Terrorisme is probleem van Europeanen

Nederland loopt voorop in het debat over terrorisme. Dat is mooi, maar écht nodig is de bereidheid ook in Europa een Amerikaanse melting pot toe te laten.

Een jaar geleden werd de keel van de Nederlandse filmmaker Theo van Gogh ritueel doorgesneden door Mohammed B., een in Nederland geboren moslim die vloeiend Nederlands sprak. Deze gebeurtenis heeft de Nederlandse politiek volledig getransformeerd, wat leidde tot verscherpte politiecontroles (maatregelen?), maar die nieuwe immigratie in het land bijna onmogelijk heeft gemaakt. Samen met de bomaanslagen in Londen op 7 juli (ook begaan door moslims van de tweede generatie, Britse burgers) zou deze gebeurtenis onze visie op de aard van de dreiging van de radicale islam dramatisch moeten veranderen.

We hadden de neiging om djihad- terrorisme te zien als iets dat voortkomt uit slecht functionerende delen van de wereld, zoals Afghanistan, Pakistan of het Midden-Oosten, en vervolgens naar westerse landen wordt geëxporteerd. Er is echter een goede reden om te bedenken dat de bron van de hedendaagse radicale islam niet in het Midden-Oosten ligt, maar in West-Europa. Net als Mohammed B. en de Londense bom- terroristen waren de aanslagplegers van Madrid en 11 september 2001 in Europa geradicaliseerd. In Nederland, waar ongeveer 6 procent van de bevolking moslim is, komt radicalisme veel voor, ondanks het feit dat het een modern en democratisch land is.

Het is een groot misverstandWe begaan (?) een groot misverstand als we de hedendaagse islamistische ideologie te zien als een uitdrukking van traditionele waarden en cultuur. In een traditioneel moslimland is de religieuze identiteit geen kwestie van keuze. Je ontvangt haar, samen met je status, gebruiken en gewoonten zelfs je toekomstige huwelijkspartner, van je sociale omgeving. In zo’n samenleving bestaat er geen verwarring over wie je bent, want je identiteit wordt je gegeven door alle maatschappelijke instituties, van de familie tot de moskee tot de staat.

Dat geldt niet voor een moslim die als immigrant in de voorsteden van Amsterdam of Parijs leeft. Plotseling ligt je identiteit op straat: je hebt schijnbaar oneindige keuzes om te beslissen hoe ver je wilt gaan met integreren in de omringende, niet- moslimomgeving. Dit identiteitsprobleem is voor de kinderen van de tweede en derde generatie immigranten bijzonder zwaar. Ze groeien op buiten de traditionele cultuur van hun ouders, maar in tegenstelling tot de meeste nieuwkomers in de Verenigde Staten, voelen slechts weinigen van hen zich waarlijk geaccepteerd door hun omgeving.

Europeanen bagatelliseren hun nationale identiteit ten faveure van een open, tolerante, ’postnationale’ Europeaniteit. Maar Nederlanders, Duitsers, Fransen en alle anderen behouden toch een sterk gevoel van nationale identiteit. En die is niet toegankelijk voor mensen uit Turkije, Marokko of Pakistan. Integratie wordt verder tegengehouden door rigide Europese wetten die het moeilijk maken voor nieuwe immigranten of hun kinderen om ongeschoolde arbeid te vinden. Veel immigranten leven van de bijstand, en zijn niet in staat om door arbeid aan de samenleving deel te nemen. Zij en hun kinderen beschouwen zichzelf als buitenstaanders. In die context verschijnt iemand als Osama bin Laden, die jonge bekeerlingen een universele, pure versie van de islam biedt, ontdaan van lokale heiligen, gebruiken en tradities. Het radicale islamisme vertelt hen precies wie ze zijn, namelijk de gerespecteerde leden van een globale moslim ’umma’ waartoe ze kunnen behoren ondanks het feit dat ze leven in een land van ongeloof. Religie wordt niet langer ondersteund, zoals in de echte moslimgemeenschap, door je te conformeren aan externe sociale gebruiken en voorschriften. Het is meer een kwestie van innerlijk geloof. Zo vergelijkt Olivier Roy het moderne islamisme met de protestantse reformatie, die eveneens religie naar binnen keerde en et ontdeed van zijn externe rituelen en sociale ondersteuning.

Als dit inderdaad een accurate beschrijving is van een belangrijke bron van radicalisme, dan volgen hierop verschillende conclusies.

In de eerste plaats is de uitdaging van het islamisme geen vreemde of onbekende. Een snelle overgang naar moderniteit heeft al langer radicalisatie tot gevolg gehad; we hebben exact dezelfde vormen van vervreemding gezien onder jonge mensen die in vorige generaties anarchist werden, bolsjewiek, fascist of lid van de Bader-Meinhof groep. De ideologie verandert steeds, maar de onderliggende psychologie niet.

De radicale islam is net zo goed een product van modernisering en globalisering als een religieus fenomeen; dat zou bij lange na niet zo intens zijn als moslims niet konden reizen, op internet konden surfen of op andere wijze losgekoppeld zouden raken van hun cultuur. Dit betekent dat het ’repareren’ van het Midden-Oosten door modernisering en democratisering te brengen naar landen als Egypte en Saoedi-Arabië het terrorisme niet zal oplossen, maar op korte termijn juist zal verergeren. Democratisering en modernisering van de moslim-wereld zijn op zichzelf wenselijk, maar Europa zal met terrorisme een groot probleem houden, onafhankelijk van wat daar gebeurt.

De werkelijke uitdaging voor de democratie ligt in Europa, waar het probleem is grote aantallen boze, jonge moslims te integreren, en dat zodanig te doen dat er geen nog bozere tegenreactie geprovoceerd wordt bij rechtse populisten. Er moeten twee dingen gebeuren. Ten eerste moeten landen als Nederland en Groot-Brittannië hun contraproductieve multiculturele beleid dat radicalisme verborgen hield afschaffen, en hard optreden tegen extremisten. Ten tweede moeten ze ook hun nationale identiteit opnieuw formuleren zodat deze toegankelijker wordt voor mensen met een niet-westerse achtergrond.

Het eerste is al begonnen. In de afgelopen maanden hebben Nederlanders en Britten (laat) erkend dat de oude opvatting van multiculturalisme gevaarlijk en contraproductief was. Liberale tolerantie werd geïnterpreteerd als respect voor groepen, niet voor individuen, waarbij sommige groepen zelf intolerant waren, door bijvoorbeeld aan hun dochters op te leggen met wie ze mogen trouwen of bevriend mogen zijn. Vanuit een misplaatst gevoel van respect voor andere culturen mochten moslimminderheden hun eigen gedrag reguleren, een houding die precies past bij de traditionele, corporatistische Europese benadering van maatschappelijke organisatie. In Nederland, waar de staat aparte katholieke, protestantse en openbare scholen ondersteunt, was het niet moeilijk om een moslim-’zuil’ toe te voegen die snel veranderde in een getto, afgesloten van de samenleving.

Nieuw beleid om de isolatie van de moslimgemeenschap te verminderen, zoals wetten om het importeren van bruiden uit het Midden-Oosten te ontmoedigen, zijn in Nederland ingevoerd. De Nederlandse en Britse politie hebben nieuwe middelen gekregen om opruiende geestelijken in de gaten te houden, vast te houden en weg te sturen.

Maar moeilijker zal het zijn om een nationale identiteit te modelleren die burgers van alle religies en etnische afkomst met elkaar verbindt, zoals de Amerikaanse geloofsovertuiging diende om nieuwe immigranten te verenigen.

Sinds de moord op Van Gogh zijn de Nederlanders een levendig en vaak onpolitiek debat aangegaan over wat het betekent om Nederlander te zijn, waarbij sommigen van immigranten eisen dat zij niet alleen Nederlands spreken, maar ook dat zij kennis bezitten van de Nederlandse geschiedenis en cultuur, die veel Nederlanders zelf niet hebben. Maar nationale identiteit moet een bron van insluiting zijn en niet van uitsluiting. Het kan ook niet gebaseerd zijn op eindeloze tolerantie en het ontbreken van waarden, waar de homoseksuele Nederlandse politicus Pim Fortuyn, die in 2002 vermoord werd, zich zo tegen verzette.

De Nederlanders zijn in ieder geval door de barrière van politieke correctheid heen gebroken die de meeste andere Europese landen ervan heeft weerhouden om zelfs maar een debat te beginnen over identiteit, cultuur en immigratie.

Veel Europeanen beweren dat de Amerikaanse melting pot niet naar Europa getransporteerd kan worden. Hun identiteit blijft geworteld in bloed, bodem en een antieke, gedeelde herinnering. Dit mag waar zijn, maar als dat zo is dan zal de Europese democratie in de toekomst in groot gevaar zijn als moslims een nog groter percentage van de bevolking uitmaken. En omdat Europa een van de slagvelden van de oorlog tegen het terrorisme blijft, zal deze realiteit er voor de rest van ons ook toe doen.

Francis Fukuyama is hoogleraar internationale politieke economie aan de John Hopkins Universiteit in Washington en schreef in 1992 het boek ’Het einde van de geschiedenis’. Daarin betoogde hij dat na de koude oorlog alleen de westerse liberale democratie als heersende ’ideologie’ overblijft. Dit (ingekorte) artikel verscheen eerder in de ’Wall Street Journal’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden