TERPDORPEN ONTSTONDEN OP DE BEGANE GROND

De tentoonstelling over het terpenonderzoek is tot en met 8 maart te zien. Het Fries Museum in Leeuwarden, Turfmarkt 24, is open van dinsdag tot en met zaterdag, 10.00 17.00 uur, zondags 13.0017.00 uur.

Tussen 1850 en 1900 komen er overal uit de provincies Friesland en Groningen dergelijke meldingen binnen bij het Fries Museum. Deze plotselinge toename in het aantal archeologische ontdekkingen in die periode had een belangrijke oorzaak. De vraag naar terpaarde als meststof was sterk toegenomen. Overal in het noorden van Nederland werden eeuwenoude terpen en wierden afgegraven. En het was onvermijdelijk dat daarbij restanten van vroegere bewoning werden aangetroffen.

"Datgene waarvan melding werd gemaakt vertegenwoordigde maar een fractie van alles wat er gevonden werd. Metalen voorwerpen, vooral kostbare zoals gouden munten of sieraden, werden meestal onderhands verkocht of omgesmolten. Andere voorwerpen werden gewoon weggegooid omdat de terpafgravers de waarde ervan niet inzagen, of ze gewoon niet opmerkten" , zegt drs. Evert Kramer, conservator bij het Fries Museum en voorzitter van de Vereniging voor terpenonderzoek.

Wat er werd gemeld betrof allemaal toevallige, losse vondsten. Van geen enkel stuk dat toen binnenkwam is de precieze archeologische context bekend. Pas rond 1890 won de gedachte veld dat de terpen wetenschappelijk onderzocht moesten worden, voordat het echt te laat zou zijn.

Een van degenen die zich als eerste inzette voor het wetenschappelijk onderzoek van de terpen was Mr. Boelens. Deze advocaat uit Leeuwarden begon met het systematisch verzamelen van de verschillende archeologische vondsten voor het Fries Museum. Bovendien deed hij, in navolging van de in die tijd in Duitsland opkomende belangstelling voor de prehistorie, een eerste poging om echt archeologisch onderzoek van de grond te krijgen. In 1905 werd op zijn aandrang door het Fries genootschap iemand benoemd om tijdens de afgraving van de terp van Hoogbeintum erop toe te zien dat geen archeologisch interessant materiaal verloren zou gaan.

Bij dat alles ging natuurlijk de commerciele exploitatie van de terp gewoon door. En door de manier van afgraven, in smalle stroken horizontaal naar beneden, bleek een goede archeologische registratie vrijwel onmogelijk. Grotere horizontale vlakken konden niet worden bestudeerd en ook grondsporen - onmisbaar bij het vaststellen van bijvoorbeeld huisplattegronden - werden nauwelijks opgemerkt.

Brief aan terpbaas

In Groningen was intussen A. E. van Giffen aangesteld om bij het afgraven van de terp van Dokwerd toezicht te houden. De keuze van Van Giffen bleek een gouden. Want niet alleen kweet hij zich uitstekend van zijn taak, hij was ook degene die anderen wist te overtuigen van het belang van systematisch terponderzoek. In 1909 stuurde hij een open brief aan alle eigenaars van terpen en wierden, terpbazen en terp- of wierdegravers in Friesland en Groningen. Daarin vroeg hij hen, alle oudheden die tijdens de afgravingen werden gevonden te verzamelen, en te registreren uit welk deel van de terp ze afkomstig waren. Zijn oproep had tot gevolg dat het aantal aangemelde vondsten sterk toenam en dat er voor het eerst enig inzicht in de vondstomstandigheden kwam.

Maar veel belangrijker nog voor de voortgang van het onderzoek was dat van Giffen in 1916 de Groningse industrieel Evert Jan Scholten (van het aardappelmeel) ervan wist te overtuigen de afgraving van zijn terp De Wierhuizen helemaal volgens wetenschappelijke beginselen te laten plaatsvinden. Daar werd voor het eerst het tempo van de afgraving niet door de terpbaas maar door de archeoloog bepaald. Daardoor kon van Giffen voor het eerst de plattegronden van een huis uit de late ijzertijd reconstrueren.

De opgraving van De Wierhuizen was zo'n succes dat Scholten besloot tot het oprichten van een vereniging die het wetenschappelijk onderzoek van de terpen en aanverwante oudheidkundige monumenten en vindplaatsen zou bevorderen. "De Vereniging voor terpenonderzoek" was hiermee geboren. Ter gelegenheid van het 75 jarige bestaan van de Terpenvereniging, zoals hij meestal wordt genoemd, is in het Fries Museum nu een tentoonstelling ingericht. Aan de hand van archeologische vondsten en veel historisch materiaal laat men daar zien hoe in die vijfenzeventig jaar het terpenonderzoek zich verder heeft ontwikkeld.

Van vlak naar hoog

Dankzij Van Giffen raakte het terpenonderzoek in Nederland in de jaren tussen de twee wereldoorlogen in een stroomversnelling. Het hoogtepunt daarbij was het onderzoek van de terp van Ezinge. Van Giffen slaagde erin om op deze ene plaats alle op elkaar volgende fasen van de nederzetting Ezinge te bestuderen en daarmee de ontwikkeling vanaf haar ontstaan te volgen. Dat was daarvoor in West-Europa nog nooit een archeoloog gelukt.

Uit het onderzoek van Ezinge bleek ook dat de bewoning daar niet op een hoogte is begonnen, zoals tot dan toe algemeen werd aangenomen, maar dat het in eerste instantie een vlaknederzetting was. Pas in een tweede fase van de bewoning is er sprake van ophoging, waaruit vervolgens in een aantal etappes de terp ontstond. Deze vorm van nederzettingsontwikkeling werd in de jaren daarna ook op andere plaatsen geconstateerd.

Friezen eerst

De door van Giffen veronderstelde ouderdom van de beginfase van de bewoning van het terpengebied, rond 500 voor Christus, is door latere opgravingen naar beneden bijgesteld. Daaruit bleek dat de eerste kolonisten het Fries/Groningse kwelderland al in de zevende of achtste eeuw voor Christus zijn binnengekomen. En deze eerste immigratie zou dan gevolgd zijn door een tweede golf rond 500 voor Christus.

Twee van de vragen die sinds de opgravingen in Ezinge alle terponderzoekers hebben beziggehouden, en die ook nu nog centraal staan in het debat tussen de archeologen, zijn: waar kwamen die eerste bewoners van het kweldergebied vandaan en hoe is de kolonisatie van dit gebied precies verlopen ? Waren de eerste bewoners Friezen, afkomstig van de geestgronden rond Hannover en vond de infiltratie plaats in westelijke richting, zoals Boelens al in 1940 veronderstelde, of kwamen zij van de Drentse zandgronden, waardoor het Friese deel van dit gebied als eerste bewoond raakte, zoals in 1952 door prof. Waterbolk werd voorgesteld? Is er werkelijk een verband tussen de eerste bewoners van het Fries/Groningse kustgebied en de bewoners van Westfriesland, hetgeen sommige archeologen op grond van de overeenkomst in een aantal gevonden vuurstenen voorwerpen mogelijk achten?

Een ander onopgelost probleem is dat van de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende (terp)nederzettingen. De eerste resultaten van de onlangs in Wijnaldum gestarte opgraving duiden op de aanwezigheid van een machtscentrum met daarom heen een aantal kleinere afhankelijke eenheden. De opgraving Wijnaldum is tevens het voorbeeld bij uitstek van het moderne terpenonderzoek.

"Het meeste onderzoek in het verleden werd verricht door individuele onderzoekers in het kader van noodopgravingen. De verschillende onderzoeken waren daardoor ook nauwelijks op elkaar afgestemd en het ontbrak vaak aan continuiteit" , zegt Evert Kramer. In Wijnaldum werkt een aantal onderzoekers samen, afkomstig uit verschillende disciplines. In het kader van dit grootschalige, meerjarige project zullen ook de resultaten van eerdere opgravingen opnieuw worden geinterpreteerd, om een nog duidelijker beeld te krijgen van de eerste bewoners van dit gebied.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden