Terug naar Jan Wolkers

(Trouw)

Jan Wolkers werd bekend als schrijver, beeldhouwer en schilder. Hij was echter ook dichter. Na Wolkers’ dood vond biograaf Onno Blom zijn poëzie terug in zijn chaotische archief in Huize Pomona op Texel.

Zondag 19 oktober is het precies een jaar geleden dat Jan Wolkers overleed. Zijn dood kwam onverwacht en was voor iedereen een schok. In de eerste plaats voor zijn vrouw Karina en voor haar kinderen, Bob en Tom, van wie Wolkers op een mooie herfstige middag goddank nog afscheid had kunnen nemen voordat hij voor eeuwig in een diepe slaap verzonk, maar ook voor mij. In het najaar van 2006, nog een jaar eerder, hadden we afgesproken dat ik zijn biografie zou schrijven. Wolkers zou zijn medewerking verlenen aan het boek en gaf mij de vrije toegang tot zijn persoonlijke archief. In het jaar dat volgde op onze afspraak en waarin wij intensief, bijna dagelijks contact onderhielden, pestte hij me maar al te graag met de gigantische klus die mij te wachten stond. „Arme Onno”, zei hij, „het zal je bloed, zweet en tranen kosten.”

Als we samen naar zijn atelier liepen vanuit de huiskamer in Huize Pomona op Texel en door het duistere kamertje liepen waar de archiefdozen en kasten metershoog tegen de wand opklimmen, begon hij zachtjes te grinniken. In dat enorme archief, in die talloze dozen en kasten vol met knipsels, foto’s, manuscripten, typoscripten, tekeningen en schetsen – Wolkers had vanaf zijn vroege jeugd elke snipper bewaard – had ik wel een paar keer mogen rondneuzen, maar van systematisch ordenen en samen materiaal bekijken, is het nooit gekomen. Daarvoor kwam zijn dood te vroeg.

Wel heb ik lang met Wolkers kunnen spreken over de verschillende kanten van zijn werk als beeldhouwer, schilder en schrijver. In de zomer van 2007, het was een bloedhete dag, spraken we over zijn poëzie. Maar weinig mensen weten dat Wolkers in de letteren debuteerde als dichter. In 1957, toen hij slechts in kleine kring bekendheid genoot als beeldhouwer, volgde hij een half jaar lang lessen van Ossip Zadkine in diens atelier in Parijs. Van daaruit stuurde Wolkers per post twee ongetitelde verzen naar Nederland, die werden geplaatst in De Kroniek van Kunst en Cultuur. Ze gelden nog immer als zijn ’officiële’ debuut.

Ironisch genoeg heet het vroegste gedicht van Wolkers dat in zijn archief is te vinden: ’Uit Parijs’. Hij schreef dat als zeventienjarige gereformeerde jongen op de Olympus typemachine van het distributiekantoor van zijn geboortedorp Oegstgeest, waar hij een baantje had. Het was een echt jongensgedicht, vol dromen over een verloren liefde. Toen Wolkers dit gedicht aan zijn beste vriend Jan Vermeulen liet lezen, schimpte die: „Schei toch uit met die onzin! Parijs! Je bent nog nooit verder geweest dan de Morspoort in Leiden!”

Ik vroeg Wolkers of hij in die tijd nog meer gedichten had geschreven. „Ja”, zei hij, „maar die laat ik je vandaag niet zien.” Hij wilde niet altijd met zijn verleden worden geconfronteerd. Niet zozeer omdat hij zich schaamde voor zijn jeugdwerk, maar omdat het hem onderdompelde in de sfeer van tijden, waarin hij zich niet altijd even gelukkig had gevoeld.

Na zijn dood gingen zijn weduwe Karina – die het beste de weg weet in het archief, ze wist het haar hele leven al beter dan Wolkers zelf – en ik het archief met een stofkam door op zoek naar gedichten. We troffen enkele tientallen onbekende en ongepubliceerde gedichten aan. Ze stammen zowel uit de jaren vlak na de oorlog als uit 1957, het jaar dat Wolkers in Parijs verbleef.

Vlak na de oorlog woonde Wolkers – nadat hij na een hevige ruzie door zijn vader het huis uit was gezet – op de zolder van het pand aan de Rijnsburgerweg 151, de weg tussen Leiden en Oegstgeest. Hij leefde daar samen met Maria de Roo, zijn eerste vrouw. ’Vanuit onze kamer,’ schreef Wolkers in een brief aan Wim de Kler, een vriend die als soldaat in Indië was gelegerd, ’die aan de achterkant gelegen is, heb je een prachtig uitzicht. Leidse Hout, daarachter de donkere bomen van Poelgeest, naar rechts de oneindige polder.’ Maria typeerde hij als ’een vrouw, met wie je kunt praten over de dingen die je ziel beroeren, en die de waarde weet van een gedicht van Bloem, gezegd voor het venster openstaande op een lauwe voorjaarsavond.’

Bij de brief, gedateerd ’14, bloeimaand, 1947’, stopte Wolkers ook het typoscript van een sonnet in de envelop: ’Hierbij een gedicht dat ik kort geleden schreef.’ Het gedicht heet ’Uitzicht’, beschrijft de blik over het landschap van zijn jeugd en is duidelijk door J.C. Bloem geïnspireerd: ’Spelende kindren in de voorjaarszon, / En in de verre tuinen vogelfluiten. / Al wordt geluk van later leed de bron, / Vandaag is dit geluk door niets te stuiten.’

Voor zijn vrienden was het geen verrassing dat Wolkers, die in die tijd als beeldhouwer werd opgeleid op de Kunstacademie in Den Haag, gedichten schreef. ’We wisten,’ schreef de journalist Hans van Straten, ’dat Wolkers een uitgesproken literaire belangstelling had. Van de Mei kende hij hele stukken uit zijn hoofd. Gorters sonnet ’Is dit het roepen van de morgen...’ was een van zijn lievelingsgedichten.’

Hans van Straten maakte op donderdag 19 januari 1950 het allereerste interview met Wolkers, in de Leidse editie van Het Vrije Volk. Wolkers vertelde daarin dat hij nooit een tegenstelling had gevoeld tussen zijn werk als beeldhouwer en het schrijven: „In dezelfde tijd dat ik met schilderen begon, ging ik mij ook voor de literatuur interesseren. Karrenvrachten poëzie heb ik toen verzwolgen, vooral veel van de Tachtigers.”

Vervolgens werd in het stuk ook een gedicht van Wolkers geciteerd. Vraag: „Mogen we in de krant een gedicht van u opnemen?” Antwoord: „Gaat uw gang, zoekt u maar iets uit.” Dat is het melancholieke gedicht ’Kleine herinnering’, dat eindigt met het beeld van een park in de schemering, het ’ruisen der wind’ en, uiteindelijk, met ’de eenzame kreet van een pauw’.

Eenzaam, dat voelde Wolkers zich in Parijs, toen hij daar een half jaar alleen in de leer was bij Zadkine. In de periode waarin deze gedichten ontstonden – het zijn er voor de spaarzame dichter Wolkers relatief veel, zeventien – was zijn leven buitengewoon moeilijk. In 1956 was zijn huwelijk met Maria de Roo op de klippen gelopen, om in maart 1957 officieel te worden ontbonden. Wolkers werd verteerd door schuldgevoel tegenover zijn eerste vrouw, die hij in een van de gedichten in de Seine zag drijven: ’als r.o. hier langzaam dreef / werd ik een zeepaard van weemoed / een cycloop van leem’.

Vlak voor zijn vertrek naar Parijs had Wolkers in Amsterdam Annemarie Nauta leren kennen, de vrouw die model stond voor Olga, ’die mooie rooie’ in Turks fruit. Hij was hevig verliefd, stuurde haar niets verhullende tekeningen, ’om haar te laten zien wat we zouden gaan doen zodra ze weer bij me was’, en schreef vurige liefdesbrieven uit Parijs, waar zij hem aan het einde van zijn verblijf zou komen opzoeken. Sommige regels uit de gedichten lijken op haar komst naar de stad te preluderen: ’kalkstenen vlinders vliegen naar je toe / de stad zegt met één oog de nacht gedag / straks vlieg ik op de vleugels van je rode haar /over de blauwe halswervel der stad.’

Uit beide stapeltjes gedichten, die nu kunnen worden toegevoegd aan Wolkers’ ’De Verzamelde Gedichten’, blijkt dat hij vooral bezig was om te experimenteren. Aanvankelijk liet hij zich vooral inspireren door de Tachtigers en de grote sonnettendichters. Later, in 1957, ging hij veel vrijer te werk en stopte zijn gedichten vol woordgrapjes, liet ’Arc de triomphe’ rijmen op ’benzinepomph’ of liet in Parijs de ’Condoom des invalides’ opduiken. Voor Wolkers moeten deze gedichten in de eerste plaats hebben gediend als exploratie van nieuwe mogelijkheden.

Pas in de jaren tachtig, nadat hij jarenlang gezwegen had als dichter, vond Wolkers zijn definitieve vorm. Zijn late poëzie vertoont grote samenhang met zijn late beeldend werk. Zoals hij beeldhouwde met woorden, zo dichtte hij met verf. Zijn gedichten zitten vol kleur, met name met sepia, lila en paars, maar ook ’wit als tandpasta’ – dat had Wolkers aan het einde van de oorlog gebruikt omdat hij geen witte olieverf meer kon krijgen. Honderden en honderden kleine dotjes, toetsen en klodders dwarrelen op zijn doeken naar beneden als sneeuw: ’Roert zich het marmer met een ijzig vlokken, / Boombast krimpt fronsend, de bejaarde nar, / Sardonisch grijnzend, loert de stammen langs.’

Al het werk van Wolkers, literair of beeldend, is geïnspireerd op de betoverende, verwoestende kracht van de natuur en komt voort uit het onvermijdelijke besef van vergankelijkheid. Niet voor niets luiden de laatste regels van zijn gedicht ’Na de zomer’: ’Het besef: Wij waren / Er even bij – / Een voetstap / Die geen echo achterlaat.’ Na Wolkers’ overlijden vond ik het beverige handschrift van dit gedicht in zijn verlaten atelier tussen de tubes verf, potten, penselen, een stukje stam van de berenklauw en een dode vlinder.

De Verzamelde Gedichten van Jan Wolkers verschijnen vandaag bij De Bezige Bij, euro 19,90.

De jonge Wolkers als beeldhouwer (links) en als dichter. Het gedicht schreef hij in 1957 in Parijs voor Annemarie Nauta, die model stond voor de roodharige ¿Olga¿ in ¿Turks Fruit¿. (Trouw)
(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden