Tekeningen van Bosch, Durer, Rembrandt, Rubens, Watteau en Cezanne in overvloed bijeengebracht De tentoonstelling 'Van Pisanello tot Cezanne - Meesterwerken uit het tekeningenkabinet van Boymans-van Beuningen' is te zien t/m 12 juli in Museum Boymans...

ROTTERDAM - Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam bezit een tekeningenkabinet waarvan de deuren zelden van het slot gaan. Waar de schilderijen in al hun pracht 'op zaal' worden gehangen, daar krijg je de tekeningen nauwelijks te zien. Ze zijn zo delicaat, dat ze eigenlijk voortdurend opgeborgen moeten blijven. Dat heeft als gevolg dat de mooiste bladen tot de meest onbekende onderdelen van de museale collectie behoren.

CEES STRAUS

Met een groeiende belangstelling voor de (oude) tekenkunst neemt ook de vraag van buiten toe om delen uit deze collectie te tonen. Om aan zo'n dringend verzoek te voldoen, liet Boymans in de afgelopen maanden aan bezoekers van drie Amerikaanse musea een uitgelezen selectie zien. De expositie, die een overzicht biedt van bladen vanaf de de tweede helft van de 15e eeuw tot en met de vroege 20e eeuw en daarom toepasselijk 'Van Pisanello tot Cezanne' werd genoemd, betekent een ware schat voor het Rotterdamse museum.

Dat vond ook het Amerikaanse publiek: nadat respectievelijk New York, Fort Worth en Cleveland door de expositie waren aangedaan, stond het bezoekcijfer maar liefst op 150 000. En dat is meer dan menige tentoonstelling van schilderkunst vermag te trekken.

Nu de tekeningen teruggekeerd zijn, brengt Boymans ze voor het eigen publiek. De expositie, aangevuld met een aantal zeer fragiele en daarom niet uitleenbare bladen en een mooie keus uit de collectie grafiek, vormt daarmee een bijzonder soort thuiswedstrijd. Het Rotterdamse museum bewijst ermee dat ook exposities uit eigen bezit een groot kijkgenoegen kunnen verschaffen, mits ze aan dezelfde kwaliteitscriteria voldoen die aan kunst die van elders moet komen, wordt gesteld. In het geval van de eigen tekeningen kan dat ook gemakkelijk: ze zijn eenvoudig van een subliem gehalte.

Het is dan ook niet mis wat Boymans voor in stelling brengt: werk van Bosch, Durer, Rembrandt, Rubens, Lorrain, Watteau en Cezanne is zelden zo overvloedig samen te zien. Door overwegend uitgewerkte bladen te kiezen, is deze tekenkunst evenwaardig aan de schilderkunst geworden. Niet de krabbels, de schetsjes en de kleine experimenten kregen de aandacht, maar de volwassen, vaak zelfs al beproefde tekenresultaten.

Eenmaal in eigen huis is het toch al niet geringe aantal toppers verder aangevuld. Daar is ook een keus uit het grafiekbezit gemaakt. Met ruimere grenzen trouwens: Cezanne bevindt zich niet op het lijstje van het museum, maar wel Picasso, die in het grafiekkabinet met duizend, ooit per abonnement verzamelde bladen goed vertegenwoordigd is. Zijn grafiek vormt op deze expositie een openbaring; hoewel dit werk in het verleden wel vaker te zien is geweest, verrast elke keer de virtuositeit die hij in deze zo specifieke druktechniek aan de dag legde.

Boymans heeft op gebied van de tekenkunst op een zodanig veelzijdige manier verzameld dat de Nederlandse kunst een vergelijk kan doorstaan met die uit het buitenland. Het internationale karakter dat het verzamelen altijd heeft gehad, zorgt voor een min of meer representatief overzicht van de tekenkunst, al zal er in bepaalde sectoren zoals bij de Italianen en de Angelsaksische (die nu geheel ontbreekt) nog wel het nodige op het verlanglijstje blijven staan.

De vraag wat het kwaliteitsniveau van zijn tekeningenbezit is, beantwoordt Boymans direct al bij de entree van dit overzicht. De keus om met de Duitse school te beginnen is ijzersterk: met Martin Schongauer, Albrecht Altdorfer, Matthias Grunewald (bekend als de schilder van het Isenheimer-altaar in Colmar) en Albrecht Durer (met werk afkomstig uit de zogeheten Koenigs-collectie die in de nadagen van haar bestaan door de DDR aan de Nederlandse staat werd teruggeven) worden meteen hoogtepunten uit de vroege Renaissance neergezet.

Zoveel tekengeweld doet de vergelijkbare afdeling Nederlandse primitieven niet goed. De kwaliteit van met name de portretten van Schongauer en Durer doet die van de 15een 16e-eeuwse Nederlanders eenvoudig verbleken. Al dwingt een ontroerend portretje van een onbekende jonge vrouw, door Petrus Christus gemaakt, je tot stilstand. Christus maakte ook als schilder een aantrekkelijk oeuvre, dat zelden onder de aandacht wordt gebracht. Dit portretje is aan veel grotere meesters als Hans Holbein, Rogier van der Weyden en zelfs Jan van Eyck toegeschreven geweest. Geen geringe namen, die die van Christus, nu het blad met vrij grote zekerheid aan hem kan worden toegeschreven, een flinke opwaardering bezorgen.

Uit de niet oninteressante late 16e eeuw, die als opmaat voor de zo rijke Gouden Eeuw kan worden beschouwd, biedt Boymans nog tal van onbetwiste topstukken, waarvan Hendrick Goltzius de meeste voor zijn rekening neemt. Ook voor deze in Haarlem werkzame schilder geldt dat onderzoek in de laatste jaren tal van nieuwe toeschrijvingen aan het daglicht heeft gebracht.

Zo bezit Boymans een mooie Offerscene waarvan pas sinds een kort aantal jaren bekend is dat zich aan de achterzijde een tweede tekening bevindt. Het is niet meer dan een summiere krijtschets, die echter van groot belang is voor de datering van de voorstelling aan de voorzijde.

Dat Boymans van de 17e-eeuwse Nederlandse kunst een specialisme heeft gemaakt, bewijst naast het aantal belangrijke schilderijen ook dit tekeningenoverzicht. Namen van Noordnederlanders als Jacob van Ruisdael, Abraham Bloemaert, Adriaen van Ostade, Rembrandt (met een uitgebreid ensemble), Pieter Saenredam, Nicolaes Maes vinden hun tegenpolen in Vlaamse collega's als Pieter Paul Rubens, Anthonie van Dijck, Jacob Jordaens en Lucas van Uden. Hier overweegt nu wel het studiemateriaal: bladen vol gebogen mannenruggen, of de uitdrukking van een gestrekte hand, een elegante plooival van een kleed, snel neergezet. Beurtelings zijn het bladen met overwegingen, met onderzoek, een aftasten van wat kan of dreigt te mislukken, anders dan de gedetailleerde voorstellingen die hun Hollandse collega's maakten. Hoezeer er al in de 17eeeuw sprake was van een internationale stijl, bewijst een vergelijk tussen bijvoorbeeld de Vlaming Rubens en een Italiaan als Annibale Carracci, die beiden zoeken naar de spanning die de lijn van een gebogen rug, een overhellende tors kan bieden.

Ook bij de Italianen (met veel schets- en studiemateriaal van Fra Bartolommeo, Pisanello en Giorgione), de Spaanse school (met Francisco de Goya) en de Fransen (Claude Lorrain, Jean-Antoine Watteau, Francois Boucher en Jean-AugusteDominique Ingres) is niet op een naam meer of minder gekeken. Al wreekt zich daar het feit dat je weet dat je bijvoorbeeld voor een Michelangelo of een Rafael toch naar Teylers Museum in Haarlem moet, om een indruk te krijgen van zulke hoogtepunten . . .

Door de keuzes per periode, met elk land apart, te presenteren, ontstaat soms mooi vergelijkingsmateriaal. Dat vereist echter wel dat de kijker vaak heen en weer moet lopen. Eigenlijk hangt het meeste door elkaar: een spannende zoektocht door een rijk dat zich in Boymans slechts zelden laat ontdekken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden