Review

Terug op de leren sofa in Tjitoeroeg

E. du Perron: Het land van herkomst. Geannoteerde uitgave, verzorgd door F. Bulhof en G. J. Dorleijn. Van Oorschot, Amsterdam; gebonden, 1080 blz. - ¿ 99 (na 6 december ¿ 135).

Juist op dat punt, of het hier om een roman of om een autobiografie gaat, liepen de meningen van de critici destijds uiteen. Weliswaar stond Du Perron zelf op het standpunt dat hij een roman had geschreven, zij het een roman met een zeer hoog werkelijkheidsgehalte, maar hij kon zich anderzijds ook wel indenken dat zijn boek juist daardoor niet beantwoordde aan de verwachtingen die men had bij een roman.

Vestdijk karakteriseerde 'Het land van herkomst' dan ook als de grote anti-roman, in de zin waarin ook bij voorbeeld 'Max Havelaar' een anti-roman is: zulke boeken willen de 'werkelijkheid' laten spreken, niet de 'verbeelding'. Du Perrons kunstopvatting, waarin het oprechte en het echte, niet-geposeerde zo'n belangrijke plaats innam, gaf ook weinig ruimte voor de creatie van een roman in de gebruikelijke zin van het woord, eerder voor de essays en polemieken, waar hij in uitmuntte.

Op het ogenblik hebben we er geen enkele moeite meer mee om 'Het land van herkomst' een roman te noemen. Wel is natuurlijk het losse arrangement van herinneringen, dagboektekst, gesprekken, brieven, alles sterk verweven met de actualiteit van 1933 en 1934, iets totaal anders dan een hecht en doorwrocht romanbouwwerk als bij voorbeeld 'De Zondvloed' van Jeroen Brouwers. De ware verbeelders zullen Du Perrons boek altijd beschouwen als een zeer onvolkomen roman, die bovendien zo nu en dan beroerd geschreven is. Dat laatste is te wijten aan de haastigheid waarmee het boek tot stand kwam, en bij de herziening zijn lang niet alle sporen daarvan weggewist.

Neem de eerste zin, die een toonbeeld van warrigheid is en die niet bepaald uitnodigt tot doorlezen: “Sinds ik met Jane in Meudon woon, heeft Parijs voor mij het karakter aangenomen van het stationsplein waar trams en autobussen rekening schijnen te houden met onze stappen, omdat wij er niet meer als vreemdelingen komen.” De bezorgers van de nieuwe editie van de roman, Bulhof en Dorleijn, voeren deze zin ook op als bewijs van Du Perrons onzorgvuldigheid en onhelderheid. Toch hebben alle bezwaren tegen compositie (vorm in het groot) en stijl (vorm in het klein) niets afgedaan aan de reputatie van 'Het land van herkomst' als de grootste en belangrijkste Nederlandse roman uit het Interbellum.

De nieuwe uitgave onderstreept dit belang nog eens door meer dan vijfhonderd bladzijden verantwoording van en toelichting bij de tekst. Omdat de ontwikkelingsgeschiedenis van Arthur Ducroo, Du Perrons alter ego in de roman, zo sterk vastzit aan tijd en plaats - het Indische tempo doeloe van het eerste kwart van de eeuw en het leven in België en in Parijs in de links-geöriënteerde intellectuele vriendenkring - is er veel dat om toelichting of commentaar vraagt.

Zelf had Du Perron al in 1935 voor Jan Greshoff een met witte bladen doorschoten exemplaar van de roman (in drie delen) voorzien van toelichtingen, in de trant van: “Graaflant = Jan Greshoff met wie ik eind 1927 in Brussel bevriend raakte (en voor wie ik dit exemplaar nu van krabbels voorzie).” Of: “De bloeddruk van Graaflant die te hoog heet, was in werkelijkheid te laag. Vestdijk raadde 'te hoog' aan als zijnde in medies opzicht 'gevaarliker'.”

Ook deze eigen toelichtingen zijn in de nieuwe editie opgenomen, en dikwijls op hun beurt weer van toelichting voorzien. Enkele lange beschouwingen staan achterin: over de historische en biografische achtergronden, over de ontstaansgeschiedenis van de roman, over de structuur, de thema's en motieven, en over de ontvangst. Ook de verschillen tussen de eerste druk en Du Perrons herziening (de laatste heeft vanzelfsprekend als basis voor deze tekst gefungeerd) zijn ondergebracht in een variantenapparaat. Dit alles maakt deze uitgave voorbeeldig.

Wel realiseren de bezorgers zich dat ze met al hun annotaties juist het werkelijkheidsgehalte van de roman onderstrepen en daarmee de roman uit de sfeer van de fictie trekken. Du Perron liet zich over deze kwestie, autobiografie of roman, in 'In deze grootse tijd' als volgt uit:

“Degenen die met zoveel ijver ontdekken moesten dat het boek geen roman was, maar veel meer een autobiografie, hadden natuurlijk bij voorbaat gelijk. Maar ik zou, als het boek een autobiografie moest zijn (daargelaten nog de veranderde namen) er eerlijkheidshalve een lijstje bij moeten leggen van alle veranderingen die mijn romanciersstandpunt mij het recht gaf aan te brengen: ik denk hier zowel aan het genoegen van sommige mensen die zich meer dan voldoende verhuld zagen, als aan de boosheid van anderen die mij in een reeks echte gebeurtenissen op een gelogen anecdote betrapten. Als het boek werkelijk volstrekt geen roman was, had ik in deze beide gevallen inderdaad gelogen. Dat ik met de grootste gewetensrust kon offeren aan wat ik als 'superieure waarheid' zou kunnen verdedigen, toont mij aan dat de qualificatie 'roman' toch weer niet zo onjuist is als de gelijkhebbers het zouden wensen.”

Het land van herkomst is Indië en de herinneringen aan de jeugd in dat land vormen de mooiste helft van de roman. Een sleutelpassage is die waarin Ducroo ineens alles van vroeger terugziet: “sterker, mijn lichaam was teruggekrompen tot een jongenslichaam; ik wist dat ik dertig moest zijn, dat Suzanne achter mij lag en dat ik woonde in een miezerig appartement boven een brusselse hemdenwinkel, maar ik voelde dat ik vier of vijf jaar was, dat ik lag op de leren sofa in het koepelvormige voorgalerijtje in Tjitjoeroeg, precies zoals ik toen lag, kijkende naar de Salak; ik voelde het korte rolkussen van bruin leer, gerimpeld, onder mijn hoofd, hard in mijn nek, de platte knoopjes in het leer onder mijn handen. En door de velden waar het treintje liep had ik kortgeleden mijn moeder gezien, dik als zij toen was, in een grijze japon met de pofmouwen van die tijd, wuivend uit het portier, terwijl ik uit de tuin terugwuifde met de schele kinderjuffrouw naast mij, die ontslagen werd 'omdat zij zo scheel was dat zij alle borden brak'. Het was een van de eerste keren, de allereerste misschien wel, dat mijn moeder mij achterliet, en zij had beloofd iets uit Batavia voor mij mee te brengen als zij terugkwam. Dit alles wist ik, omdat ik het mij later dikwels herinnerd heb, en ook dat ik een prentenboek gekregen had, maar op dit ogenblik wist ik meteen hoe het boek heette: Wilde Bles, ik zag het duidelijk terug, plat in het glimmende bordpapier van de omslag, met een hollend bruin paard in de rechterhoek beneden, en krulletters slingerend daarboven, rood of donkerbruin. Ik moet mijn adem hebben ingehouden om achter mij niets te laten merken en om tegelijkertijd deze metamorfoze zo lang mogelik vast te houden; en meteen, terwijl ik toch nog mijzelf-van-vroeger was, voelde ik dat ik het direkt weer verliezen zou en hoe volkomen het verloren was, en eer ik het besefte lag ik te snikken, in het tempo en met de kracht die men aanduidt als onbedaarlik.”

Indië, de eigen jeugd daar, is een kuil om snikkend in te vallen. De herinnering wordt hier ingezet in de strijd met de tijd. De trouw aan het eigen verleden, aan de eigen individualiteit, aan de vriendschap, aan 'de Ene' ook die Ducroo najaagt, Jane aan wie het boek gericht is, maken 'Het land van herkomst' indrukwekkend. Steeds opnieuw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden