Terug in Bowie's universum

Bijna tien jaar lang werd amper iets van hem vernomen. Geen optredens, geen interviews, geen muziek. Een popmusicus, een idool zelfs, was geruisloos opgehouden te bestaan. Hij had hartproblemen gekend. Hij was geopereerd.

Een uitnodiging om op te treden bij de opening van de Olympische Spelen in Londen vorig jaar - waar de hele Britse popgeschiedenis werd gecelebreerd - had hij afgeslagen.

Zelf had ik veel eerder al afscheid van hem genomen, muzikaal gezien. Zeventien, achttien was ik, toen zijn albums Hunky Dory en Ziggy Stardust verschenen; ze overweldigden me. Niet dat ik er veel van begreep, van 'Weird and Gilly' en 'Some cat from Japan', maar dat is het mooie aan popmuziek, je denkt dat het over iets wezenlijks gaat, speciaal voor jou geschreven. Het is jouw universum dat wordt verklankt, alleen jij hebt er de sleutel van. Hoe groter het raadsel, des te groter de magie.

Ik danste in het oosten van het land in een discotheek met een vrouw die ook zo'n sleutel had, die haar haar jongensachtig kort en een beetje wild had geknipt. Ze was David Bowie op de dansvloer. En ik was David Bowie. We waren twee Bowie-zielen. Shawltjes, gestifte lippen, poses. Zij was geen vrouw, ik geen man, we waren beide tegelijk. Het ging om bijna-aanrakingen, suggesties, erotiek zonder lijfelijk te zijn en koele nonchalance.

We hadden nog vijf jaar te leven, en konden doen wat we wilden, wat een verrukkelijk noodlot. Bowie hief de geslachten op. Een enkele keer hadden we seks, de vrouw en ik. Die was teleurstellend.

Ik volgde Bowie en zijn metamorfoses, via Ziggy en The Thin White Duke tot en met zijn Berlijn-albums - Low, Heroes en Lodger - die geloof ik nu tot zijn hoogtepunten worden gerekend. Maar met de meespelende Brian Eno en zijn gezwollen synthesizergeluid sloop bij mij de verwijdering binnen. Want eigenlijk, zo zag ik later, was Bowie bezig de popmuziek, met zijn strofen en refreinen, op te heffen. Berlijn opende voor hem de deur naar de kunst. Hij schilderde, hij acteerde.

Vorige week werd de muziekwereld verrast door een nieuw Bowie-nummer, volkomen onaangekondigd, waarin de inmiddels 66-jarige, terugblikt op zijn verblijf in Berlijn, tussen 1976 en 1979, toen hij aan de Hauptstrasse in Schöneberg woonde, een wijk die ikzelf later bij een langer verblijf zou leren kennen. Ik luisterde ernaar en daar was even dat universum terug, aangeraakt nu door melancholie.

'Where are we now?' zingt Bowie en in zijn stem klinken smart en hoop. De Amerikaanse kunstenaar Tony Oursler, wiens werk ik voor het eerst in de jaren negentig in Berlijn zag, maakte een clip bij Bowie's song. Bowie is alleen een gezicht, vertekend geprojecteerd op een pop, naast een eveneens geprojecteerd vrouwengezicht - opnieuw was een lijf overbodig.

Pas aan het eind van de clip zien we Bowie staan, in jeans en T-shirt. Hij oogt schuw, wegkijkend van de camera. Hij kruist onze blik niet. De dunne hertog is brozer geworden en set geen trends meer.

Prachtig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden