Ter overname: Praktijk op platteland

Huisarts Jan Kersseboom in de tuin van zijn huis, met praktijk, in het Zeeuwse Kortenge. Niemand wil zijn solopraktijk overnemen. ( FOTO ROGER DOHMEN)Beeld Roger Dohmen

Huisartsen op het platteland kunnen nauwelijks opvolgers vinden. Pas afgestudeerden willen praktijken in landelijke gebieden niet overnemen, terwijl de behoefte aan zorg toeneemt.

Het is 1980. Jan Kersseboom, op zoek naar een huisartsenpraktijk, rijdt met vrouw en kinderen in zijn auto het Zeeuwse Kortenge binnen. „Allemachtig, wat een leuk plaatsje”, denkt hij als hij vanaf de dijk het stadje inrijdt. „Als ik hier eens aan de slag zou kunnen.”

Maar Kersseboom is niet de enige die er zo over denkt. Liefst negentig sollicitanten vervoegen zich in die dagen bij de dokter die zijn praktijk wil verkopen. Dat het Kersseboom uiteindelijk werd gegund, voelt achteraf nog steeds als een geluk. „Ik zou het zo weer doen, zo’n plattelandspraktijk: je bent een echte gezinsarts, doet van alles, van verloskunde tot stervensbegeleiding. Daarnaast heb ik ook nog een apotheek aan huis, dus heb ik een heel goed medicatieoverzicht.”

2010. Jan Kersseboom wil al drie jaar van zijn praktijk af. Het werk is hem te zwaar geworden. „Mijn lichaam trekt het niet meer. Ik ben nu 63,5 jaar en het raakt echt op.” Werkweken van gemiddeld 67 uur, daarnaast nog de nacht- en avonddiensten; het bezorgt hem fysieke klachten. Rugpijn bijvoorbeeld. En het herstel na een nachtdienst eist ook meer tijd dan vroeger. „Daarvoor heb ik echt twee dagen nodig. Maar je moet ondertussen wel voor de volle honderd procent kunnen functioneren.”

Maar ja, hoe kom je anno 2010 af van een goedlopende huisartsenpraktijk met 2200 patiënten in Kortgene, een stadje met 1800 inwoners? „Ik heb geadverteerd, heb een bemiddelaar ingeschakeld, er zijn in die drie jaar zes mensen langsgekomen. Maar in alle gevallen is het niks geworden”, zegt Kersseboom. Nee, goodwill hoeft er niet worden betaald. Noch zitten opvolgers vast aan een duur praktijkpand. „Als ze willen kunnen ze gewoon de bestaande praktijkruimte van mijn woonhuis huren. Maar niemand heeft interesse”, zegt Kersseboom.

Op dit moment heeft hij een waarnemer in de praktijk, een vorig jaar in Nijmegen afgestudeerde huisarts, Hisham Ali, van origine Irakees. Maar wat Kersseboom hoopte, blijft ook dit keer uit. „Hij had gesolliciteerd maar zei: ’Ik weet niet of het echt iets voor is, dus ik wil het eerst een paar maanden bekijken’.” Maar inmiddels weet ook Ali het zeker. Ook hij heeft geen interesse. „Hij woont eigenlijk in Arnhem met vrouw en twee dochters. Die gaan daar naar het gymnasium”, zegt Kersseboom. Er klinkt begrip door in zijn stem. Alhoewel: „Onze kinderen gingen daarvoor destijds op de fiets naar Goes, een half uurtje fietsen. De afstanden zijn misschien wel een nadeel – maar verder heb je hier ook alles.”

Het probleem van Kersseboom is niet uniek, zegt Steven van Kemenade, directeur van waarnemingsbemiddeling.nl. Bij deze vacaturebank is negentig procent van de werkzoekende huisartsen aangesloten. „We bemiddelen bij waarneming maar ook veel bij praktijkovernames, zo’n honderd per jaar. Dat verloopt de laatste twee jaar steeds moeizamer in Groningen, Drenthe, delen van Overijssel en Zeeland.”

Waarom? Van Kemenade heeft het over een mismatch: de pas afgestudeerde huisarts heeft iets anders in gedachte dan een solopraktijk op het platteland, het type praktijk dat juist in deze provincies vaak te vinden is. Volgens de jaarlijkse enquête van het Nivel, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, wil slecht vijf procent van de pas afgestudeerde huisartsen een praktijk in zijn eentje. De meesten willen een duo- (29 procent) of groepspraktijk (62 procent).

Van Kemenade: „Mensen willen nog wel een tijdje waarnemen in een solopraktijk, maar definitief overnemen is een andere zaak. Maar per saldo is het natuurlijk wel een probleem. De bevolking vergrijst en de zorgvraag neemt almaar toe, zeker op het platteland.”

Daarnaast is tegenwoordig ’mijnheer de dokter’ steeds vaker een vrouw: dat gold voor 72 procent van de 592 huisartsen die vorig jaar een praktijk zochten. Vrouwen denken vaak anders over werk dan mannen. Waar de laatsten doorhalen en buffelen vaak stoer vinden of ’nu eenmaal onderdeel van het vak’, weten vrouwen dat er meer is in het leven dan werk. „En tegenwoordig hebben beide partners een carrière”, zegt Van Kemenade. „Dat speelt uiteraard mee in de praktijkkeuze.” Heel anders dus als in 1980, toen Kersseboom met echtgenote en kinderen naar Zeeland verhuisde. „Mijn vrouw was onderwijzeres, maar die vond het hier ook zo leuk, dat ze haar baan opzegde om bij mij doktersassistente te worden”, herinnert de huisarts uit Kortgene zich.

„Eigenlijk speelt bij de huisartsenzorg in de plattelandsgebieden hetzelfde probleem als in achterstandswijken van de grote steden”, zegt Nivel-onderzoeker Lammert Hingstman. „Ook die zijn impopulair bij jonge huisartsen. Bijna veertig procent van de pas afgestudeerde huisartsen is niet bereid daar te werken, blijkt uit onze jaarlijkse enquête onder pas afgestudeerden. Met dat verschil dat de problemen in achterstandswijken zich na verloop van tijd wel weer oplossen, omdat er uiteindelijk toch wel iemand opduikt. Voor plattelandspraktijken lijkt dat anders te liggen, al zijn geen cijfers bekend die duidelijk maken hoe vaak daarvan sprake is.”

Het probleem van de plattelandspraktijk stelt Hingstman voor raadsels. „De opleidingscapaciteit van huisartsen is een aantal jaren geleden nog flink uitgebreid. En toch lijkt het niet te lukken om zonder veel problemen opvolgers te vinden.” Misschien wel omdat beide praktijken, die in de achterstandswijken en op het platteland, tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn, erkent Hingstman. In beide gevallen gaat het om immers om veeleisende praktijken, met zeer diverse zorgvragen. Daar moet je maar net zin in hebben.

Wat wil de huisarts in spe dan wel? „Die wil vooral een praktijk in het verstedelijkte platteland”, zegt Hingstman. En, zo blijkt uit zijn onderzoek, het liefst in de buurt van de stad waar ze ooit studeerden: waar huisartsen zich uiteindelijk vestigen, wijkt weinig af van deze voorkeur. Wie in Maastricht medicijnen studeerde, komt dus vooral in Limburg terecht. En wie in Leiden zijn bul haalde, gaat vooral vaak in Zuid-Holland aan de slag.

„Misschien is het daarom niet zo’n gek idee om, als je in de provincie Groningen problemen hebt met het vinden van huisartsen, je de opleidingscapaciteit van de universiteit Groningen vergroot”, suggereert de onderzoeker. Maar hoe dat met Zeeland moet? „Dat is toch een gebied dat traditioneel veel huisartsen aantrekt die zijn opgeleid in Rotterdam.”

Ondertussen lijkt er één type praktijk bovenuit te springen; de goedlopende praktijk in de betere wijk van de grote stad. Vorig jaar dook in vakblad Medisch Contact het verhaal op dat die praktijken zo gewenst zijn dat ze, met betaling van de nodige goodwill, binnen een dag van eigenaar zouden verwisselen. Al is het fijne daarvan moeilijk te achterhalen omdat het betalen van goodwill eigenlijk verboden is sinds de overheid via een speciaal fonds een einde aan deze praktijken maakte en huisartsen compenseerde voor hun goodwill-lasten.

Ondertussen heeft Jan Kersseboom de collega’s met wie hij een huisartsengroep in Noord-Beveland vormt verteld dat hij er nu echt per 1 september mee ophoudt. „Ze willen nog gaan praten met dokter Ali. Om te kijken of de praktijk nog voort te zetten is. Verder heb ik gezegd dat ik ze in ieder geval de zomer door wil helpen. En als het nodig is, wel wil waarnemen, dat is aanzienlijk lichter dan een eigen praktijk voeren. Want het vak blijft natuurlijk geweldig. Verder is het vooral afwachten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden