Terug in 1893

Het oudste museum van Nederland, het Teylersmuseum in Haarlem, is een tijdmachine, een stap terug in de negentiende eeuw. Een zeldzaam staaltje van conservering eigenlijk, waaraan ook de moderne uitbreiding niets af doet, integendeel, die houdt respectvol afstand.

Ik kwam voor de Tweede Schilderijenzaal. Die was, las ik in persberichten, teruggebracht in zijn oorspronkelijke staat, want kennelijk ging ook die behoedzame conservering in de loop der eeuwen niet zonder aanpassingen en veranderingen.

Teylers heeft twee schilderijenzalen; de oudste, uit 1830 (toen het museum al een jaar of vijftig bestond), was destijds bedoeld om een 'vertoonplaats' te zijn van levende Nederlandse meesters. Dus in al zijn oudheid - de beroemde ovale zaal was al uit 1774 - wilde het museum op het gebied van de schilderkunst een eigentijds, modern museum zijn.

De inrichting was ook eigentijds, met schilderijen in rijen boven elkaar aan de wanden, vechtend om aandacht, maar tot kalmte gemaand door een symmetrische rangschikking. Het is nog steeds te zien: linksonder een woest zeegezicht, rechtsonder van dezelfde schilder een kalm. Of linksonder een winters landschap en rechtsonder een zomers.

Een medewerkster van het museum wees me erop, gelukkig, want het was me ontgaan; wij van de 21ste eeuw zien in de beeldenvloed nauwelijks meer samenhang.

De Eerste Schilderijenzaal is dus een volle, kleinere zaal, met in het midden van de vloer twee grote radiatoren; ertussen staat nu, net als destijds, een grote tafel opgesteld, waaraan de bezoeker kan plaatsnemen om tekeningen ter hand te nemen en te bestuderen. En wat voor tekeningen, het zijn schetsen van Raphael en Michelangelo, en een bezoekster vroeg wat onzeker aan een suppoost of het echte waren. Nee, dat niet, die bevonden zich in het depot.

Toen de schilderijenverzameling groeide, moest het museum uitbreiden, en in 1893 ging de Tweede Schilderijenzaal open, groter dan de eerste. Kennelijk was ook de mode van ophanging veranderd, want de werken kregen nu meer ruimte.

Het was een beetje alsof je nu terugkeerde naar 1893 in die zaal. Een salon. Als nieuw, net als toen, al hingen er nu enkele schilderijen die toen nog gemaakt moesten worden. Minutieus onderzoek had aangetoond dat de bank in het midden, gebouwd rondom een verwarming, met een goudkleurige stof bekleed moest zijn geweest. De witte wanden werden weer met een terracotta-kleurig velours behangen; op de vloer een dempend dik sisaltapijt.

Het goud van de bank keerde terug in het goud van de lijsten aan de wanden, het toverde de ruimte om tot een groot foedraal, een sieradenkamer. Niet eens de kwaliteit van de werken maakte de salon tot een sensatie van tijd en ruimte, want je hoefde niet alles mooi te vinden (ook aan kunstwaardering knaagt de tijd); het was de almaar durende liefde die uit de inrichting van deze vertoonplaats sprak.

En natuurlijk, dat ene doek, dat weergaloze 'Aan de Lek bij Elshout' van Johannes Weissenbruch. Die gouden aankoop uit 1887.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden