Teksten moeten worden gelezen in door en door joodse context

De auteur is emeritushoogleraar van de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Veeleer zouden zij een interpretatie zijn van de latere gemeente, die met name onder invloed van Paulus aan Jezus' dood een zodanige heilbrengende en plaatsbekledende betekenis zou hebben toegekend. Paulus zelf zou op zijn beurt deze gedachte weer ontleend hebben aan de hellenistische religiositeit van zijn dagen, zodat een der voornaamste geloofsartikelen van het christendom, concreter gezegd: hetgeen de kerk op Goede Vrijdag herdenkt, niet op Jezus zelf teruggaat, maar van heidense oorsprong is.

Prof. Versnel heeft voor deze bewering in hoofdzaak twee argumenten:

a) In de evangelien heeft Jezus' dood, behalve in de avondmaalswoorden nergens de heilsfunctie die er later aan wordt toegekend.

b) Hoewel het niet onmogelijk is dat deze opvatting van Jezus' dood als heilsdood reeds in de vroege gemeente leefde, moet met name de apostel Paulus als de schepper ervan beschouwd worden.

Ongegrond

Naar mijn overtuiging zijn beide argumenten volstrekt ongegrond. Als toelichting moet ik mij tot het volgende beperken.

Wat a) betreft - de evangelien - schrijft prof. Versnel, dat de uitspraak bij de avondmaalsinstelling bij Johannes ontbreekt. Dat klopt, want Johannes verhaalt deze instelling niet. Hij gaat, als laatste evangelist, zijn eigen weg, hij herhaalt alles niet opnieuw van voren af aan. Hij maakt een doelbewuste keuze voor hetgeen hij met zijn evangelie op het oog had, vergelijk 20: 30, 31.

Men moet daar echter geen negatieve conclusies uit trekken. Wat de betekenis van Jezus' dood aangaat is er geen evangelie waarin Jezus' zelfovergave in de dood ten behoeve van de wereld en voor de zijne met meer kracht op de voorgrond treedt dan in het vierde evangelie. Reeds op de tweede bladzijde van het evangelie wijst Johannes de Doper, tot twee maal toe met uitgestrekte vinger, de op hem afkomende Jezus aan met de woorden: Zie het Lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt, 1: 29,36. Een beroemde tekst, die over de heilsbetekenis van Jezus' dood geen enkel misverstand laat bestaan.

Ook zegt prof. Versnel, dat het (eveneens bekende) woord in 3: 16 niet naar Jezus' offerdood verwijst. Maar een vers eerder, in Joh. 3: 15 staat, "gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo ook de Zoon der mensen (aan het kruis) verhoogd moet worden opdat een ieder, die in Hem gelooft, in Hem (dus als de Gekruisigde) eeuwig leven heeft." En in dit licht zal men dus ook 3: 16 moeten lezen.

Duidelijker spreekt Jezus zelf nog over de heilrijke betekenis van zijn lichaam en bloed, als Hij in de 'brood-rede' in hoofdstuk 6, zichzelf 'het brood' noemt 'dat uit de hemel neerdaalt' en dan van dat brood zegt: "Het brood dat Ik geven zal, is mijn vlees, ten behoeve van het leven der wereld." En dan verder: "Voorwaar voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven. . . Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven" etc. Joh. 6: 51-59.

En om nog een voorbeeld uit Johannes te noemen (ik moet mij beperken): als Jezus van zichzelf spreekt als de goede herder, noemt Hij als voornaamste kenmerk: "Ik geef mijn leven voor de schapen" . . . Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg" etc., Joh. 10: 15 e.v.

Allemaal uitspraken die bewijzen hoe diep, alleen al in het vierde evangelie de heilsbetekenis van Jezus' dood verankerd ligt.

Nu zal prof. Versnel misschien ook hiervan wel weer zeggen, dat dit alles latere interpretatie is, 'hellenistische fascinatie van het martelaarschap', maar het ging er nu om of Jezus' dood in de evangelien nergens de heilsfunctie heeft, die er later aan wordt toegekend. In dit opzicht heeft hij dan toch het vierde evangelie wel heel slecht gelezen.

Later

In de andere evangelien ligt het in zoverre anders, dat Jezus' dood daar pas later en als het ware langzamerhand ter sprake komt.

Eerst is daar de proclamatie van het Koninkrijk van God, in Jezus' woorden en in daden: Jezus' zaligspreking van de armen van geest, zijn barmhartigheid, die uitging naar zieken en ellendigen. Dat was zijn heerlijkheid 'in het vlees', zoals Johannes het later zou noemen. Wel is daarbij van meet af ook de zonde der mensen betrokken. Zijn naam was Jezus. "Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden" , zegt Mattheus op bladzij een van zijn evangelie. En alvorens Jezus de verlamde in Matth. 9 geneest, zegt Hij: "houd moed, mijn kind, Uw zonden worden vergeven!" En Hij voegt er voor de geschokte schriftgeleerden aan toe: "opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonde te vergeven."

Stellig is dat alles nog geen plaatsbekleding. Pas langzaam wordt in de andere evangelien duidelijk, dat zijn zending in de wereld nog meer inhield dan zaligsprekingen en wonderen, dat die zending voor hem ook betekende dat Hij de weg naar het kruis en in de dood 'moest' aanvaarden. Van dat - van Godswege - 'moeten' staan alle evangelien vol.

Hoe dat zich in Jezus' zelfbewustzijn heeft voltrokken, zal niemand ooit kunnen zeggen. Wat ik wel weet is, dat Jezus niet begonnen is een soort van dogmatisch messiaans program bekend te maken, wat Hij van plan was uit te voeren. Soms krijg ik de indruk dat Hij dat had moeten doen om voor sommige geleerden meer te zijn dan een joodse rabbi. Maar 'in den beginne' was niet de dogmatiek, niet de gereformeerde, maar ook niet die van prof. Versnel, welke dan wel niet gereformeerd, maar daarom toch niet minder dogmatisch is dan deze.

Weg naar het kruis

In den beginne, ook van het evangelie, was het Woord en was de Daad, van Jezus wel te verstaan als de gezondene van de Vader. Maar tot die Daad in den beginne behoorde ook en behoorde steeds meer, dat Hij de weg naar het kruis moest gaan, als door de Vader hem gewezen. Eerder had Hij zijn zending niet 'volbracht', en was alles wat Hij gezegd en gedaan en vergeven had, zonder de kracht en betekenis gebleven waartoe de Vader hem gezonden had.

En in die context vallen ook de woorden die prof. Versnel Jezus ontzegt, omdat het dogmatische geloofsformules van de latere gemeente zouden zijn: "de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen." Zij vallen echter niet, zoals hij meent, "buiten de strekking van wat elders in het evangelie gezegd wordt over de oogmerken en de zending van Jezus" , maar zij geven juist op de meest authentieke wijze uitdrukking aan het stadium waartoe Hij in zijn zending gekomen was.

Nog veel sterker spreekt die context mee als men Jezus' avondmaalswoorden wil verstaan. Ook hier maakt prof. Versnel zich, geheel abstract en dogmatisch, van de historische situatie los waarin deze woorden gesproken zijn, als kwamen zij zo maar als Fremdkorper uit de 'hellenistische' lucht vallen.

Want waar en bij welke gelegenheid heeft Jezus deze woorden gesproken? Niet maar zo aan een maaltijd, maar aan het joodse pascha-maal. En dat was op zich reeds een offer-maal en een gedachtenis-maal, gehouden op de avond van de 14e Nisan, de dag waarop in de middag de vele vele paaslammeren geslacht waren, die 's avonds in al de huisgezinnen in Jeruzalem werden gegeten, met al het bijbehorende aan ongezuurde broden, wijn etc. Daar werd de uittocht uit Egypte herdacht, die, naar het oude verhaal uit Exodus, plaatsgevonden had, nadat de kinderen Israels, ieder voor hun huisgezin, een 'stuk kleinvee' hadden geslacht, om met het bloed daarvan de deurposten te bestrijken, opdat de engel van het verderf aan hun deur voorbij zou gaan (pascha = voorbijgang).

Joodse context

En het is in die - door en door joodse - context van het pascha als offermaal, waaraan men nadat de offers gebracht waren, at en dronk en het feest van de bevrijding vierde, dat Jezus zijn lichaam en zijn bloed aanwijst, als de spijs en drank van het nieuw-testamentisch zoenoffer en zijn discipel opdraagt voortaan de gedachtenis daarvan te vieren.

Met Euripides en Serapis, met Alcestis en de Romeinse gladiatoren heeft dit uitermate weinig te maken. Men kan als modern historicus dit alles maar een vreemd en onaanvaardbaar verhaal vinden, maar men zal, juist als historicus, de teksten moeten laten staan waar zij thuis horen en er niet mee aan de haal gaan.

Buiten die context is heel de gedachte, hoe iemand in een brood zijn lichaam en in een beker wijn zijn bloed kan aanwijzen als het eenmaal voor de zonde der wereld gebrachte offer, onverstaanbaar. Maar tegen die achtergrond worden de contouren van dit wonderbaar verhaal zichtbaar en de raadsel-woorden als 'offerterminologie' verstaanbaar.

Met name professor Jeremias heeft in zijn beroemde studie over 'Die Abendmahlsworte Jesu', in groot en deskundig detail, aangetoond, hoe heel dit verhaal van het laatste avondmaal getoonzet is vanuit de context van het joodse offermaal op Pasen en, in alle bescheidenheid, moge ik ook de lezing daarvan prof. Versnel eens aanbevelen.

Wanneer daarom Paulus, enkele tientallen jaren later aan de gemeente te Korinthe schrijft: "Want ook ons Pascha is voor ons geslacht; laten wij daarom feestvieren. . . met het 'ongezuurde brood' van reinheid en waarheid," (1 Kor. 5: 8), dan werkt hij niet met hellenistische zoendood-motieven, maar sluit hij, ook met 'zijn verstand', om zo te zeggen 'naadloos' aan bij wat voor hem de grondslag van zijn evangelie was: Jezus' eigen woorden (zie verder over hem beneden).

En als daarom de christelijke gemeente op Goede Vrijdag, al dan niet bij de viering van het avondmaal zingt: "U heilig Godslam, loven wij; Gij hebt voor ons aan het kruis geleden" , dan doet zij dat niet vanuit een 'simpele', 'naieve' en reeds lang door de wetenschap 'achterhaalde' opvatting, zoals prof. Versnel die wenst te kwalificeren, maar is zij ook 'historisch' stellig dichter bij de context van wat eenmaal in die opperzaal te Jeruzalem gezegd en gezongen is dan degenen, die in dit alles slechts her-ontdekte, Griekse muziek kunnen horen.

Paulus

En dan nog Paulus. Hij zou, volgens prof. Versnel, met name de 'schepper' zijn van het zoen-dood-motief in de evangelien. Evenals bij al het bovenstaande moet ik echter helaas concluderen, dat prof. Versnel ook hier het Nieuwe Testament zelf nauwelijks in rekening brengt. Want dan zou hij hebben kunnen weten dat hetgeen hij betoogt, door Paulus juist wordt weersproken.

Ik laat nu maar terzijde, dat Paulus een 'Grieks verstand' gehad zou hebben. In vroeger jaren heb ik onder andere Paulus' brieven aan de Romeinen en de Galaten door-geexegetiseerd. En dan weet men voor altijd, dat de schrijver daarvan meer aan de voeten van Gamaliel dan van een of andere Griekse dichter of filosoof heeft gezeten. Heel de gedachte reeds, dat het prijsgeven van het leven, plaatsvervangend en ten behoeve van anderen, enkel (of speciaal) uit de Griekse wereld zou stammen, lijkt mij absurd.

Als Jezus, aan het laatste avondmaal, te kennen geeft dat Hij moet sterven, wil Petrus daarvan niet horen en zegt hij: "Ik zal mijn leven voor U geven!" ('voor' u, Grieks: huper = ten behoeve van, in de plaats van), Joh. 13: 38. En "desgelijks spraken ook al de discipelen" , Matth. 26: 35. Ik kan moeilijk geloven, dat deze Galilese vissers, zonder het wellicht te beseffen, de taal van de Romeinse gladiatoren spraken. Even later, aan dezelfde maaltijd, zegt Jezus tot zijn discipelen: "Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden." Jezus betrekt dit op zichzelf (een bewijs te meer van het onder a) gezegde!), maar Hij refereert daarmee aan een blijkbaar ook onder joden geldende algemene ervaringswaarheid.

De enige, die in dit opzicht wat terughoudender schrijft, is Paulus en dat nog wel aan mensen uit de contemporaine hellenistische cultuur" , Rom. 5: 7: "Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven, hoewel iemand misschien nog de moed daartoe heeft."

Meegekregen

Van de 'fascinatie voor het martelaarschap terwille van een overtuiging', zoals die in die dagen in de Grieks-Romeinse wereld populair geweest zou zijn, wist Paulus, ondanks zijn 'Griekse verstand', dus niets af. Bovendien, als die fascinatie zo groot geweest was, wat voor kansen had hij dan juist in die wereld niet gehad met zijn prediking van Jezus, als degene die zich vrijwillig voor zijn overtuiging aan het kruis had laten slaan! Toch schrijft Paulus, dat die prediking voor de joden een ergernis, en voor de Grieken een dwaasheid was, 1 Kor. 1.

Maar dit alles 'slechts' in het voorbijgaan!

Fundamenteel is, dat Paulus inderdaad de grote prediker en theoloog geweest is, die het evangelie, dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar alle kanten heeft uitgewerkt. Dat kan men in alle theologieen van het Nieuwe Testament lezen. Maar wat men er ook in kan lezen - en dat had prof. Versnel toch ook wel mogen weten - is, dat Paulus niet de 'schepper' was van dit grondmotief van zijn prediking, maar dat hij dit van zijn voorgangers had meegekregen.

Paulus zegt dit ook zelf met zoveel woorden. Als hij in 1 Kor. 15, in zijn 'verdediging' van Jezus' opstanding uit het graf, de gemeente van Korinthe vermaant te blijven bij hetgeen hij hun aangaande Jezus had overgeleverd, expliceert hij dat nader met de woorden: "Want voor alle dingen heb ik u als overlevering meegedeeld, hetgeen ik zelf ook als overlevering ontvangen heb, namelijk dat Christus is gestorven voor onze zonden naar de Schriften" . Met andere woorden: die laatste woorden vormden voor hem het uitgangspunt van alle christelijk geloof, zoals hij dat ook zelf ontvangen had (men noemt deze woorden dan ook terecht 'de oudste confessie van de verzoening').

Zegsman

Nog sterker spreekt Paulus zich in diezelfde zin uit over de (door prof. Versnel als centraal punt van heel zijn betoog genomen) avondmaalswoorden. In 1 Kor. 11 releveert Paulus - tegenover het misbruik in de gemeente - de instelling van het Avondmaal. En dan zegt hij letterlijk: "want ik heb van de Heer als overlevering ontvangen, wat ik u ook als zodanig overgedragen heb, dat de Heer Jezus in de nacht in welke Hij verraden werd het brood nam" . . . en dan volgen instellingswoorden, woordelijk wel niet precies gelijk aan die in de evangelien (die onderling trouwens ook verschillen), maar zakelijk geheel met die in overeenstemming.

Letterlijk staat er dus eigenlijk, dat de Heer zelf zijn zegsman was, voor de overdracht van deze woorden. Men heeft zich het hoofd wel gebroken, hoe dat kon, omdat Paulus Jezus tijdens diens leven op aarde (wel) niet gekend heeft. Maar hoe dit ook zij, dat hij zich diep bewust was van 's Heren wege aan de Korinthiers Jezus' avondmaals-woorden te hebben overgedragen, mag men er voor 't minst aan ontlenen. En daarmee is dan ook uit Paulus' eigen mond aangetoond, dat hij niet met zijn Griekse verstand de schepper was van het evangelie van Jezus' zoen-dood was, maar dat de grondslag en het uitgangspunt van heel zijn grootse prediking van de verzoening, niets anders was dan hetgeen hij van de Heer zelf ontvangen had, niet het minst juist in de woorden, die Hij over het Avondmaal had gesproken.

'Waardig en bezadigd'

Het verhaal is wel wat lang geworden, zij het niet zo lang als dat van prof. Versnel. Ik aarzel om er nog wat aan toe te voegen. Van diezelfde Paulus is ook een woord overgeleverd, dat 'oude mannen onder meer waardig en bezadigd' moeten zijn, Tit. 2: 2. Ik heb daar moeite mee, als ik in de lijdensweken in de krant een - reeds eerder als 'te verwachten' aangekondigd - artikel moet lezen in die opmaak en die pretentie ('Het heil is uit de heidenen'), met het gekleurde beeld van Jezus in Gethsemane, doorgekruist met twee reusachtige balk-strepen (ten teken, dat het dat beeld niet kan zijn, waarin het heil te zoeken is); en met als contra-figuur op de keerzijde van het blad Romeinse gladiatoren, die zich bereid verklaren zich voor de keizer op te offeren, ditmaal niet doorgekrast, maar ter illustratie waar 'het heil' dan wel vandaan komt. En dit alles dan voorgedragen met een zelfverzekerde argumentatie, waarvan ik het gehalte in het bovenstaande enigermate heb getracht te schetsen.

Ik kan er nauwelijks 'bezadigd' bij blijven, ik vind het erg. En dat niet zozeer uit een oogpunt van religie, want waar iemand zijn heil wil zoeken staat hem onder mensen uiteraard vrij; maar wel uit het oogpunt, dat iemand met dt verhaal durft aan te komen als bewijs hoe heidens wij eigenlijk op de Goede-Vrijdagviering bezig zijn.

'Letter en Geest' heet dat dan in deze rubriek. Ja, ja, maar dt verhaal klopt noch naar de letter, noch naar de geest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden