TELOORGANG VAN HET HEILIGE

“Het heilige gaat teloor door de hoogmoed. De mens is een van God afhankelijk wezen. Dat wordt vergeten. De mens noemt zich onafhankelijk. Hij draagt zijn hoofd hoog als de toren van Babel. Vooraan gaan de intellectuelen die zich in hun eigen redeneervermogen hebben opgesloten.” Priester en kunsthistoricus Antoine Bodar over Leszek Kolakowski, Emmanuel Levinas en de carmeliet Titus Brandsma. Over intellectuelen en eenvoudigen. Over het heilige dat meer is dan het zedelijk goede. En over moderne mensen die niet zondigen maar hooguit eens een fout maken. “De os is geen stier. Hij stelt het zonder hitte van bronstigheid. De ezel is geen paard. Hij stelt het zonder adeldom van benen. Niet aan wijzen, maar aan eenvoudigen openbaart zich het geheim van het geloof, het mysterie van de menswording.”

Joseph ziet het mysterie aan. Voorzichtig ligt de ene hand op de rand van de kribbe, terwijl de andere tegen zijn hart rust. Hij begrijpt met het hart. Een herder verrast Maria en Joseph in hun stille overgave aan hetgeen het elementaire leven en de verstandelijke vermogens te boven gaat. Terwijl zijn makkers zich in de koude van midwinter warmen aan het vuur, wil hij nog eens komen spelen voor de deze nacht geboren Verlosser.

In de stal is geen vuur. Het Kind wordt verwarmd door de os en de ezel. Hun adem is Zijn warmte. Naar Jesaja (1,3): 'Een os kent zijn meester, de ezel de krib van zijn heer.' Het gezelschap van Jezus. De koppen niet in hovaardij geheven, maar in nederigheid gebogen. Gemoedelijk. De os is geen stier. Hij stelt het zonder hitte van bronstigheid. De ezel is geen paard. Hij stelt het zonder adeldom van benen. Niet aan wijzen, maar aan eenvoudigen openbaart zich het geheim van het geloof, het mysterie van de menswording. Dit geldt de mensen - het meisje Maria, de timmerman Joseph, de hoeders op het veld. Dit geldt ook de dieren - de schapen, de ezel, de os.

Het is Kerstdag op de voorstelling naar Hieronymus Bosch, de schildering uit de tijd dat al het heilige wordt verbeeld, zoals de historicus Johan Huizinga leert in Herfsttij der middeleeuwen: 'Daar is geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot Christus en het geloof wordt gelegd.' Deze tijd van de uitbloeiende moderne eeuwen kent noch de verbeelding noch de verwoording van het heilige. Noch in ding noch in handeling wordt de betrekking tot Christus en het geloof gelegd.

De duisternis van de nacht is geweken voor het licht van de dag. Een herder komt opnieuw aan om op de fluit zijn vreugde te uiten over Emmanuel, 'God met ons', Jezus, de Messias. De engelen zijn teruggekeerd naar de hemel. Zij, de gevleugelde vreugdebodes, bezingen de komst van het Licht, God, in de Persoon van de eerste Lichtstraal, Christus. Het Licht, toen gekomen in de duisternis en tot nu niet aanvaard. De echo van de engelenstemmen galmt evenwel ook nu na: Gloria in excelsis Deo. Et in terra pax hominibus bonae voluntatis. (Eer in den hoge aan God. En op de aarde vrede aan mensen van goede wil.) Goddelijke eer sluit menselijke vrede in - niet louter afwezigheid van oorlog, maar veeleer menslievendheid, door Christus geschonken, Zijn vrede. Aan elke verbintenis van mensen onderling gaat de betrekking van God tot mens, bewust of onbewust, vooraf. Een vergeten waarheid. Wellicht reden, waarom momenteel velen zich niet werkelijk durven binden.

De blikken van Maria en Joseph, os en ezel zijn gericht naar het Kind in de voederbak. Hun stilte is Zijn lofprijzing.

Hier voert de neergedaelde God de trotze weereld om met spot in Zijn triomf, tot smaad der hoven: Hier voert Hy 't nedrigh harte boven, met Hem in 't onverwinbre slot.

Zo legt Joost van den Vondel uit in het Amsterdamse treurspel Gysbrecht van Aemstel.

Hier schuilt dat godlijck Aengezicht, waeruit de zonne schept haer licht, en alle starren glans en luister. Hier leit Hy zonder glans in 't duister, Die englen tot Zijn' dienst verplicht.

Een tafereel van heiligheid, waarin de Heilbrenger enHeelmaker wordt aanbeden. Een wenking in de Heilige het heilige te overwegen, opdat hetgeen teloorgaat terugkeert.

De Litouws-Franse filosoof Emmanuel Levinas stelt vast dat het heilige niet meer wordt geëerbiedigd, terwijl de eis tot heiligheid meer dan ooit opgaat. Het spiritueel heilige, niet het mythisch heilige, dat wat de Fransen noemen saint, niet sacré. Jean Marie Vianney, de Pastoor van Ars die de schrijfster Georges Sand onder zijn biechtelingen trof, verwoordt de gewaarwording van heiligheid zo: Pour être saint, il faut être fou, avoir perdu la tête. (Om heilig te zijn, moet men gek zijn, het hoofd hebben verloren.)

De stap naar de heiligheid is de stap in het duister en laat zich dus nooit vooraf maar alleen achteraf verklaren. Het is een onherroepelijke stap die voor de wereld weerlegbaar en weersproken wezenlijk onweerlegbaar en onweersproken blijkt. Hierin toont zich menselijke zwakheid als goddelijke kracht, menselijk verlies als goddelijke winst. Wat voor de wereld zwak is, verkoort God uit om het sterke te beschamen, weet Paulus (1 Kor 1,27). God spreekt door de mens, brengt door hem heil, maakt door hem heel. De mens als dienstknecht van God, als pion van de Heer.

Heiligen wekken de zin voor het heilige. Daarom zegt Maria tot Gabriel (Lc 1,38): 'Mij geschiede naar uw woord.' Daarom heeft Stephanus, de eerste bloedgetuige, het gezicht van een engel en bidt hij voor hen die hem stenigen (Hnd 6,15.7,59). Daarom bidt de christen elke dag: 'Uw naam worde geheiligd' en 'Uw wil geschiede'. In het afzien van het tijdelijke vangt het aanzien in het eeuwige aan. 'Weest heilig', zegt God de Heer, 'want Ik ben heilig' (Lv 11,45). Dat wil zeggen: Luistert naar Mijn wil en richt u naar Mijn plan. Weest volmaakt zoals Ik volmaakt ben. Streeft naar volmaaktheid, ook al zult u die nimmer bereiken. 'Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien', schrijft Matteüs (5,8). 'Wie God wil zien, maakt zich rein zoals Christus rein is', schrijft Johannes (1 Joh 3,3). 'Wie oprecht is, zal Hem aanschouwen', schrijft de psalmist (11,7).

Heiligheid gaat samen met dienstbaarheid en offering, niet met maakbaarheid en twijfelzucht. Met het geloof in God verdwijnt het besef van Hem als de Heilige, het benul van Zijn heiligheid, de zin voor het heilige tout court. 'Wij moeten ons realiseren dat het heilige niet los verkrijgbaar is', benadrukt de filosoof Theo de Boer ('Letter Geest', Trouw 16 XII 95), sprekend over de natuur. Hij heeft gelijk. Het heilige is alleszins verplichtend en in heiligheid eerst vrij makend. Het heilige verplicht tot heiligheid. Zo ook tot heel laten van de natuur.

Voortgaand op Levinas' uitspraak dat het heilige niet meer wordt geëerbiedigd, maar slechts het ethische als onaantastbaar is gebleven ('Letter Geest', Trouw 29 IV 95), merkt Hubertus Ernst, emeritus-bisschop van Breda, in een onlangs (op 4 X 95) gehouden rede in het Amsterdamse museum Onse Lieve Heer op Solder op, dat 'bij het massal verloren gaan van het besef van het heilige (...) het ethische een dam kan opwerpen tegen de ontwaarding van de mens'. 'De ethische relatie, waarin ik mijn op mijzelf gerichte bestaan verander in een bestaan van toewijding, als reactie op de roep die in het Gelaat van de Ander tot mij komt', aldus Ernst, 'geeft niet alleen kennis van de mens, maar ook kennis van God.'

Zou dit wel zo zijn of leidt de wens de gedachte? Natuurlijk geeft ethiek toegang tot geloof in God, maar geenszins vanzelfsprekend, zoals moderne humanisten tonen. Zij bepleiten de menselijke waardigheid en aanvaarden de mens als maat der zaken. En hoeveel christenen beperken niet hun Godsbeseftot ethisch handelen, erop wijzend dat toch barmhartigheid en gerechtigheid eerste verbijzonderingen van Gods liefde zijn? Stellig. Maar geloof in God is meer dan zedelijkheid. Hetgeen de carmeliet Titus Brandsma in zijn rectorale rede te Nijmegen (op 17 X 32) omtrent het Godsbegrip heeft gezegd, lijkt mij juist van hedendaags belang:

'De mensen moeten weer God zien en in de aanschouwing Gods leven. Men noemt dit mystiek. Het zij zo. Ik kan dat zelfs toejuichen, als ik daarin zien mag de uiting van de waarheid, dat wij in de mystiek de verdere en hoogste ontwikkeling hebben te zien van hetgeen in de menselijke natuur potentieel is neergelegd (...) Uit de intuïtie van God in het innerlijke van alle wezen volgt dan gemakkelijk de bezieling welke daarvan moet uitgaan op de daad.' Aldus Brandsma. 'De daad is niet voldoende. Zij moet bewust uit de innerlijke inwoning Gods worden afgeleid, als door Hem in het innerlijke van ons wezen bevolen of geraden.'

Het heilige is meer dan het zedelijk goede. Het is de gewaarwording van de overweldigende God Die dwingend wenkt in Zijn totaliteit binnen te treden in eindeloze afhankelijkheid en in grenzeloze aanhankelijkheid jegens Hem. De mens verdwijnt. 'De ziel van de mens, gelijkend geworden met God, in God, verliest haar identiteit, neemt God in zich op en wordt daardoor teruggebracht tot niets, zoals dauw bij het opgaan van de zon', schrijft Eckhart.

Het heilige gaat teloor door de hoogmoed. De mens is een van God afhankelijk wezen. Dat wordt vergeten. De mens noemt zich onafhankelijk. Hij draagt zijn hoofd hoog als de toren van Babel. Vooraan gaan de intellectuelen die zich in hun eigen redeneervermogen hebben opgesloten. “Moeten we niet toegeven dat Gods wezen boven het bereik van onze verstandelijke vermogens ligt,” vraagt de Pools-Britse filosoof Leszek Kolakowski zich in zijn boek Religion (1982) af, “maar bovendien dat we, pogend over Hem te spreken in filosofische termen, niet kunnen ontkomen aan tegenstrijdigheid? Dit betekent dat ons verstand een nederlaag lijdt bij zijn pogingen God te begrijpen én dat het fundamentele beginsel van ons verstand kortweg geschonden wordt, zodat geloof tegelijk supra en contra rationem (boven en tegen de rede) is.”

De filosoof blijft voor de kennis van God achter bij de mysticus, weet Kolakowski. “Wat een filosoof met veel inspanning tracht uiteen te zetten in abstracte en diepzinnige categorieën, ziet een mysticus.” De Van der Leeuw-lezing van 1984 in Groningen over de illusie van de ontmythologisering besluit hij zo: “Alleen door het priesterschap, de profetie, door de handelingen van het levende geloof kan de menselijke deelname aan het heilige worden bewaard en versterkt. Intellectuelen zijn daarbij van geen belang.”

Deze stelling van Kolakowski heb ik als de zestiende toegevoegd aan mijn in 1987 aan de Amsterdamse universiteit verdedigde proefschrift in de filosofie met de vermelding dat zij de aandacht verdient onder intellectuelen. Niemand heeft ertegen geopponeerd. Maar misschien stellen intellectuelen geen belang in het heilige. Dat doen eerder de eenvoudigen.

Verbonden met de teloorgang van het heilige is de ontkenning van de zin van het lijden, de loochening van het kwaad en de afwezigheid van het zondenbesef.

Wie kent de zonden? De heiden kent de zonden niet. Alleen de gelovige kent de zonden. Waarom? Omdat God hem die door de Schrift heeft geopenbaard. Momenteel meent evenwel menig gelovige dat hij zonder zonden is. Hij leeft goed. Hij wast immers zijn auto, kust zijn vrouw, geeft de kinderen hun zin, werkt hard en gaat wel eens naar de kerk, metKerstmis zelfs elk jaar. Hoezo zonden?

Moderne mensen zondigen niet. Die maken hooguit eens een fout en zijn dan bereid de betrokkene verontschuldiging te vragen. We vergeven elkaar. Wat kunnen we meer doen? We zijn mensen. Zodra het over tekortkomingen gaat, zijn we 'ook maar een mens'. Maar wanneer de menselijke zelfstandigheid in het geding komt, zijn we het even unieke als autonome wezen waarvan eigenheid en onafhankelijkheid niet voldoende kan worden 'opgehemeld'. Doet iemand toch kwaad - wijzelf vanzelfsprekend niet -, dan ligt dat alleen aan opvoeding of milieu, werkkring of samenleving. Ook het kwaad is tot maakbaarheid teruggebracht. Dit is een kwestie van maatschappelijke regeling. Zo spreken de wijzen van de wereld.

Wat is het kwaad? Het kwaad (malum), zegt Thomas van Aquino, is de afwending van God (aversio a Deo). Hoe kan dus een mens, die louter een immanente en intermenselijke God belijdt, weet hebben van zijn verwijdering van God? De ook transcendente en majesteitelijke God, tot Wie de psalmist (51,3-4.17) bidt: 'Ontferm U over mij, God, naar Uw grote barmhartigheid. En naar de veelheid van Uw erbarmen verdelg mijn misdaad. Was mij geheel van mijn ongerechtigheid. En reinig mij van mijn zonde. (...) Heer, opent Gij mijn lippen. En mijn mond zal Uw lof verkondigen.' God is niet menselijk. Hij is goddelijk. Ik haal nog eens Vondel aan, nu zijn treurspel Lucifer.

Het ene engelenkoor vraagt:

Wie is het, die zoo hoogh gezeten, zoo diep in het grondelooze licht, van tijt noch eeuwigheit gemeten, noch ronden, zonder tegenwight, by zich bestaet, geen steun van buiten ontleent, maar op zich zelven rust?

Het andere engelenkoor antwoordt:

Dat's Godt. Oneindig eeuwigh Wezen van alle ding, dat wezen heeft, vergeef het ons. O noit volprezen van al wat leeft, of niet en leeft, noit uitgesproken, noch te spreken. Vergeef het ons, en schelt ons quyt dat geen verbeelding, tong, noch teken U melden kan. Ghy waart, Ghy zijt, Ghy blijft de zelve.

En alle engelen samen zeggen:

Heiligh, heiligh, noch eens heiligh, driemaal heiligh, eer zy Godt. Buiten Godt is 't nergens veiligh. Heiligh is het groot gebodt. Zijn geheimenis zy bondigh.

De mens, die staat voor de Heilige en in het heilige, Zijn heiligheid, wordt opgenomen, kan slechts uiten: 'Ik heb gezondigd.' Niet omdat hij Gods wetten heeft overtreden, maar omdat hij heeft gezondigd voor Gods aangezicht. Want God is beminnenswaardig om Zichzelf, niet omdat Hij de mens de zegen van de eeuwigheid heeft beloofd. Hij is doel, geen middel. Belangeloze liefde, gespeend van eigenbelang, is eerst recht liefde. Alleen genade geeft Gods aanwezigheid. Besef van eigen zondigheid doet het lijden aanvaarden, ook het schuldeloze dus plaatsvervangende lijden.

Behoort niet het lijden tot het wezen van de mens? Het wekt medelijden, ook eerbied, ook vrees. Wie ervaart dit niet oog in oog met de majesteit van de dood? Maar ook in het leven zelf. Wie herinnert zich niet de parabel van de beproefde Job, die ondanks eigen klachten en verwijten van de drie vrienden, zich overgeeft aan God, Hem trouw blijft, lijden aanvaardt, heil ontvangt en heel wordt in het aangezicht van de Allerhoogste, de Ene, de enige Heilige, van Wie al het heilige uitgaat?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden