze) werelden pendelt (je kunt hier ook werken op een afstand van vele honderden kilometers van je woonplaats), als ook de onschuld waarmee men moraliseert, als ten slotte ook het optimisme van de mormoonse leer, zijn op de eerste plaats Amerikaans. De heiligen der laatste dagen vormen een door en door Amerikaanse variant van het christendom. En zo is hun kerk ook ontstaan: niet zozeer uit een behoefte om te verklaren hoe ook de autochtone bewoners van dit continent konden afstammen van Adam en Eva, zoals Hermans suggereert, maar om ook op religieus gebied een nieuw begin te maken in deze nieuwe wereld. Amerika was voor velen het beloofde land; het was - en is - het land van de onbegrensde mogelijkheden; zijn bewoners hebben weliswaar een zeker respect voor het oude Europa, maar dat is dan toch het respect dat iemand voelt voor zijn oma: geen twijfel dat wij beter kunnen. Het kon haast niet anders, dan dat die Amerikanen zich ook het christendom moesten toeëigenen, totdat het paste bij hun nieuwe begin. En dus moest Joseph Smith jr. via openbaringen geattendeerd worden op gouden platen die hier verborgen lagen, en waarop door profeten van Amerikaans-Israëlitische komaf nieuwe voorschriften werden verstrekt en gezaghebbende interpretaties van de - eveneens tot de canon behorende - oud- en nieuwtestamentische geschriften. De pioniers lieten in het oude Europa veel achter, maar de toekomst, de waarheid en het heil lagen niet achter hen maar vóór hen. Ze vonden hun beloofde land dichtbij de plek waar even later ook het goud gevonden zou worden. En zoals het goud zijn waarde overal ter wereld heeft, zo natuurlijk ook de op gouden platen aangeboden aanvullingen op de joods-christelijke traditie.

Daarom kunnen de mormoonse zendelingen met dezelfde onbevangenheid en vanzelfsprekendheid in Afrikaanse dorpen, op Koreaanse markten en in Nederlandse winkelstraten mensen aanklampen om met ze te praten over 'ain ghoede bhoodskap', zoals Hermans het noemt, als waarmee hun landgenoten overal ter wereld in hun eigen taal de weg vragen, en ervan uitgaan dat ze er hun eigen Coca Cola vinden en hun eigen 'fast food' ketens.

De vaak nogal inhoudsloze teksten uit de mormoonse canonieke geschriften passen zonder probleem in de veelal holle retoriek die in dit land door links en rechts en arm en rijk volop wordt gebezigd in alle gebieden van de samenleving. De afbeeldingen in mormoonse geschriften die altijd uit de jaren '50 lijken te stammen, en dan nog van niet zeer begaafde kunstenaars, passen perfect in de Amerikaanse liefde voor kitsch (ga hier maar eens een schemerlamp kopen, of zelfs maar een bureaulamp!). En zo past het ook dat op de campus van deze mormoonse universiteit elke dag 's morgens en 's avonds de nationale hymne uit luidsprekers schalt terwijl de 'stars and stripes' gehesen dan wel gestreken wordt - en nog meer: dat dat zodanig vroeg en zodanig laat gebeurt dat wie er niet van gediend is, er niet mee geconfronteerd zal worden.

Willem Frederik Hermans heeft merkwaardig genoeg het Amerikaanse karakter van de mormoonse variant van het christendom niet opgemerkt. Hij bleef, toen in Amerika, zoals later in Frankrijk en België, vóór alles een Nederlander. Misschien was het ook daarom dat hij juist de mormonen niet verdroeg. Een van de karakteristieken die hij vermeldt, is de scheiding tussen religieuze overtuiging en wetenschapsbeoefening: “De mormonen hebben nooit enige moeite gehad logisch denken en geloof met elkaar te verenigen. Zij hebben dit namelijk nooit geprobeerd. Nooit hebben zij de wetenschap een strobreed in de weg gelegd, wanneer het tenminste niet de geschiedenis van hun Kerk aan ging. Hun universiteit heeft een uitstekende reputatie en het aantal intellectuelen onder hen is relatief groot. De scheiding tussen wetenschap en geloof is bij hen radicaal.”

Als rechtgeaarde Nederlander verdraagt Hermans geen afstand tussen weten en geloven, evenmin als tussen praktijk en overtuiging. Maar hij vergist zich omdat hij zijn atheïstische en sciëntistische overtuiging als de enige waarheid opvat. Van daaruit kan elke andere waarheidspretentie niet anders dan ofwel een vergissing ofwel een dwaasheid zijn. De mormonen echter zijn overtuigd van de waarheid van hun christelijke overtuiging èn van het feit dat wetenschappelijke kennis uiteindelijk niet anders dan een bevestiging van die waarheid kan opleveren. In dat opzicht verschillen ze niet van veel grote geleerden uit de Europese christelijke traditie, zoals bijvoorbeeld Thomas van Aquino. In het logo van de Brigham Young University staan de woorden: 'The glory of God is intelligence'. Dat is geen onderschikking van de rede aan het geloof, evenmin als een scheiding tussen de twee, maar uitdrukking van het vaste vertrouwen dat wie werkelijk zoekt naar inzicht, zich daardoor onmogelijk van God kan verwijderen. Vanuit diezelfde houding kan ik ze waarderen, deze mormonen, terwijl ik moet glimlachen om hun godsdienstige dogmatiek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden