TER KRUISTOCHT!

“Binnen de islamitische wereld was er amper belangstelling voor het Westerse christendom of de Westerse cultuur. Men beschouwde de Frankische kruisvaarders als barbaren: grof, onhygiënisch, bijgelovig en onwetend. En dat waren ze ook.” Negenhonderd jaar geleden spoorde paus Urbanus II de Westerse christenheid aan tot een gewapende kruistocht.

Zo graveerden onlangs christelijke Armeniërs in hun strijd tegen de islamitische Azerbeidjanen een kruis op de loop van hun geweer. Dit ter herinnering aan het feit dat hun land door de kruistochten tot wederopstanding werd gewekt, en in de overtuiging dat het na de val van het communisme opnieuw fungeert als voornaamste bolwerk van christelijk Europa tegen de weer oprukkende Turks-Mongoolse 'horden'.

Omgekeerd was het bepaald geen toeval dat op 28 juli, drie dagen na de bloedige bomaanslag in een Parijs metrostation, een clandestien islamitisch blad (El Ansar) vanuit Zweden meldde dat de explosie “de hoofdstad van de kruisvaarders figuurlijk had doen schokken op zijn broze grondvesten”.

En er zijn veel meer voorbeelden aan te dragen waaruit blijkt dat de mythologie van de kruistochten mensen nog altijd beweegt: van de vermoorde joodse extremist Meir Kahane die het moderne Israël vergeleek met de oude kruisvaardersstaten, omspoeld door een zee van vijandige moslims, tot en met de Turk Mehemet Ali Agca die zijn aanslag op paus Johannes Paulus II motiveerde met: “ik wilde de hoogste aanvoerder van de kruisvaarders doden”.

Wie hierin een rechte lijn meent te bespeuren die bij de kruistochten begint, baseert zijn oordeel echter meer op een mythe dan op de historische realiteit. Zoals extreme moslims dat doen als ze westerse invloeden op hun cultuur gelijkstellen aan al-Salibiyya, de kruisvaart, of Europese 'deskundigen' die veel ingevreten vooroordelen jegens de moslimminderheid afleiden uit de kruisvaardersmentaliteit.

In een tijd waarin oude religieuze tegenstellingen tussen moslims en christenen actueel zijn, proberen aan beide kanten bepaalde stromingen de geschiedenis te herschrijven op basis van clichés en simplificaties. Nog steeds worden daarbij kerk en moskee misbruikt als tribunes voor het eigen 'historisch' gelijk.

Om de acht officiële kruistochten (1095-1270) te misvormen tot heilige oorlogen tegen de islam getuigt van eenzelfde eenzijdigheid als om de reactie van de moslims daartegen te bestempelen als “een bloedige jihad tegen de beesten uit het noorden” (pamflet van Egyptische moslimextremisten uit 1991). De werkelijkheid had veel meer grijze tinten dan de zwart-wittekening die men ons van sommige kanten voorhoudt.

Hoe kon het anders gebeuren dat na de bezetting van Syrië en Palestina door de kruisvaarders er bondgenootschappen ontstonden tussen Franken en Turken, veel christenmannen moslimvrouwen huwden (waaruit de invloedrijke christelijk-inheemse groep der Pullanen ontstond), en de onderlinge handel bloeide als nooit tevoren. Zeker, lang niet alles was koek en ei tussen de representanten van beide geloofsrichtingen, maar een beeld van uitsluitend haat, bloed en tranen biedt de geschiedenis van hun onderlinge betrekkingen niet.

Toen paus Urbanus II negen eeuwen geleden op het concilie van Clermont de Westerse christenheid aanspoorde tot een gewapende kruistocht, speelde het idee van een heilige oorlog tegen de islam geen rol. Urbanus had twee duidelijk omschreven hoofddoelen voor ogen: gehoor geven aan een dringend verzoek om hulp van de Byzantijnse keizer Alexius I, wiens gebieden in Klein-Azië onder de voet werden gelopen door de Turkse Seldjoeken, èn de verovering van Palestina. Daar maakten dezelfde Turken het de Europanen moeilijk die jaarlijks (en sinds het begin van de elfde eeuw in groeiende aantallen) hun pelgrimage naar de heilige plaatsen ondernamen en dit tot vóór de Turkse invasie van 1073 onder de Egyptische Fatimiden in betrekkelijke rust konden volbrengen. Zo trok de bisschop van Bamberg in 1064 met 13 000 pelgrims veilig naar het Heilige Land.

Het eerste motief - hulp aan Byzantium - vervaagde snel. De vierde kruistocht (1020-1204) zou zich zelfs in plaats van tegen de 'ongelovigen' tegen de 'ketterse' en 'arrogante' - cultureel veel meer ontwikkelde - Byzantijnen keren. De kruisvaarders veroverden Constantinopel, plunderden de prachtige stad gruwelijk en hielden haar tot 1261 in bezit. Hiermee een grote buffer tegen Turkse expansie verzwakkend.

Al snel werd het tweede, beperkte doel - de Heilige Plaatsten veilig stellen - dé inspiratiebron voor alle kruistochten die volgden. De gedachte aan een all-out war tegen de islam heeft daarbij nimmer de overhand gekregen.

Hetzelfde geldt voor de moslims. De lokale vorsten in het betrokken gebied zagen de westerse invasie als een nieuwe fase in een proces waarbij al eeuwen de ene bezetter de andere afwisselde. Er was nauwelijks sprake van treurnis om het verlies van de heilige plaatsen, er waren geen beloften in naam van Allah de verloren gebieden terug te winnen.

De Turkse veldheren Zengi, Nur-ad-Din en Salah ad-Din (tussen 1140 en 1200) waren de enigen die het begrip jihad op de kruisvaarders van toepassing verklaarden, maar dit idee van een heilige oorlog ebde na deze periode snel weg.

Wat de rest van de moslimwereld betreft, daar beschouwde men de militaire expedities van het Westen tegen Egypte, Palestina en Syrië slechts als mineure grensincidenten die als een veel minder gevaarlijke dreiging werden gezien dan de aanvallen van Turken, Mongolen en bedoeïnen. Terecht, want in tegenstelling tot wat de oude kronieken vermelden en door amateurhistorici als Karen Armstrong (Holy war - the crusades and their impact on today's world) nog steeds klakkeloos wordt overgenomen ging het bij de kruistochten niet om enorme troepenverplaatsingen, maar om operaties op beperkte schaal. Aan de eerste kruistocht deden zo'n 15 000 man mee, aan de tweede (1147-'49) niet meer dan 25 000 man.

In totaal woonden er hooguit 130 000 westerlingen in de kruisvaardersstaatjes Jeruzalem, Antiochië, Edessa en Tripoli. Dat dit kleine aantal Franken zich tweehonderd jaar in Syrië en Palestina kon handhaven lag behalve aan hun militaire vaardigheden vooral aan het feit dat het de moslimvorsten te lang niet lukte onderlinge tegenstellingen ondergeschikt te maken aan de herovering van het bezette land. Toen zij dat ten slotte, rond 1140, beseften was het met de westerse macht snel gedaan. Na de verpletterende nederlaag die Salah-ad-Din de Franken in 1187 bij Hattin (Palestina) toebracht - een van de drie afdelingen van PLO heet Hattin - speelden de westerse staatjes geen echte rol van betekenis meer in het Midden-Oosten.

Binnen de islamitische wereld was er amper belangstelling voor het Westerse christendom of de Westerse cultuur. Men beschouwde de Frankische kruisvaarders als barbaren: grof, onhygiënisch, bijgelovig en onwetend. En dat waren ze ook. Recent historisch onderzoek heeft eerdere opvattingen onderuitgehaald als zouden de kruistochten een grote invloed hebben uitgeoefend op de Westeuropese cultuur. Wat er toen al aan culturele beïnvloeding door de moslims plaatsvond liep via Spanje (Moren) en Sicilië (Arabieren), niet via het Midden-Oosten. De kruisvaarders in Palestina en Syrië pasten zich wel oppervlakkig aan qua kleding en gebruiken, maar alle verworvenheden van de Arabische filosofie en fysica gingen volledig aan hen voorbij.

Zelfs ten tijde van de val van het laatste christelijke bolwerk in het Midden-Oosten, Akko, lag de Westeuropese beschaving nog altijd lichtjaren achter bij de Arabische. Het deed bij moslims een superioriteitsgevoel ontstaan dat voortduurde lang nadat West-Europa in de vijftiende eeuw de achterstand had ingelopen en in een voorsprong omzette.

Terwijl het tijdperk van de kruistochten voor het Westen een economisch-culturele omwenteling inluidde, verviel het Oosten sluipend maar zeker tot verval en conservatisme. Na de kruistochten verplaatste het centrum van de beschaving zich even geleidelijk als onverbiddelijk naar het Westen. Tot op de dag van heden strijden Arabische historici onder elkaar over de vraag of hier een causaal verband ligt.

De Libanese publicist Amin Maalouf verdient het in dit verband uitvoerig geciteerd te worden. Hij schrijft in zijn boek Rovers, christenhonden, vrouwenschenners: “Door alle aanvallen schrompelde de moslimwereld ineen, werd onverschillig, defensief, onverdraagzaam, onvruchtbaar. Al die eigenschappen verergerden naarmate de ontwikkeling van de andere 'werelden' vorderde en de Arabische wereld zich steeds meer buitengesloten voelde. Moest ze haar culturele en godsdienstige identiteit behouden en zo het modernisme dat het Westen karakteriseerde verwerpen? Of diende zij juist vastberaden de weg van de modernisering in te slaan en het risico te nemen haar eigen identiteit te verliezen?

Noch Iran, noch Turkije, noch de Arabische wereld is er tot dusver in geslaagd dit moeilijke probleem op te lossen. En zo kan men nog altijd getuige zijn van een vaak onbeholpen afwisseling tussen geforceerde aanpassingen aan het Westen en overdreven pogingen tot behoud van eigen identiteit, waarbij alles wat daar vreemd aan is wordt geweerd.''

En: “Gefascineerd en tegelijkertijd verschrikt door de Franken die als barbaren bekendstonden, die overwonnen waren, maar die sindsdien er toch in slaagden de aarde te overheersen, kon de Arabische wereld de kruistochten niet simpelweg afdoen als een periode uit een voorbij verleden.

Het is verbazend hoezeer de houding van de Arabieren, en de moslims in het algemeen, ten opzichte van het Westen ook nu nog wordt beïnvloed door gebeurtenissen die zeven eeuwen geleden al geacht werden tot het verleden te behoren.''

Toen midden twaalfde eeuw de Arabier Ibn Djoebajr door het christelijke koninkrijk Jeruzalem trok zag hij tot zijn verbijstering dat in de buurt van Tyrus de moslimbevolking door de Franken beter werd behandeld dan haar broeders en zusters die in moslimstaten woonden. “Deze leden zwaar onder het onrechtvaardig bewind van hun geloofsgenoten.”

Met name tegen de sji'itische moslims traden de Turkse machthebbers, soennieten, veel harder op dan tegen de kruisvaarders (een feit dat Arabische historici meestal negeren). Omgekeerd waren de kruisvaarders vaak feller gebeten op de oosterse christenen dan op de moslims.

Zonder de feiten mooier te maken dan ze zijn - er werd tussen kruisridders en moslims vaak hard gevochten - was, in tegenstelling tot wat heden ten dage fundamentalisten ons willen doen geloven, de realiteit er eerder een van maatschappelijke samenwerking dan van diepgewortelde haat.

Zeker, de gruwelijke bloedbaden onder moslims en joden na de verovering van steden als Antiochië (1098) en Jeruzalem (1099) logen er niet om, maar daar staat het afslachten van christenen door de moslims na de herovering van steden als Edessa (1144) en Akko (1291) tegenover. Exemplarisch voor de onderlinge verstandhouding waren ze echter niet.

Nee, dan was de houding van patriarch Arnulf van Jeruzalem veel meer in overeenstemming met de werkelijke gang van zaken. Deze kreeg in 1114 een forse reprimande van paus Paschalis II omdat hij het huwelijk had ingezegend tussen een christelijke ridder en een moslimdame. En in 1216 beklaagde de nieuw benoemde bisschop van Akko, Jean de Vitry, zich bij paus Honorius III over het 'droeve feit' dat de Franken in zijn bisdom hun echtgenotes slechts één keer per jaar naar de kerk lieten gaan, maar hen drie keer per week naar de hamman (moslimvrouwenbad) stuurden.

Zelf knoopten de ridders relaties aan met moslimschonen, gingen gekleed in 'vrouwelijke' (oosterse) kleren, aten 'kleffe' (zoete) spijzen en vereerden plaatselijke relikwieën die ook bij moslims in hoog aanzien stonden.

Maar het ergste vond de bisschop dat de kruisridders zich ronduit uitspraken tegen de nieuwe kruistocht (de vijfde) die net was begonnen. Reden: ze waren bang dat dit de uitstekende handelsrelaties met de moslims zou bederven.

VERVOLG OP PAGINA 18

TER KRUISTOCHT! VERVOLG VAN PAGINA 17

Waarom liep het ten slotte dan toch mis tussen moslims en christenen? De verklaring ligt in het feit - en bisschop Jean de Vitry, een nieuweling in het Oosten, was daarvan het bewijs - dat de moslimvriendelijke houding van veel kruisridders atypisch was voor de opstelling van het thuisfront dat moslims voor perverse duivels hield.

In het Westen vormde een grof mengsel van onkunde en wanbegrip de brandstof voor het vuur waarmee allerlei ressentimenten tegen moslims werden aangewakkerd. Dat leidde er toe dat per tweevoudig conciliedecreet (1179, 1216) de totale breuk formeel werd afgekondigd: iedere christen die dienst deed in het huis van een moslim of zaken met hem deed, kon prompt rekenen op excommunicatie door de kerk en daardoor op maatschappelijke uitstoting.

Het was veelzeggend dat dezelfde decreten ook op de joden van toepassing werden verklaard. Want de simpelen van geest - en dat waren er in de elfde en twaalfde eeuw nog meer dan in onze dagen - zagen de joden als een soort huis-moslims. Geen wonder dat in de kruistochtentijd West-Europa met de eerste grote pogroms te maken kreeg, die overigens door paus en bisschoppen wel herhaaldelijk werden veroordeeld.

Waarom duizenden kilometers verderop Gods vijanden gaan bevechten en ze op je eigen drempel ongemoeid laten? Die 'ongerijmdheid' kon kerk noch vorst uit de verhitte koppen bannen. Te minder omdat de moslims, in tegenstelling tot de joden, in elk geval Jezus Christus niet hadden 'vermoord'.

Ook al kregen de kruisvaarders ter plekke vaak grote waardering voor hun moslimtijdgenoten, toch werd ook bij hen de grens snel bereikt als het om geloofszaken ging. Zo bleef bisschop Willem van Tyrus (1130-1186), kanselier van Jeruzalem, ondanks zijn vriendschap met moslims Mohammed beschouwen als een verleider, 'de eerstgeborene van Satan'.

Nee, de Duitse keizer Frederik II (1194-1250) die vloeiend Arabisch sprak, moslims tot zijn belangrijkste adviseurs benoemde en een intellectuele correspondentie voerde met sultan al-Kamil van Egypte, was met zijn interesse voor islamitische spiritualiteit een van de zeer schaarse uitzonderingen binnen West-Europa. Veruit de meesten beschouwden de islam als een christelijke ketterij die eerder bestreden dan bestudeerd diende te worden.

Toen Frederik Jeruzalem openstelde voor moslim-pelgrims haalde hij zich daarmee de woede op de hals van paus en westerse clerus. Interreligieuze coëxistentie kwam niet voor in hun woordenboek. Tot in de jaren zestig van onze eeuw zou de koran in de Vaticaanse bibliotheek worden bewaard op een plek die van oudsher 'de hel' werd genoemd.

Het feit dat menigeen ook nu de islam nog altijd ziet in termen van geweld, religieus obscurantisme en veelwijverij valt niet los te zien van bovenstaande mythevorming.

Tegen deze achtergrond sloeg de verbijstering toe toen reeds bij de rampzalige tweede kruistocht (1147-1149) bleek dat de overwinning op het 'beest' weleens langer op zich zou kunnen laten wachten dan de grote monnik Bernardus van Clairvaux het volk had voorgehouden. De verklaring dat men zo voor eigen zondigheid werd bestraft, bevredigde steeds minder toen de rampen bij de tweede tocht het voorspel bleken voor steeds grotere catastrofes. Gods nieuwe 'uitverkoren volk' dolf het onderspit tegen 'Satan'.

Het stelde het gezag van paus en bisschoppen, tot dan toe onaantastbaar, voor het eerst serieus ter discussie. Hier werd het eerste stukje geplaveid van de weg die ten slotte zou leiden naar het tijdperk van de moderne seculariteit.

De voortdurende militaire nederlagen en mislukkingen veroorzaakten bitterheid in de harten van hen die hun leven hadden gewijd aan Gods heilige zaak en nu moesten toezien hoe de hemel zich van hen afkeerde. Zoals een tempelier uit Akko, kort voor de definitieve val in 1291, het in een ironisch gedicht uitdrukte: “Een ieder die de Turken wil bevechten, is gek, want Jezus Christus bevecht hen niet langer. Ze hebben veroverd, ze zullen veroveren. Want elke dag slaan ze ons neer, in het besef dat God, die waakte, nu slaapt. En Mohammed neemt almaar toe in macht.”

De verontruste echo hiervan klinkt door tot in onze tijd. Europa heeft zijn moslimkater nog steeds niet uitgezweet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden