Ten diepste blasfemisch

„De schaamteloosheid van ’De duivelsverzen’ doet je vandaag de dag versteld staan”, schrijft de Duitse publicist Thierry Chervel. Sinds de fatwa is het toverwoord ’respect’ erg in zwang als het gaat om een westerse benadering van de islam. En we zijn er langzaam aan gewend geraakt.

De Koran zegt de waarheid – zegt de Koran. De Koran is een vertelling – zegt de roman ’De duivelsverzen’. Salman Rushdie plaatst de mythe in de setting van een schelmenroman, waarin de openbaring zich steeds opnieuw schikt naar de platvloersheid van de alledaagse politiek.

’De duivelsverzen’ werd geschreven op een moment dat de postmoderne corrosie van het begrip waarheid haar hoogtepunt beleefde. En dat is aan het boek te merken, met zijn wirwar aan wonderen, versies en visies. Maar de roman is ten diepste vooral blasfemisch – althans in de ogen van degenen die de waarheid in pacht hebben. Ayatollah Khomeini las ’De duivelsversen’ niet, maar hij hoorde van de oorlogsverklaring die het boek in zich draagt. Daarop handelde hij als de dondergod die in het boek zelf gekarikaturiseerd wordt. Maar met de kracht van zijn reactie had ook het postmodernisme geen rekening gehouden.

Was er ooit een vrediger tijdperk dan de jaren tachtig?

In 1968 was er nog een aanloop genomen tot een salto mortale van de wereldgeschiedenis, maar het eind van het liedje was dat men met het achterwerk op een leerstoel terecht was gekomen – inclusief pensioenregeling.

Een vrolijk ontwaken was het. Het postmodernisme was de vluchtheuvel voor iedereen die vanaf dat moment niet meer in de Grote Verhalen wilde geloven. In 1966 deed het nog een beetje pijn toen Michel Foucault de strijd tussen de hegelianen en de marxisten afdeed als een storm in een glas water. Maar nu had iedereen zich verschanst in een web van gelijkwaardige waarheden, zich aan elkaar spiegelende constructies en ironische verwijzingen. De kort daarvoor nog zo opgewonden theoretici van de wereldrevolutie verdeelden de bontgekleurde wereld over de snuisterijenkastjes van de systeemtheorie, het poststructuralisme en de genderstudies. De toestand leek stabiel. Niets was serieus. Lang voor ’Het einde van de geschiedenis’ van Fukuyama was het posthistorische tijdperk al aangebroken.

Tot op de dag van vandaag moeten de theoretici hun bloedneuzen laten verzorgen. Drie schokkende gebeurtenissen – eerst aids, toen de fatwa en vlak daarna de val van de Muur – zetten ze in de jaren tachtig met beide benen op de grond. Of dromen ze nog steeds?

De fatwa en de val van de Muur – daartussen bestaat samenhang. Zowel bij het communisme als bij de islam bleek dat het postmodernisme minder amusant is als het zijn subversieve kracht toont met een koppige claim op de waarheid. De Oost-Europese dissidenten waren, begrijpelijk genoeg, zeer geïnteresseerd in het idee dat zij slechts te maken hadden met een Groot Verhaal. Bij hen was dat Grote Verhaal werkelijkheid. Zij zaagden al aan de legende van het ’reële existeren’ toen de westerse generatie van 1968, die zichzelf als de avant-garde beschouwde, nog geloofde in een met geweld te bereiken andere wereld in deze wereld.

Toen de ene vorm van totalitarisme met een zachte oprisping in elkaar zakte, stak de andere zijn baardige kop al op. Wie in het jaar 2009 alleen de val van de Muur in herinnering roept, vertelt het halve verhaal. Met de banvloek tegen Rushdie richtte het islamisme – dat daarvoor nog een wat duister folklorisme uit verafgelegen landen had geleken – zich direct op het Westen om vanaf dat moment daar ook mee te regeren.

Het Westen reageerde oprecht geschokt. Auteurs verklaarden zich solidair. ’Maggie Torture’ – zo heet ze in ’De duivelsverzen’ – bracht de Britse burgers met behulp van haar geheime diensten in veiligheid. Als door een tovertruc verdween Rushdie jarenlang uit zicht. En waarschijnlijk leefde hij ook vandaag nog ondergedoken, als geëngageerde individuen en organisaties als ’Article 19’ niet permanent druk op westerse regeringen en Iran hadden uitgeoefend.

Al snel bleek dat de solidariteit grenzen kende. De media, bij uitstek de verdedigers van de waarden die hier op het spel stonden, reageerden panisch. In Duitsland deed Arno Widmann van de tageszeitung het voorstel dat alle landelijke kranten tegelijk het eerste hoofdstuk van de roman op de voorpagina zouden afdrukken. Zo zou de druk over meerdere spelers verdeeld worden. Frank Schirrmacher van de Frankfurter Allgemeine Zeitung was aanvankelijk enthousiast, de andere cultuurchefs laveerden. Ze verschansten zich achter de bazen, die hamerden op hun verantwoordelijkheid voor het personeel. De tageszeitung bleef op het laatst alleen over en werd door Ulrich Greiner in Die Zeit nog aangevallen omdat de krant de auteursrechten van Rushdie geschonden zou hebben. En hij schreef: „Daar ruist de laffe retoriek van de moed over ons land.” Maar de Berlijnse Akademie der Künste durfde het niet aan een voorlezing uit de roman te organiseren.

Het is niet anders dan op het schoolplein, als de grote de kleine in elkaar slaat. De toeschouwers zoeken een rechtvaardiging voor hun passiviteit en vinden die door het slachtoffer medeschuldig te verklaren. Zo werd er ook over Rushdie geroddeld. De demonstraties in Pakistan, India en Groot-Brittannië die aan de fatwa voorafgingen, zouden een gestuurde actie zijn om de roman te hypen. Rushdie riep veel jaloezie op. Hij was goed, hij was niet blank en hij had een ongehoord voorschot voor zijn boek gekregen. Nu was het de vraag of hij niet zelf voor zijn beveiliging moest zorgen.

Hoewel de cultuurbijlagen van de kwaliteitskranten het thema tot op de dag van vandaag uit de weg gaan, is de discussie over islam en islamisme in wezen een cultureel thema. De fatwa was een daad van censuur en heeft in de cultuur en de politiek van het Westen diepe sporen achtergelaten.

Het communisme manipuleerde, dankzij geheime diensten en corruptie, het openbare leven aan de andere kant van het IJzeren Gordijn. Het islamisme, hoewel het als systeem veel informeler functioneert, oefent op de breinen van westerse cultuur- en mediaproducenten een aanzienlijk efficiënter regime uit. De angst wordt met het toverwoord ’respect’ gerationaliseerd.

Het spelen met symbolen, dogma’s en dictaten van het christendom is in de westerse cultuur allang vanzelfsprekend. Datzelfde spel met islamitische symbolen ontzegt men zich sinds de fatwa uit ’respect’. Er is een enorme taboezone ontstaan, die door belanghebbenden en onder de welwillende begeleiding van westerse intellectuelen steeds opnieuw en steeds krachtiger wordt afgebakend.

Neem Tariq Ramadan, de islamitische Luther uit de stad van Voltaire en Rousseau. Een van zijn eerste daden was het verhinderen van de opvoering van Voltaires toneelstuk ’Mahomet’. Bevallig lachende hoofddoekdraagsters deelden in Genève pamfletten uit tegen het stuk. De stad haalde het van de planken. „U noemt het censuur, ik noem het tact”, zei Ramadan dankbaar.

De knievallen nog vóór er daadwerkelijk iets is gebeurd, zijn sinds de fatwa nauwelijks meer te tellen. Twee voorbeelden uit Berlijn. De directeur van de Deutsche Oper Berlin zegde een uitvoering van ’Idomeneo’ af, omdat de regisseur een beetje provocatief met symbolen van enkele religies – zeker niet alleen met de islam – had gespeeld. Er was weliswaar nog geen spatje protest geweest, maar de directeur had dit advies gekregen. En de algemeen directeur van enkele grote Berlijnse musea verhinderde zonder verdere opgaaf van redenen dat een werk van de kunstenaar Gregor Schneider voor het museum Hamburger Bahnhof werd opgesteld: een grote zwarte kubus die aan de Kaüba, het islamitische heiligdom in Mekka deed denken. Er klonk vrijwel geen protest. Schneider mocht zijn kubus toen in Hamburg neerzetten – en de hemel is niet naar beneden gekomen.

De Brits-Indiase publicist Kenan Malik beschreef eerder in deze krant hoe het óók kan aflopen, aan de hand van de roman ’Jewel of Medina’ van Sherry Jones. De Amerikaanse uitgever Random House trok deze roman over Aisja, de jongste vrouw van Mohammed, terug, nadat de islamwetenschapper Denise Spellberg het boek als ’beledigend’ had gekwalificeerd. Martin Rynja, de baas van de kleine Britse uitgeverij Gibson, gaf de roman alsnog uit – en moest toezien hoe zijn kantoor in brand werden gezet. Vóór de knieval van Random House was de roman helemaal geen thema. ’Respect’, aldus Malik, schept eerst zelf de monsters die het gunstig wil stemmen.

De westerse media faalden nog erger in de strijd om de Deense spotprenten van Mohammed. CNN en BBC lieten de tekeningen alleen achter rasters zien, alsof ze net zo ontoonbaar waren als kinderporno of een islamistische snuff video. Behalve Die Welt vermeden alle Duitse kranten een duidelijke afdruk van de tekeningen te plaatsen. In Der Spiegel was de hele pagina uit de betreffende Deense krant Jyllands-Posten op postzegelformaat afgedrukt.

De westerse media vonden het kennelijk niet nodig om hun publiek te informeren over het onderwerp van de strijd. Wie de karikaturen wilde zien moest ze op internet gaan zoeken. En dat terwijl de tekeningen de islam helemaal niet beledigen. Met zuinige mondjes verdedigden hoofdredacteuren en uitgevers het recht van de tekenaars om hun mening te uiten – om er meteen aan toe te voegen dat het wel slechte tekeningen waren, puur provocatief en het oproer niet waard.

Dat is niet waar. De tekeningen zijn vooral ironische variaties op de angst van de tekenaar voor precies hetgeen zich ook daadwerkelijk voordeed. Eigenlijk zijn ze beter dan de doorsnee dagelijkse kost op de opiniepagina’s. De cartoons zijn trouwens ook veel onschuldiger dan Rushdies ’De duivelsverzen’, die de blasfemie niet uit de weg ging. De taboezone is sinds de fatwa dus ruimer geworden. En de media hebben hun eigen tekenaars verraden.

Op het hoogtepunt van de cartoonrellen kwam de Nederlandse politica Ayaan Hirsi Ali naar Berlijn, om in een voordracht het recht van de tekenaars te verdedigen. Als dissidente van de islam knoopte zij aan bij de dissidenten uit Oost-Europese landen, die aan het eind beloond werden met de val van de Muur. Het gebaar werd niet begrepen.

Ayaan Hirsi Ali is het daarna in feite slechter vergaan dan Rushdie, die altijd verdedigd en beschermd werd. In 2004 had de jonge extremist Mohammed Bouyeri de filmmaker Theo van Gogh – die samen met Hirsi Ali de film ’Submission’ gemaakt had – met een mes een briefje op de borst geprikt: „Ik weet zeker dat jij, o Hirsi Ali, ten onder gaat/ ik weet zeker dat jij, o ongelovige fundamentalist, ten onder gaat.” Dit idioom raakte daarna in omloop. Auteurs als Ian Buruma en Timothy Garton Ash maakten het zich eigen, half bewust en half onbewust. Ze bestempelden haar tot ’Verlichtingsfundamentaliste’, tegenhanger van de islamisten – Garton Ash trok deze bewoordingen later terug.

Wat overblijft is de door haar tegenstanders steeds weer benadrukte zinloosheid van haar handelen: haar onverdraagzaamheid zou moslims in de hoek drijven. Haar afvalligheid zorgde ervoor dat ze elke binding verloren zou hebben, niemand meer vertegenwoordigde en dus ook voor de integratie van moslims niets meer zou kunnen betekenen. Het zou beter zijn om ons naar iemand als Tariq Ramadan te richten.

Toen Ayaan Hirsi Ali naar de Verenigde Staten ging wilde de Nederlandse regering niet langer voor haar beveiliging betalen. Ze bevond zich immers niet meer op Nederlands grondgebied. Kassandra was uit het blikveld verdwenen. God is groot.

Links Europa heeft niet om haar getreurd. Allang was ze ontmaskerd als de door reactionair rechts gebruikte nuttige idioot. En inderdaad had Hirsi Ali zich bij links niet meer thuis gevoeld – een frappante parallel met veel ex-dissidenten onder het communisme. Ook Rushdie moest vaststellen dat hij niet goed meer lag. Hij zag in ’De duivelsverzen’ de strijd tegen het racisme in Groot-Brittannië, tegen het hindoenationalisme in India en tegen het islamisme, als deel van een links project. Hij vergiste zich dubbel. Het islamisme heeft een universalistische pretentie, die het gevaarlijker maakt dan pure xenofobie. En links strijdt liever tegen de dissidenten van de islam dan tegen het islamisme.

Links heeft in het debat over het islamisme zijn principes opgegeven. Links stond voor het loslaten van zeden en tradities, maar waar het de islam betreft worden deze waarden in naam van het multiculturalisme weer in ere hersteld. Links is trots op de verworven rechten voor vrouwen, maar bij de islam worden hoofddoeken, gearrangeerde huwelijken en slaande mannen getolereerd. Links stond voor gelijke rechten, nu houdt het pleidooien voor het recht op onderscheid – en daarmee voor een onderscheid tussen rechten.

De zelfrelativering van het Westen na het koloniale tijdperk, aangejaagd door postmoderne en structuralistische ideeën, leidde tot cultuurrelativisme en een verlies van principes.

’De duivelsverzen’ van Rushdie zegt dat Verlichting niet tot kurkdroog rationalisme moet leiden. Het is een roman vol raadsels en wonderen, overladen met symbolen en postmoderne tamtam, bont als een Pakistaanse bus, bijna overspannen. Het boek is een razende, geïnspireerde, extreem ambitieuze daad van bevrijding. Een haastig naar binnen geschrokt broodje ham. De schaamteloosheid van het boek doet je vandaag de dag versteld staan. De Profeet heet ’Mahound’. De twaalf vrouwen van Mohammed worden gespiegeld in twaalf bordeelhoeren. Niet alleen Verlichting, ook blasfemie is de uitweg van de menselijke soort uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te danken heeft. Het hart klopt je bij deze daad van bevrijding in de keel, van euforie en paniek.

Deze roman doet je beseffen dat je kunt fietsen zonder zijwielen. Aan gene zijde wacht het hier en nu. Het idee is niet nieuw: deze roman van een immigrant roept Europa op om zichzelf trouw te blijven.

Maar Europa wil niet luisteren.

Vertaling Andrea Bosman

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden