Terugblikken op vijf decennia in de zorg

Arda Mulder (met bril) en Bea Lanting in 1968. Beeld RV

Ze zagen de arrogantie van de artsen afglijden, en patiënten meer op hun strepen staan. Ze zagen euthanasie de dagelijkse praktijk insluipen. Vier verpleegkundigen uit de klas van 1967 blikken terug op hun vijf decennia in de zorg.

Vijftig jaar geleden liepen Arda, Bea, Henny en Margreet het Diaconessenhuis van Leiden in. Een kapje in het haar, een lichtblauw uniform aan - behalve op zondag, dan was het donkerblauw - en aan de benen zwarte kousen met naad. Zeventien, achttien jaar waren de leerling-verpleegsters. Recht uit de armen van hun ouders kwamen ze onder de hoede van hoofdzuster Anspach en geneesheer-directeur Coumou.

"We woonden in het zusterhuis, en dat keek uit op het ziekenhuis", zegt Bea Lanting-Boer (68). Behalve hun baas was Coumou ook hun huisarts, zegt Henny Mohlmann-Van der Voet (68). "En zuster Anspach zag erop toe dat we goed aten. We liepen elke dag achter haar aan de eetzaal in, terwijl zuster Katrien op het harmonium speelde."

"Ik heb nog altijd een hekel aan gekookte andijvie", zegt Margreet Berrevoets (68). "Zwart was het daar. Zwart! Het had heel lang geprutteld." Dat verplicht warm eten in het ziekenhuis sneuvelde toen zij voorzitter van de leerlingenraad werd, zegt Arda Overbeek-Mulder (68). Het was eind jaren zestig, de eerste man stond op de maan, op de Dam hingen hippies. Berrevoets: "De maatschappij veranderde en wij veranderden mee."

Margreet Berrevoets Nadat ze bij de strikte diaconessen in Leiden haar diploma A-verpleging haalde, meldde ze zich op de sociale academie in Den Haag, waar revolutie werd gepredikt. Zelf koos ze om haar sociaal engagement te stoppen in haar baan als wijkverpleegkundige. Eerst in Oegstgeest, toen in Dordrecht, Rijswijk en Den Haag, waar ze de laatste twintig jaar jeugdverpleegkundige was op consultatiebureaus. Drie jaar en een maand geleden ging ze met pensioen. Beeld Bram Petraeus

De baas

Want hoe begonnen zij? Overbeek-Mulder: "Zonder eigen verantwoordelijkheid. De hoofdzuster en de dokter deden de rondes en jij mocht erbij staan. Terwijl het over jouw patiënten ging." De artsen waren ook hun docenten en dat was een voordeel. Als een dokter een patiënt trof met een kwaal die gisteren in de les was besproken, dan riep hij de leerlingen erbij. 'Kijk, hier had ik het over'. Maar artsen schroomden ook niet om de meisjes en plein public op hun nummer te zetten. "Er kwam een keer een patiënt terug van de OK en de arts zei: 'Willen jullie voortaan de navel uitbaggeren?' Wij allemaal rooie koppen", zegt Overbeek-Mulder. "Nu denk ik: misschien was er helemaal geen tijd voor, was het een acute blindedarm en moest die patiënt heel snel naar de OK voordat het ging perforeren. En dan krijg je zo'n rotopmerking naar je hoofd."

Arda Overbeek-Mulder Ze wist niet wat ze wilde, maar wel dat ze weg moest uit Den Haag. Het werd verpleging in Leiden omdat daar, tegenover het Diaconessenhuis, de molen stond die ooit van haar opa was. Ze werkte in ziekenhuizen, maar meer dan zorgen trok haar het leidinggeven. Jarenlang werkte ze als hoofd zorg in een verpleeghuis in Lochem. Toen haar functie verviel, keerde ze op haar 59ste terug naar het ziekenhuis, als transferverpleegkundige. Dat deed ze tot ze 65 jaar en twee maanden was. Beeld Bram Petraeus

Berrevoets: "Die lui zijn ook niet leuk opgeleid. Die zijn zelf gekoeioneerd. Die wisten niet beter of zo hoort dat."

Na haar opleiding werkte Boer-Lanting op de couveusekamer. "Daar lag een kindje dat zuurstoftekort had gehad, het mankeerde van alles. Een van de artsen zei: 'Ik zie het niet zo zitten, wat vind jij?' Dat was voor het eerst dat ik meemaakte dat er naar mijn mening werd gevraagd. Uiteindelijk zijn ze ons gaan zien."

Mohlmann-Van der Voet: "Wij kennen de patiënt toch het beste. En ik moet zeggen, ik vind de huidige generatie artsen, de generatie van onze kinderen, heel open en heel fijn. Normale mensen. Ze staan niet op een voetstuk."

Henny Mohlmann- Van der Voet Ze werd geboren in Warmond en daar woont ze nog altijd. Met haar man Jaap, die ze als leerling in het Leidse Diaconessenhuis leerde kennen, via een van haar mede-leerlingen. Na de geboorte van haar kinderen werkte ze tweeëndertig jaar in een verpleeghuis, waar ze avond-, nacht-, weekendhoofd was. Op haar 59ste is ze gestopt, vanwege haar gezondheid. Beeld Bram Petraeus

Zwijgzaamheid

In hun begintijd werd de patiënt beschermd: had hij iets ernstig onder de leden, dan werd hem dat niet verteld. Mohlmann-Van der Voet: "De chirurg nam het woord kanker niet in de mond. Die had het over botverwildering."

Dus wisten zij soms dan 'hun' patiënt de dood wachtte, maar 'dat ging je niet vertellen', zegt Lanting-Boer. Berrevoets: "Ik heb daarover nog gediscussieerd met professor Bakhuizen van den Brink, de grote Leidse theoloog, die zat in het ziekenhuisbestuur. Ik heb behoorlijk wat moeite moeten doen om hem duidelijk te maken dat een patiënt recht heeft om te weten wat er speelt."

Collega-verpleegkundigen en jonge artsen waren het met haar eens, weet ze nog, maar veranderen deed het niet zo maar. Ook omdat die zwijgzaamheid paste bij de cultuur in het ziekenhuis. Berrevoets: "Wij hadden veel patiënten uit Katwijk, een heel gesloten christelijke gemeenschap. Op een bankje in de gang hoorde ik soms familieleden praten. Die vermoedden wel dat er iets flink mis was, en spraken daarover als een straf van God. Ik vond dat echt ver-schrík-ke-lijk, kon met moeite mijn mond houden."

Maar, voegt ze er meteen aan toe, diezelfde gruwel voelt ze nu als er over terminale patiënten wordt gepraat als 'mensen die de strijd niet hebben kunnen winnen'. "Dat is de nieuwe vorm van dat Katwijkse gedoe! Zo wordt de dood weer het eigen falen."

Overbeek-Mulder: "Toch kan niet-weten soms ook fijn zijn. Nu wordt alles gezegd. Je krijgt een dreun en wat is je leven dan nog waard? Ik snap het wel, er moet beslist worden over behandelingen, chemokuren. Maar hoe zwaar is dat niet voor mensen?"

Lijden

Het brengt haar op het lijden dat ze gedurende haar loopbaan heeft gezien. "Ik heb meegemaakt dat mensen die ALS hadden, een ellendige ziekte, om euthanasie vroegen. En dat is toegepast. Eind jaren negentig voor het eerst, denk ik. In het verpleeghuis in Lochem, ik was daar hoofd zorg. Die mensen wisten heel goed wat hen te wachten stond, zorgden voor een euthanasieverklaring en zo konden ze op een rustige manier overlijden. Ik vind euthanasie barmhartig."

"Ik ben er gewoon tegen", zegt Lanting-Boer. "ALS is de ergste ziekte die ik in de verpleging meegemaakt heb. Uiteindelijk stik je en dat weet je, dus daarbij kan ik het me voorstellen. Maar zo vaak kun je euthanasie omzetten in palliatieve sedatie, wat een wegglijden is naar de dood. Ik heb altijd tegen de artsen gezegd dat ik nooit aan euthanasie zal meewerken. Dat is mijn persoonlijke keuze."

Bea Lanting-Boer Dochter van een Katwijkse predikant, die tegen haar zei: 'Jij bent een lief kind, misschien moet je verpleegster worden'. Na haar opleiding werd ze wijkverpleegkundige in Katwijk, werkte ze in een huisartsenpraktijk en bij een firma die revalidatie-apparatuur verkocht. Haar carrière sloot ze af als coördinerend verpleegkundige voor een groep verpleeghuizen. Ze was 66 jaar toen ze stopte. Beeld Bram Petraeus

"Jij en ik hebben nog samengewerkt in het verpleeghuis in Lochem", zegt Overbeek-Mulder. "Daar waren ook ziekenverzorgenden die er grote moeite mee hadden. Maar er was altijd de volgende dag een evaluatie. En dan merk je dat als je goed uitlegt dat het de wens van de patiënt was, van de cliënt tegenwoordig, dan werd het geaccepteerd."

"Je hoeft er niet aan mee te werken, maar als het open bespreekbaar is, met familie, met betrokkenen, wie zijn wij dan om daar tegen te zijn?", verwoordt Berrevoets haar positie. Zij werkte een leven lang als wijkverpleegkundige en zag euthanasie al in de jaren zeventig - lang voor er in 2000 een wet voor kwam - heel af en toe worden toegepast. "De huisarts regelde dat met andere artsen bij de patiënt thuis. Alleen bij hele afschuwelijke ziektes. Soms was ik erbij, soms ook niet. Dat ging in goed overleg en was altijd ontroerend. Vaker trouwens ging het niet om actieve euthanasie. Dan hadden mensen een hele hoge dosering prednison bijvoorbeeld en die werd gestopt. Dan overlijden ze ook."

In Mohlmann-Van der Voets werkzame leven is euthanasie nooit voorbijgekomen. "Ik werkte met mensen met dementie, vandaar." Maar nog in de jaren tachtig heeft ze de blaren op haar tong moeten praten voor pijnbestrijding in het verpleeghuis waar ze werkte. "Wij hadden twee katholieke artsen, die vonden dat lijden bij het leven hoort. Morfine werd niet gegeven."

Patiënt

Terug naar 1967. Toen het ziekenhuis van de dokter was, en de patiënt zich voegde. Mohlmann-Van der Voet: "Op de kraamafdeling hadden we toonuur. De familie stond op de gang achter het glas en noemde de naam van de baby. Wij haalden het kind uit het wiegje en toonde het, door het glas."

Berrevoets: "Nog zoiets volslagen idioots: om vier uur 's nacht moest je de patiënten van boven wassen. Om zeven uur kwam je terug voor het onderkantje. Sliepen ze eindelijk... Vreselijk! Maar onder de oudere zusters was er zo'n weerstand om dat af te schaffen. 'Dan is het niet netjes als de dokter de ronde komt maken'."

Dat de tijden zijn veranderd is hun verdienste, maar de mondige patiënt heeft daar ook zijn rol in gespeeld, daarover zijn ze het eens. Al ziet Overbeek-Mulder die mondigheid soms doorschieten: "Mensen zijn nu zo alert, op het agressieve af." Toen ze werkte als transferverpleegkundige, aan het einde van haar loopbaan, regelde zij dat patiënten na ontslag uit het ziekenhuis de zorg kregen die ze nodig hadden. "Ik had bij een alleenstaande meneer aan bed gezeten, die zat in een korset en had thuiszorg nodig voor het aan- en uitkleden. Ik liep weg en zijn buurman riep: 'Kan ik ook thuiszorg krijgen?' Ik antwoordde dat ik dat zo niet kon beoordelen, waarop hij zei 'sodemieter dan maar op, rotwijf'." Ze heeft hem gevraagd of hij zich niet schaamde. Maar hij zei het nog een keer. "Ik ben maar weggelopen."

Geen lijstjes

Begrijp ze niet verkeerd: vroeger was niet alles beter. De mensheid is in die tientallen jaren niet drastisch veranderd. Maar, zegt Lanting-Boer, in de jaren zeventig toen zij in de wijkverpleging werkte, kon ze zelf veel meer tijd en aandacht in mensen stoppen. "Ik werkte in Katwijk en daar hadden we de visfabriek, waar enkele vrouwen uit Joegoslavië werkten. Een was zwanger geworden van een Katwijkse jongen. Dat was niet de bedoeling en het liep helemaal mis. Ze ging midden in de nacht met haar baby naar buiten. Die heb ik zo verschrikkelijk nagelopen, met iemand die kon tolken, want het ging me aan het hart. Ik schreef geen tijd en ik hoefde geen lijstjes in te vullen, zoals nu."

Berrevoets dreunt meteen op: "Tien minuten kousen aantrekken, vijf minuten oog druppelen, half uur voor een wasbeurt." Lanting-Boer: "Precies. Zo ging het niet en dat scheelt ook agressie bij de patiënten."

Kwam de zorg in die tijd geld tekort, zegt Overbeek-Mulder, dan paste de overheid aan het einde van het jaar bij. Daar is in de jaren tachtig een eind aan gekomen. Het gevolg was meer kostenbewustzijn en efficiëntie en die kon de zorg toen wel gebruiken, vindt ze. "Maar nu is het helemaal doorgeslagen."

Fusies

Ziekenhuizen en verpleeghuizen moeten concurreren, ook in de zorg geldt de tucht van de markt. Berrevoets: "De ondergang van de zorg zijn die fusies. Steeds maar groter worden, directeuren boven de balkenendenorm laten verdienen. En dan personeel ontslaan. Ten hemel schreiend."

Lanting-Boer: "Mijn huis behoorde tot de beste en ik heb het kapot zien gaan aan fusies en nieuw management."

Onder verpleegkundigen is te weinig politiek bewustzijn, is Berrevoets' analyse. Brave boerendochters zijn het, die hun eigen waarde niet kennen. Maar nu is er een fors tekort aan verpleegkundigen, zegt Lanting-Boer. "Men heeft jou nodig. Dus wees mondig en zorg dat je veel opleidingen volgt." Want het is een mooi beroep, zegt Berrevoets. Mohlmann-Van der Voet: "Als je van mensen houdt, is het echt een heel mooi beroep."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden