Teilhard de Chardin

Veertig jaar geleden was zijn werk postuum een hype, al noemde Rome nog in 1962 de geestelijke boeken van de Fransman 'schadelijk voor rooms-katholieken'. Nu worden zijn geschriften nauwelijks meer gelezen. Niet omdat de kerk dat zo wil, maar omdat het effect is uitgewerkt. Hoewel . . . In een tijdsgewricht waarin het mystieke weer nadrukkelijk op de 'rol' staat, weet je zoiets nooit zeker.

Tijdens zijn leven was de geoloog-paleontoloog Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955) buiten een kleine kring bewonderaars en vakgenoten - hij was nauw betrokken bij de ontdekking en bestudering van het prehistorisch mensentype sinanthropus pekinesis - onbekend.

Zijn overste - Teilhard was jezuïet - had hem namelijk verboden zijn publicaties uit te geven over geestelijk leven (met name Le milieu divin, het goddelijk milieu) en over de grensgebieden tussen evolutieleer, filosofie en geloof (Le phénomène humain, het verschijnsel mens, en La place de l'homme dans la nature, de plaats van de mens in de natuur). Onder katholieke én protestantse ingewijden gingen ze al spoedig als een soort samizdat van hand tot hand.

Het waren niet de minsten die er mee wegliepen. In het comité van aanbeveling dat kort na Teilhards dood werd gevormd om tot publicatie van zijn totale oeuvre te komen, zaten de president van Senegal Léopold Senghor, de Franse minister van cultuur André Malraux, de neo-darwinist Julian Huxley, de geschiedkundige Arnold Toynbee (beiden Brits) en de Oostenrijkse cultuurhistoricus Friedrich Heer.

Toen Teilhards werk, tegen de nadrukkelijke wens van het Vaticaan in, eenmaal in de boekhandel lag, bleek ook het semi-intellectuele publiek enthousiast. Het leidde tot een stroom van populaire en wetenschappelijke publicaties.

Ofschoon Teilhard geen theoloog wilde zijn, droeg hij inzichten aan die ook voor de theologie waardevol bleken. In een tijd waarin, volgens het toenmalig christelijk denken, wetenschap en godsdienst door een onoverbrugbare kloof gescheiden leken, bracht Teilhard de bevrijdende boodschap dat dit vermeend dualisme tussen natuur en bovennatuur, tussen lichaam en geest, niet bestond.

Wetenschap en techniek, meldde hij, staan niet naast de dienst aan God, maar zijn beide in dienst van Hem. Het natuurwetenschappelijke en het christelijke wereldbeeld bleken heel wel verzoenbaar. Vrome kerkgangers mochten voortaan in Einsteins relativiteitstheorie geloven.

Ze konden ook een ander heet hangijzer, de evolutietheorie, met een gerust geweten serieus nemen. In het (neo-)darwinisme is geen plaats voor een God die telkens moet ingrijpen om nieuwe creaties in de evolutie mogelijk te maken. Hoeft ook niet, liet Teilhard weten, je bent een even goede christen als je gelooft dat God 'in den beginne' het oeratoom schiep waaruit, onder actieve instandhouding door de Schepper, alles zich verder heeft ontwikkeld. Ook dat was voor velen een grote opluchting.

Tot zover vond de Fransman het grootste deel van de wetenschap aan zijn zijde. Al was niet iedereen bereid een goddelijke schepper in het spel te betrekken. De controverse kwam pas toen hij de evolutiegedachte tot in haar uiterste consequenties doortrok.

Volgens Teilhard vertoont de kosmische evolutie een vaste gang, waarbij uit het minder gecompliceerde steeds het meer gecompliceerde voortkomt. Niet in een rechte lijn, maar wel onontkoombaar. Het is een fundamenteel proces van steeds verdergaande vergeestelijking: uit de 'embryonaal-bewuste' oermaterie (protonen, neutronen en elektronen) ontstond geleidelijk het leven (flora), uit dit leven het echte bewustzijn (bij de hoog ontwikkelde fauna) en uit dit bewuste leven de van zichzelf bewuste mens als spil en bekroning van de hele schepping.

Dat laatste blijkt, volgens Teilhard, uit het feit dat de overgang van zoogdier naar mens zich niet in etappes heeft voltrokken; er is sprake geweest van een 'evolutiesprong'.

Daar blijft het niet bij. In de evolutie à la Teilhard ontwikkelt de mens zich - in steeds sneller tempo - zover dat hij tenslotte tot totale, collectieve vergeestelijking komt. Doordat de mensheid samensmelt tot één hyperbewust aartsmolecuul dat alle echte fysiekheid mist, ontsnapt ze bij de ondergang van het stoffelijke heelal (het christelijke 'einde der tijden'), aan de hittedood. Er vallen immers geen lichamen meer te verbranden.

Zo ontvangt de mensheid het eeuwige leven en gaat bij het Punt Omega op in de alwetende, alomtegenwoordige, almachtige God. Deze vormt haar om tot het lichaam van zijn Zoon, de kosmische Christus, en maakt de mensheid één in zijn Geest. Met de menswording van Christus is dit absolute eindpunt van de evolutie voor het eerst zichtbaar geworden.

Deze kijk op mens en evolutie werd niet door iedereen enthousiast omarmd. Zo wees menige geleerde Teilhards pretentie af dat zijn visie zich strikt bewoog binnen de grenzen van het wetenschappelijke. Hijzelf mocht het 'wetenschappelijke fenomenologie' ofwel hyperfysica noemen, anderen diskwalificeerden het als spirituele futurologie. Daarnaast vroegen exegeten zich af waar in het beeld van de kosmische Christus nog ruimte was voor de historische Jezus van Nazareth. Biologen en mede-paleontologen tenslotte tekenden protest aan tegen het feit dat hij in het evolutieproces onwetenschappelijke begrippen als hoger, lager en vooruitgang introduceerde.

Teilhard heeft al deze discussies, die soms uiterst fel waren en waarvan de echo af en toe nog hoorbaar is, niet meegemaakt. Toen hij op 10 april 1955 in New York overleed, verkeerde hij in de veronderstelling dat zijn geestelijk gedachtengoed hem niet zou overleden.

Dat is anders uitgepakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden