Terug naar Martin Beck

Ik stelde mij voor hoe het zou zijn hem te ontmoeten. We zouden ongemakkelijk zwijgen, vermoedde ik

De Martin Beck-reeks blijft overeind in de taal, spaarzaam en effectief, vol suggestie en onderkoelde humor

Gerwin van der Werf

We kennen ze, het lijken wel vrienden: onze fictieve politiehelden. We kennen hun werk, hun zorgen, hun ziel en hun stad. De chagrijnige inspecteur Rebus in het spookachtige Edinburgh, de wervelwind Harry Hole in het door junkies ontsierde Oslo, de sombere rechercheur Erlendur in donker, geheimzinnig Reykjavik. We houden van ze, voor zolang het duurt. Een paar boeken lang, of een aantal televisieseizoenen. Dan hollen we weer naar de volgende eigenwijze, zonderlinge speurder. Sarah Lund (The Killing), Saga Norén (The Bridge), Jimmy McNulty (The Wire), die hebben we ook weer gehad. Smerissen komen, smerissen gaan, we zijn een tijdje in de ban en verliezen ze weer uit het oog.

'Politieverhalen in boeken' is dit jaar het thema van de Maand van het Spannende Boek. De kracht van deze verhalen schuilt in het hoofdpersonage, de politieman die in de eerste plaats mens is. Een mens die worstelt met werk, relaties, gezondheid, onder het motto: moordzaken zijn ingewikkeld, maar het leven zelf is nog veel ingewikkelder. We zijn zo gewend geraakt aan dit type inspecteur dat we gemakkelijk vergeten waar ze allemaal vandaan komen. Aartsvader van al die schrandere en feilbare politiemensen is Martin Beck, hoofd van de afdeling moordzaken in Stockholm. Ik houd van Martin Beck en hoeveel politie-inspecteurs er nog zullen volgen en hoe eigenaardig, briljant, stug of aimabel ze ook zullen zijn: Beck blijft mijn grote liefde.

Halverwege de jaren zestig besloten Maj Sjöwall en Per Wahlöö een serie politieromans te schrijven in een wat harder en realistischer toon dan in die tijd gangbaar was. Ze spraken af dat ze tien boeken zouden schrijven met inspecteur Martin Beck als hoofdpersoon. Tien boeken in tien jaar. Dat redden ze op het nippertje. Wahlöö stierf kort na de voltooiing van 'De terroristen' (1975).

Ik las de Martin Beck-serie voor het eerst toen ik negentien was. Ik wist niet waarom ik de boeken beter vond dan andere misdaadromans, maar ik zocht overal naar tweedehands exemplaren, ik wilde dat Martin Beck mijn oom, mijn buurman, mijn mentor was. Ik stelde mij voor hoe het zou zijn hem te ontmoeten. We zouden ongemakkelijk zwijgen, vermoedde ik. Van de stapel politieromans die ik in de jaren daarna las heb ik er geen enkele meer in mijn bezit. Elizabeth George, Henning Mankell en Ian Rankin, ik heb ze allemaal weggedaan. Ik kon prima zonder ze. Alleen Sjöwall en Wahlöö staan nog bij mij in de kast, fier tussen Siebelink en Slauerhoff.

Martin Beck. Hij is rond de vijftig, lang en goed gebouwd 'maar wel een beetje dikker geworden', hij draagt een spijkerbroek, een coltrui, een versleten nylon jack. Beck is niet opvliegend, niet bijzonder geestig, hij schiet niet erg best met pistool en rookt noch drinkt bovenmatig. Hij is niet geliefd, maar ook niet bijzonder gehaat onder collega's. Tja, hij is van alles níet. Een saaie man. En dat is precies wat hem zo sympathiek maakt. Als politieman is Martin Beck scherpzinnig, maar vooral zeer nauwgezet. Het politiewerk is taai en onderzoeken vorderen tergend langzaam, of helemaal niet. Er zijn moeizame gesprekken met getuigen en verdachten. Beck wandelt door Stockholm, alle vreemde straatnamen worden genoemd, maar zin om er eens te gaan kijken krijg je niet, de stad is kleurloos en vies. Er is wrevel op kantoor, er is koffie, veel vieze koffie, af en toe een taai broodje, of een glas whisky met ijswater. Beck is vaak verkouden en uitgeput. Hij is onzeker in relaties, vooral met zijn achttienjarige zoon weet hij geen raad. Hij piekert en is eenzaam.

De boeken over Martin Beck (had ik al gezegd dat ik van hem houd?) blijven overeind als ik ze herlees, ondanks de gedateerde en wat te gul opgediende maatschappijkritiek die de schrijvers erin hebben verwerkt. Ze blijven overeind door de schrijfstijl. Laat dat ook eens gezegd zijn, de boeken van Sjöwall en Wahlöö zijn gewoon erg goed geschreven. De taal is spaarzaam, effectief, zit vol suggestie en onderkoelde humor.

Neem de openingszin uit 'De man op het balkon':

Om kwart voor drie ging de zon op.

Het is er meteen: het noordelijke, bleke licht op een veel te vroege ochtend, na een nacht waarin waarschijnlijk niet geslapen is. 'De verschrikkelijke man uit Säffle' opent als volgt:

Kort na middennacht hield hij op

met nadenken.

De man die is gestopt met nadenken gaat weldra een brute moord plegen. Denken is de vijand van de actie, een gruwelijke handeling moet je gedachteloos uitvoeren. Het geweld zelf heeft bij Sjöwall en Wahlöö altijd iets knulligs en absurdistisch. Uit 'De terroristen':

De kogel trof Skacke in de rechterheup, heel

hoog, en deed hem ronddraaien als een tol en

terecht komen in de rij ontstelde kerstmannen.

Bij Arnaldur Indri¿ason stuitte ik ooit op een vermoorde kerstman, in bloed badend en met zijn broek op zijn enkels ('Engelenstem', 2005).

Ook Indri¿ason kan goed schrijven, maar de ontstelde kerstmannen van Beck vind ik toch scherper en geestiger. Sjöwall en Wahlöö hoeven niet zo nodig te shockeren. Liever laten ze zien hoe absurd, lachwekkend en ten diepste zinloos de hele belazerde bende is.

Neem nu hoe de dood van een oude, simpele agent met een lange staat van dienst wordt beschreven in 'De politiemoordenaar':

Borglund bekroonde zijn lange carrière van

relatief onschuldige mislukkingen met het

uitblazen van zijn laatste adem op woensdag-

morgen om vier uur. Hij was geen slecht mens

geweest en op een keer had hij Elofsson zelfs

aangespoord een Joegoslavisch kind een keel-

tablet te geven, hoewel dit hun dienst

compliceerde.

Met die 'relatief onschuldige mislukkingen' heb je mij al te pakken. Daarna volgen dat onchristelijke tijdstip, het keeltablet en het compliceren van hun dienst en een wereld van eenzaamheid is aan je geestesoog voorbijgetrokken. Dan Martin Beck zelf, wanneer hij gaat eten bij zijn vaste restaurant, bij wijze van uitzondering in gezelschap ('De verschrikkelijke man uit Säffle'):

Het meisje tegenover hem was zijn dochter.

Je kunt iemands onmacht in relaties uitvoerig beschrijven of uitleggen, maar het kan ook met één zinnetje. Ze drinken samen wat, het meisje praat, Beck zegt niet veel. Hij geniet van haar aanwezigheid, maar ze zijn allebei moe. Het draait erop uit dat Beck aan het einde van de avond in zijn eentje te werken aan zijn modelbootjes. In het slot van 'De terroristen' vat collega Kollberg samen hoe het precies zit met Martin Beck.

'De fout met jou is Martin, dat je de foute

baan hebt. In een foute tijd. In een fout deel

van de wereld. In een fout systeem.'

'Is dat alles?'

'Zo ongeveer,' zei Kollberg.

Ik houd van Martin Beck, en een vriend als Kollberg zou ik ook wel willen. Maar het is de taal die Martin Beck tot leven wekt. De taal waarbinnen hij bestaat en waarin hij beweegt maakt deze boeken zo goed. Martin Beck werd misschien het prototype voor John Rebus, Kurt Wallander en al die anderen, maar een tweede Beck bestaat niet. En dat komt omdat er domweg weinig politieverhalen zijn waarin het niveau van de schrijfstijl van Sjöwall en Wahlöö wordt gehaald. Je kunt het ook zo zeggen: de enige goede smeris is een goed beschreven smeris. De enige goede politieverhalen zijn goed geschreven politieverhalen.

Maj Sjöwall & Per Wahlöö:

De man op het balkon (1967)

De verschrikkelijke man uit Säffle (1971)

De politiemoordenaar (1974)

De terroristen (1975)

A.W. Bruna Uitgevers.

Tweedehands verkrijgbaar of in de bibliotheek

Maand van het spannende boek

De tv-serie domineert de politieverhalenmarkt. Iedereen heeft het over tv-heldinnen als Sarah Lund (The Killing) en Saga Norén (The Bridge), tegenover wie papieren helden als Paul Vegter (van Lieneke Dijkzeul) en Erlendur Sveinsson (van Arnaldur Indridason) het dreigen af te leggen. Laat staan oude literaire helden als Martin Beck.

Mooi dus dat 'De maand van het spannende boek' de politieroman in het zonnetje zet. Een belangrijk podium wordt niettemin gegeven aan de tv-serie 'Flikken Maastricht': politiekenners en adviseurs Erik van Rijsselt en Jim de Koning gaan langs bibliotheken op tournee om met het publiek in discussie te gaan over wat geloofwaardig en accuraat is en wat onzin in bekende misdaadromans en -series.

Deze 'politieproducenten' van 'Flikken Maastricht' worden op hun Feit & Fictie Tournee vergezeld door Nederlandse thrillerauteurs Elvin Post, Simon de Waal, Carla de Jong, Jac Toes, Judith Visser, Simon Vuyk en Marelle Boersma. Het publiek kan zelf favoriete scènes aandragen en met de deskundigen debatteren over wat echt is en wat goed uit de duim gezogen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden