Review

Telecommunicatie blijft mensenwerk

Ooit werd het dierenverhaal uitgevonden om menselijke eigenschappen makkelijker te kunnen benoemen: slim/dom, sociaal/egoïstisch, bescheiden/opschepperig, moedig/laf, ijverig/lui, trouw/ontrouw, enzovoort. Het verhaal was een aangename verpakking voor de boodschap die erin verborgen lag. Wie de oogst aan nieuwe dierenprentenboeken bekijkt, ziet dat het hierin nog steeds vaak om de moraal van het verhaal gaat, al is die gedifferentieerder uitgewerkt.

'De trouwe dienaar' is het nieuwe prentenboek van Max Velthuijs (73), zo langzamerhand de Grand Old Man van de moderne fabelschrijvers. Met zijn zeven kikkerboeken heeft hij de menselijke psyche zo gevoelig getypeerd, dat niet alleen kleuters van zijn werk genieten, maar ook volwassenen, all over the world zelfs. Hij geeft grif toe dat hij moralist is. Geen mens neemt het hem kwalijk.

'De trouwe dienaar' is geen fabel in traditionele zin, maar heeft wel een boodschap, een driedubbele zelfs. De eerste, expliciete boodschap heeft te maken met de oorspronkelijke opdrachtgever van het boek, de PTT, en luidt dat je brieven niet persoonlijk hoeft te brengen, maar gerust per post kunt versturen. De tweede boodschap, impliciet, luidt dat trouw beloond wordt.

Dat klinkt oersaai, maar Velthuijs heeft er een avontuurlijk en geestig reisverhaal van gemaakt. Daarin vertrouwt de dienaar (krokodil) van de koning (leeuwhond) de post niet, en gaat de brief van de koning aan zijn grote vriend in Amerika per fiets, benenwagen en roeiboot achterna, ontberingen lijdend en monsters verslaand als Odysseus.

Gelukkig geeft Velthuijs zijn opdrachtgever een plaagstootje. Dat mag ook wel na de alomtegenwoordigheid van de telecommunicatie te hebben geprezen door een werkende telefooncel midden in de woestijn te schilderen. Een postbode let even niet op, zodat zonder de persoonlijke trouw van de dienaar de brief nooit tijdig op zijn bestemming zou zijn geweest. Derde moraal, ook impliciet: telecommunicatie kan nóg zo geavanceerd zijn, uiteindelijk blijft het feilbaar mensenwerk. Velthuijs schildert dit alles op maxiformaat waarin vooral het ontzagwekkende van jungle, gebergte, woestijn en oceaan expressief verbeeld zijn, en de angst en uitputting van de eenzaam voortploegende dienaar daarin.

Ook 'De oren van Kaatje Kattenkop' van Marenthe Otten, en 'Kom nou, Bommes!' van Jane Simmons bevatten een duidelijke moraal, maar zonder irritant moralistisch te zijn. In 'De oren van Kaatje Kattenkop' gaat het om anders-zijn en toch geaccepteerd worden, op de manier van 'Een heel lief konijn' (1993) van Imme Dros en Jaap Lamberton: een jong konijntje blijkt kattenoren te hebben, wordt daar eerst mee gepest, maar ontmoet later iemand die dat juist prachtig vindt: een konijnenprins met een kattenstáárt. De tekst is wat braaf, maar de illustraties vallen op door originaliteit: quasi-naïeve, decoratieve prenten in gemengde collagetechniek en zachte kleuren.

'Kom nou, Bommes!', voor peuters vanaf twee jaar, heeft een voor die leeftijd overbekende boodschap: niet weglopen! Een nieuwsgierig, speels eendekuiken zwemt steeds van zijn moeder weg, vlinders en libellen achterna, is opeens alleen, ontdekt de gevaren van de grote wereld (snoek, roofvogel) en vindt gelukkig mama weer terug. De illustraties, die meer zeggen dan de summiere tekst, voorkomen dat het een sentimenteel verhaal wordt: forse - maar niet grove - schilderingen over twee pagina's in fris blauw en groen; weinig details, veel suggestie. Ze laten zien hoe spannend de wereld van sloot en plas is, en hoe bang en eenzaam je kunt zijn in de jungle van riet en water.

Twee dierenprentenboeken zonder boodschap zijn 'Een gat in mijn emmer' van het duo Ingrid en Dieter Schubert en 'Shanti de Zebra' van Mylo Freeman en Maartje Padt. De Schuberts schilderen vaak realistische dieren met menselijke manieren. 'Een gat in mijn emmer' is gebaseerd op een oud Duits volksliedje, gezongen door Harry Belafonte. Beer wil op een warme dag zijn grasklokjes water geven omdat ze zo slap hangen. Maar waarmee? Hij heeft alleen een emmer met een gat erin. Het aardige van dit boek is dat het een vraag stelt waar Beer en vriend Egel een dom antwoord op geven, zodat het kinderen prikkelt om iets beters te verzinnen. Na dat denkwerk is de laatste zin echt lachen. Bovendien is de vraag van Beer al verkeerd, want grasklokjes... juist. De Schuberts hebben dat expres gedaan, vertelt Dieter aan de telefoon, als grapje. Maar wie kijkt en vergelijkt ontdekt de clou vanzelf.

Tenslotte 'Shanti de Zebra', dat het verhaal vertelt van een zebrawijfje dat de kudde niet kan bijhouden als die vlucht voor een leeuw. Aan het eind van een lange, eenzame nacht krijgt ze een jong en vindt de kudde haar terug. Hier wel pratende dieren, maar ze zijn zichzelf, hoeven de lezer geen lesje leren. Ze leven in hun natuurlijke omgeving: het Afrikaanse landschap aan de voet van de Kilimanjaro, op de grens van savanne en regenwoud. Mylo Freeman (38), die in dit boek beter op dreef is dan in haar debuut 'Potje' (1997), geeft het op zich magere verhaal vlees en bloed door mysterieuze, filmische sfeerbeelden, geschilderd met nat-in-nat, door de ritmiek van zebrastrepen uit te buiten - bijvoorbeeld spiegelend in water - en door de combinatie van realistische dieren tegen een niet-realistische achtergrond: waar dat is gelukt is het resultaat spannend, suggestief; waar het niet gelukt is, komt het als nep over.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden