Tekenkunst uit het reservaat

Het Rijksmuseum Twenthe in Enschede blikt dromerig terug op 85 jaar tekenkunst. De fine fleur van de Nederlandse avant-garde vond op papier meer vrijheid dan op doek.

Om conserveringsredenen komen werken op papier zelden voor langere tijd in het daglicht. Dat werkt niet erg stimulerend voor de waardering van de tekening, die het in populariteit toch al moet afleggen tegen haar geschilderde evenknie. Het versterkt bovendien de opvatting dat de tekening op papier zich in een reservaat bevindt, op een plek waar ze om verschillende redenen beschermd moet worden tegen de boze buitenwereld.

De makers van die werken op papier blijken zich bij die situatie wel te bevinden. Ze buiten alle mogelijkheden die ze op schilderslinnen niet kennen op papier volledig uit. En het leidt in de museale wereld tot indringende, maar zelden luidruchtige presentaties, die eerder voor de fijnproever dan voor de alles verorberende consument lijken te zijn bedoeld. Zoals de wat dromerige terugblik op de teken- en grafische kunst in een periode van 85 jaar die het Rijksmuseum Twenthe in Enschede nu heeft te bieden. Hoewel ook daar de recente dood van Ben Akkerman wordt gevoeld, konden zijn tekeningen jammer genoeg niet in deze tentoonstelling worden opgenomen; de genoemde periode loopt tot 1935.

Het Rijksmuseum Twenthe behoort traditiegetrouw niet tot de musea die met een constante stroom aan spectaculaire presentaties aan de weg timmert. Het beleid is eerder terughoudend, biedt de bezoeker voldoende tijd en ruimte en bovenal rust om met smaak de opgediende kunst te savoureren. De hele museale route is er op ingesteld: vanaf de ingangspartij, waar direct de oude meesters in een welhaast sacrale omgeving de aandacht vragen, kom je na een uitputtende wandeling in de nog altijd moderne vleugel voor de tijdelijke tentoonstellingen terecht. Deze ruimte verschilt in sfeer hemelsbreed van de eerder bezochte zalen. Niet alleen door de weidse zalen, maar ook door de soberheid van het onopgesmukte beton dat een welhaast industrieel effect aan de getoonde kunst geeft. Het moet ook gezegd worden: kunst van de 18de of 19de eeuw doet het hier goed, waarschijnlijk doordat juist met kunstlicht een behaaglijke sfeer wordt gecreëerd.

Die sfeer komt de presentatie van circa tachtig werken op papier zeer ten goede. Juist de omgeving waarin de kwetsbare bladen worden getoond, creëert een beeld dat de tekening een bedreigde diersoort is waarmee kunstenaar maar ook kunstkijker behoedzaam moeten omgaan. Aan de maker zal het overigens niet liggen: die gebruikt het papier juist omdat het hem zo veel vrijheid biedt die hij op doek niet snel zal vinden.

Maar de kijker wordt er wel door ontregeld. De periode 1850-1935 geldt immers als een tijd van snelle omwentelingen, niet alleen in de politiek maar zeker ook in de kunst. Vlak voor de jaren twintig van de 20ste eeuw deed de volledig abstracte kunst haar intrede, een feit dat de wereld al even ingrijpend heeft veranderd als het eerste vliegtuig, dat kort na de eeuwwende opsteeg, of de fotografie, die kort voor 1850 in verschillende vormen tot stand kwam.

Het Enschedese museum heeft in zijn collectie werken op papier van de fine fleur van de Nederlandse avant-garde weten aan te schaffen. Het zijn niet de minsten: een rond 1920 volledig constructivistisch werkende Carel Willink, de nog deels herkenbare Piet Mondriaan, Lou Loeber en Jan Buijs en de immer intrigerende Jacoba van Heemskerck.

Zouden hun schilderijen hier getoond worden, dan waren hun bedoelingen klip en klaar geweest. Ze zouden zich dan voegen in de discussie wat de waarde van de kleur is (Mondriaan sprak over de niet-kleuren zwart en wit, die juist zo’n grote rol in de getekende voorstelling spelen), wat de relatie van de vorm tot de lege ruimte is en meer van zulke twistpunten.

Bovendien, als schilders zetten ze zich af tegen de generaties voor hen en dat waren van die vastgelopen (post-)impressionisten die een heel ander belang aan licht en dus ook aan kleur gaven. In de tekenkunst is daar geen sprake van.

De abstracten op papier konden met die discussies over licht en kleur en de overgang van herkenbaarheid naar non-figuratie niet zo veel. Misschien staat hun werk daarom niet zo ver af van de generatie tekenaars waar ze uit voortkwamen. Dat waren tekenaars als Matthijs Maris, Rodolphe Bresdin (niet alleen de leermeester van Odilon Redon maar ook een van de spannendste kunstenaars van de 19de eeuw), maar ook Isaac Israëls en Rik Roland Holst.

De aanwezigheid van Isaac Israëls op deze tentoonstelling is nog extra bijzonder. Van deze volbloed impressionist (de enige Frans getinte Amsterdammer) verwacht je niet snel dat hij met dezelfde zwier tekent als schildert. Toch probeerde hij juist in de tekentechniek en met het opgeven van basiselementen als licht en kleur een momentane sfeer op te roepen.

Voor al deze tekenaars en grafici gold dat ze de tekening niet als een reproductiemiddel voor hun schilderijen beschouwden, noch haar als een goedbedoeld surrogaat voor het linnen zagen. Evenmin waren ze uit op een natuurgetrouwe weergave zoals de topografische tekenaars voor 1850 dat wel waren. Ze trokken er ook niet op uit om met hun schetsboeken het landschap voor het ezelstuk in het atelier vast te leggen, maar schiepen in datzelfde atelier een volledig autonome wereld. De rijkdom die daardoor is ontstaan, viel het Rijksmuseum Twenthe met een sierlijke plof in de schoot toen het museum in 1993 bedacht werd met de schenking-Levisson, die de meeste werken uit deze expositie omvat. Karel Levisson (1917-1999) was oprichter van de Vereniging van Vrienden van het Rijksmuseum Twenthe, maar bovenal moet hij een breed georiënteerd kunstliefhebber zijn geweest die geijkte oordelen trotseerde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden