TERUG VAN HEEL LANG WEGGEWEEST

Dezer dagen hoorde ik van Martin Melchers, een van de auteurs van het enige jaren geleden verschenen verrassende boek 'Haring in het IJ', dat er nu niet alleen heel veel haring rondzwemt in het IJ, maar dat er sinds kort ook een paar mosselsoorten leven, die eigenlijk elders in de wereld thuishoren.

Ik kreeg een paar schelpen toegestuurd, met wat aantekeningen. Eenvoudig gevormde schelpen, wat kleiner dan een kokkel, sommige nog als 'doosjes' aan elkaar. Van binnen mooi porseleinwit met blauwig aangelopen rand. Van buiten geribbeld en bedekt met een olijfgroene opperhuid die veel soorten schelpen bedekt als ze nog vers zijn. Denk maar aan de schelpen van de zwaardscheden en mesheften op het strand.

Zo te zien niet om van uit je bol te gaan. Maar met de schelpjes in de hand herinnerde ik me als een schok mijn middelbare-schooltijd. Ik bracht toen menige middag - ook middagen waarin ik verondersteld werd mijn huiswerk te maken - door op metershoge schelpenhopen aan de Ringvaart van de Haarlemmermeer. De enorme hopen waren er gedeponeerd als verhardingsmateriaal voor de paden in het Amsterdamse Bos.

De meeste schelpen waren gewone soorten die we nog kennen van het Noordzeestrand: halfgeknotte strandschelpen, kokkels, gewone alikruiken, vliezige drijfhoorntjes, gevlochten fuikhoorns, mossels, oesters, zaagjes, wenteltrapjes, gewone en glanzende tepelhoorns. Maar daartussen lagen bijzondere soorten, die tegenwoordig thuishoren in warmer zeeen: verschillende soorten mantelschelpen (de bekende Shell-schelpen), armpotigen, Europese kauri's, tolhoorntjes, pelikaansvoetjes, zwarte tanden van haaien en kauwplaten van roggen. Ik heb later nog wel eens tijdens een excursie in het Amsterdamse Bos een haaietandje uit het asfalt van een fietspad gepeuterd. De schelpen waren fossielen, afkomstig uit de Zeeuwse wateren, van grote diepte met een zandzuiger opgezogen. Er waren karakteristieke soorten bij uit de Eemzee, die tussen 120 000 en 70 000 jaar geleden over Nederland klotste. Dat was vlak voordat het landijs van het Weichselien als enorme gletsjers van honderden meters dikte het noordelijk halfrond voor de laatste maal in zijn greep kreeg en ons land in een uitgestrekt toendralandschap veranderde. Andere schelpen waren nog ouder, sommige al miljoenen jaren. Ze leefden in het Mioceen en Plioceen, in de tijd voor de getijden, het Tertiair. Veel soorten komen in levenden lijve niet meer in de Noordzee, maar in warmere zeeen voor.

Die warmteminnende soorten stierven in ons land uit tijdens de ijstijden en soms al eerder, in het Plioceen dat aanmerkelijk kouder was dan het tropisch warme Mioceen. Andere hielden het langer uit, tot in het Eemien, de tamelijk warme tijd tussen de voorlaatste ijstijd (het Saalien) en de laatste ijstijd (het Weichselien). Hun fossiele resten bleven mooi wit bewaard voor de verzamelaar die ze maar wilde oppikken. Een van de meest kenmerkende in de schelpenhopen was de korfmossel Corbicula fluminalis, een soort die in zoetwater voorkomt en in het Eemien talrijk geweest moet zijn in de oer-Schelde. In die tijd kwam de korfmossel in geheel West-Europa inclusief Engeland voor. Maar net als de andere warmteminnende soorten overleefde de korfmossel het Weichselien in onze streken niet. De soort trok zich terug naar Oost- en Zuidoost- Europa, Noord-Afrika en Azie.

Levend opgevist

En wat daar in mijn hand lag, waren schelpen van korfmossels, levend opgevist uit het IJ, het Amsterdam-Rijnkanaal en het IJmeer. Martin Melchers kon me er veel over vertellen. De schelpen behoorden tot twee soorten: de toegeknepen korfmossel (Corbicula fluminalis inderdaad dezelfde als in het Eemien) en de Aziatische korfmossel (Corbicula fluminea). Ze lijken sprekend op elkaar, op een verschil na: de top van de schelp van de toegeknepen korfmossel is nogal langgerekt, vergeleken bij die van de Aziatische soort. Ze komen ook uit verschillende gebieden: de toegeknepen korfmossel uit de Eufraat, de Aziatische uit China. Melchers was door beroepsvisser G. Smeenk op de korfmossels geattendeerd: in 1992 zaten schelpen in diens fuiken die hij nooit eerder had gezien. Ze komen nu in zulke aantallen rond Amsterdam voor dat ze in de toekomst van belang kunnen zijn als basisvoedsel van duikeenden en meerkoeten, die nu nog vooral de tot in de Amsterdamse grachten uiterst algemene driehoeksmossels eten. Er is weinig kans op dat de korfmossels de driehoeksmossels verdringen, want de laatste leven met taaie zelfgemaakte draden vastgehecht aan allerlei voorwerpen, terwijl de korfmossels van een modderbodem houden.

Melchers vernam van weekdierspecialist Rob Moolenbeek van het Instituut voor Taxonomische Zoologie dat de beide soorten korfmossels al in' 1988 waren aangetroffen in de Rijn waar deze ons land binnenkomt en dat zij zich in de latere jaren snel stroomafwaarts verbreidden. Ze komen nu ook in de IJssel voor. De toegeknepen korfmossel is dus met gezwinde spoed het gebied aan het heroveren dat hij 70.000 jaar geleden verloren heeft.

Blijft de vraag hoe de korfmossels in ons land terecht zijn gekomen. Volgens Moolenbeek werd de Aziatische korfmossel door Chinezen als consumptiemossel geimporteerd in de Verenigde Staten. Maar welke menselijke hulp zou de uit Irak afkomstige toegeknepen korfmossel gehad moeten hebben? Opmerkelijk was dat Melchers bij zijn onderzoek de meeste toegeknepen korfmossels aantrof in de Derde Diem, waarin de elektriciteitscentrale bij Diemen zijn warme koelwater loost. De Aziatische daarentegen was veel algemener in het Amsterdam-Rijnkanaal. Zou het water van de Eufraat warmer zijn dan het water in dat deel van China waar de Aziatische korfmossel voorkomt? “Het zou een aanwijzing kunnen zijn voor de wonderlijke verhoudingen van beide soorten per vangplaats," zegt Melchers. “Maar de gegevens zijn nog te mager om er conclusies uit te trekken.”

Echte exoot

De Aziatische korfmossel is een echte exoot: hij kwam nooit eerder voor in ons land. Maar geldt dat ook voor de toegeknepen korfmossel? Hij is terug van wel heel lang weg geweest. Dat is eerder gebeurd met een plantje. De grote kroosvaren, het 'rode kroos', dat in de herfst de voedselrijke sloten en vaarten in West-Nederland met een dikke laag bedekt, is een eeuw geleden uit Noord-Amerika in botanische tuinen ingevoerd en daaruit ontsnapt. Het veroverde Europa in snel tempo en iedereen dacht dat het een zogenaamde neofiet was, een uit een ander werelddeel afkomstige ingeburgerde plantesoort. Maar de grote kroosvaren kwam in West-Europa voor voordat de verijzing door de voorlaatste ijstijd, het Saalien, daar een eind aan maakte. Ook die soort kwam terug na een nog langer tijd te zijn weg geweest.

NATUUR DEZE WEEK

Een winterwandeling over het strand is een koele, maar verfrissende activiteit. Als de wind een tijdje uit het oosten heeft gewaaid, zijn veel schelpen en aangespoelde dieren op het strand te vinden. - In de duindoorns, die nog vol oranje bessen zitten, vallen de grijswitte spinsels op, waarin de jonge basterdsatijnrupsen goed beschermd de lente afwachten.

- Minstens even opvallend zijn de geel bloeiende stekelstruiken die erg op brem lijken. Deze gaspeldoorn komt voor op de Waddeneilanden en in bermen en heidevelden op de hoge gronden. - De wilde hyacint en de gewone vogelmelk hebben al bladpunten boven de grond. Zelfs zijn hier en daar al de neuzen van het kleine blauwe sterhyacintje te zien. - De elzen die nu in de steden in bloei staan, zijn niet inheems. - Houtduiven bezoeken in grote vluchten akkers met te velde staande kool. Onschuldiger is hun eten van de vruchten van de meelbes in stadsplantsoenen en parken. - Er verblijven nu honderden rotganzen op de wadden en in de polder van Terschelling. - Kramsvogels, koperwieken en merels eten de rode bessen van hulst, vuurdoorn en dwergmispel (cotoneaster) in tuinen en parken. Ze eten die niet uit nood, maar als normaal wintervoedsel. - Hier en daar zijn bij het krieken van de dag zingende zanglijsters te horen. - Af en toe laait overdag het kibbelen op van huismussen, die zich alweer om een vrouwtje verdringen.

- Deze week is al een kokmeeuw gezien met een 'schimmelkop', met grijze vlekken over het wit. Dat betekent dat het witte laagje van de kopveren afslijt en de donkere onderkleur tevoorschijn komt, waaraan kokmeeuwen hun zomerse chocoladebruine kop te danken hebben. - Er scharrelen nog steeds egels buiten rond. Laat ze begaan als ze er nog vitaal uitzien. De winterslaap van egels is veel betrekkelijker dan men nog niet zo lang geleden dacht. - Onder het dorre blad in de tuin vond ik weer regenwormen, kleine huisjesslakken, kortpotige hooiwagens, springstaartjes, mini- spinnetjes en pissebedden. - En ik ben erg benieuwd of de hazelaar in het parkje de komende week in bloei komt, zoals de laatste jaren steeds een paar dagen voor de jaarwisseling...

EN VERDER

Zaterdag, eerste kerstdag, kan men met het IVN twee en een half uur lang wandelen in de bossen en tussen de landerijen van de Achterhoek bij Zutphen, om 14 uur bij de watermolen van kasteel Hackfort. - Zondag, tweede kerstdag, is er een IVN-wandeling in Joppe, om 14 uur bij de kerk in Joppe, en in het Noorddrentse Roden, waar om 14 uur vertrokken wordt van de Dikke Boom aan de Mensingheweg bij het Lieverse Brugje. Neem een kijker mee, als u die hebt, en trek stevig schoeisel aan. - Tot 30 januari staat de tentoonstelling 'Reeen in Nederland' in het Centrum voor Natuur- en Milieueducatie op het landgoed De Schothorst in Amersfoort.

Onderwerpen uit het leven van de ree zoals zintuigen, voedsel, bronst, jonge dieren, de ontwikkeling van het gewei, de spiegel, snelheid, leefgebied, de wintertijd en de verspreiding in Nederland komen op speelse wijze aan de orde. Bezoekers kunnen de eigen lichaamstemperatuur vergelijken met die van een ree in de winter en het verschil voelen tussen winter- en zomervacht. Open op werkdagen van 13.30 tot 17 uur, op zondagen van 13 tot 17 uur. - In het Fries NatuurMuseum, Schoenmakersperk 2 in Leeuwarden, is veel te beleven op de kijk- en doe-tentoonstelling 'Speuren naar sporen', over de vele sporen die dieren achterlaten in de natuur.

Pootafdrukken, uitwerpselen, braakballen, nesten en dergelijke verraden allerlei dieren die je zelden ziet vanwege hun verborgen leefwijze. Tot en met 20 maart, open van dinsdag tot zaterdag van 10 tot 17, op zondag van 13 tot 17 uur. - Hebt u nog geen kalender voor het volgende jaar? De vereniging die zich inzet voor het behoud van de noordelijke oeverlanden van het Nieuwe Meer bij Amsterdam, heeft een zesbladige natuurkalender op A4-formaat uitgegeven op grijs kringlooppapier en gedrukt in zwart. Bij het calendarium staat steeds een impressie van een plant, een dier of een landschap in het gebied en op de achterzijde nadere informatie, meestal ook weer mooi geillustreerd. De kalender is te bestellen voor f 7,50 op giro 4068809 van Vereniging 'De Oeverlanden Blijven!' te Amsterdam, met vermelding 'Kalender 1994'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden