TEGEN MILITAIRE INTERVENTIE

"De feiten van de wereldpolitiek zijn zo ingrijpend veranderd dat het onvergeeflijk zou zijn, geen rekening te houden met die nieuwe factoren. De belangrijkste daarvan is de onmetelijk gegroeide economische macht van de westerse industriestaten. Die moet worden ingezet om internationale conflicten op te lossen." Dit schrijft Paul Frank, voormalig Duits staatssecretaris van buitenlandse zaken. Volgens hem is het buitenlands-politieke en strategische denken van de Amerikanen naar Europa overgeslagen. Het zijn de nog altijd doorwerkende ideeen van de Amerikanen uit 1890 die tot de 'nieuwe wereldorde' van George Bush hebben geleid. Maar in Duitsland blikt men ook terug op de symbolische figuren van de - in dit geval Pruisisch-Duitse - geschiedenis. "In wezen is het dilemma heel eenvoudig: militaire interventies leveren de bewapeningsindustrie winst op; een geweldloze politiek vergt economische offers."

In een meesterlijk essay over 'De tweede zelfbegoocheling van de Bondsrepubliek: wij zijn weer normaal geworden' heeft de filosoof Jurgen Habermas vorig jaar uiteengezet wat er, als gevolg van die 'normaliteit', allemaal opnieuw zou beginnen, zoals Adenauer het uitdrukte. Wat wij dood en overwonnen waanden, zou zich opnieuw doen gelden - niet toevallig, maar voorspelbaar en volgens de wet van de logica die zegt dat dezelfde oorzaken dezelfde effecten teweegbrengen.

Het was niet pas de val van de Muur die bij de Duitsers herinneringen opriep aan hun Pruisisch-Duitse verleden. De oplettende en ontvankelijke waarnemer kon al lang voordien rooksignalen bespeuren die uit nostalgische zwart-wit-rode kampen opstegen. Men denke slechts aan de Historikerstreit, de controverse onder historici, waarin een poging viel te onderkennen om het nationaal-socialistische verleden terzijde te schuiven en terug te keren tot de oerbronnen van de Duitse politiek. Het is niet zonder betekenis voor de politieke sfeer in Duitsland wanneer de Duitse regeringsleider de Amerikaanse president ertoe overhaalt, voor de ogen van de hele wereld een bezoek te brengen aan het militaire kerkhof van Bitburg. Dat moet toch betekenen: let op, van nu af aan gaan we weer souverein en met geheven hoofd met onze geschiedenis om!

Zo gaat er ook een signaal van uit, wanneer de Duitse regeringsleider persoonlijk eer bewijst aan de schrijver van In Stahlgewittern (Ernst Junger, auteur van romans die de oorlog en het soldatendom verheerlijken), terwijl diens broer, Georg Friedrich Junger, een uitgewezen tegenstander van het nationaal-socialistische regime en evenzeer een goed schrijver, aan de vergetelheid wordt prijsgegeven. En wanneer, in aanwezigheid van de bondskanselier en met medewerking van de Bundeswehr, de stoffelijke resten van Frederik II in Potsdam worden herbegraven. Zo wordt voor de Duitse publieke opinie een historische sfeer gecreeerd die het teruggrijpen op het verleden vergemakkelijkt. Frederik II heeft weliswaar een verlichte correspondentie met Voltaire gevoerd en fluit gespeeld, maar de Pruisisch-Duitse geschiedenis is hij ingegaan als de man die in vredestijd Silezie overviel.

Het kan niet om het even zijn, welke figuren uit de geschiedenis voor het voetlicht gehaald en welke verzwegen worden. Wat heeft bijvoorbeeld de na de ineenstorting van het communistische imperium ontstane drukte over Bismarck te betekenen, die 1991 met 1871 zou moeten verbinden, zo mogelijk met propagandistisch profijt voor de hedendaagse kanselier? Bismarck mag dan op geniale wijze beleid hebben gevoerd, overeenkomstig de wetten van de machts- en geweldspolitiek van de negentiende eeuw, hij was toch de man die de uitdrukking Blut und Eisen, 'bloed en ijzer', in het buitenlands-politieke denken van de Duitsers heeft geintroduceerd. Dat liep uit op het geschrift van Moller von den Bruck Preuentum und Sozialismus, waarin Bismarck tot geestelijk voorloper van het nationaal-socialisme werd bevorderd.

Wanneer de mensen hun politieke, economische en maatschappelijke problemen niet meer aankunnen, gaan ze rechtse, conservatieve neigingen vertonen. Dat geldt voor alle volkeren. Van een ferm bewind verwachten ze leiding en geborgenheid. Niets bevordert de tendens naar autoritaire modellen meer dan een zwakke regering, die voor de problemen die op haar afstormen, vlucht naar de symbolische figuren van het verleden.

Geweld is een verschijnsel van het menselijk samenleven dat zich geenszins tot de Duitsers beperkt. Maar in Duitsland liggen de problemen ingewikkelder dan elders. Meer dan 120 jaar lang, dat wil zeggen sinds de stichting van het rijk van Bismarck, heeft Duitsland - met uitzondering van het intermezzo van de door de conservatieven verraden republiek van Weimar - geen republikeinse instellingen en, bij de overgrote meerderheid van zijn burgers, geen republikeinse geest gekend. Een Wilhelminisch tijdperk van achtenveertig jaar, veertien jaar verraden democratie, twaalf jaar nationaal-socialisme en veertig jaar stalinisme van Duitse signatuur - hoe kan een natie dat zonder schade doorstaan?

Rest nog slechts de vraag wat de republiek van Bonn (1949-1990) in deze portrettengalerij van Duitse politieke systemen te betekenen heeft. Heeft ze voldoende haar stempel gezet op de geschiedenis om de oude 'voorbeelden' te verdringen en nieuwe, actuele ideeen te ontwikkelen? Of zal op zekere dag blijken dat ze een overgangsverschijnsel is geweest, net goed genoeg om de last van het verleden voor de buitenwereld af te schudden, terwijl achter de facade het oude patroon van fouten en ondeugden beschikbaar bleef voor hergebruik?

Een Duitse professor gaf daar onlangs in een talk-show van de Sudwestfunk een kernachtig antwoord op, toen hij een joodse deelneemster, die aan de vernietiging van de joden herinnerde, naar het hoofd slingerde: 'Met die oude verhalen moet u bij mij niet aankomen; dat kunt u tegenwoordig niet meer maken!'

De machthebbers van de voormalige DDR hebben op hun beurt al vroegtijdig ingezien welk een 'schat' in de Pruisisch-Duitse geschiedenis verborgen lag, wanneer het erom ging de burgers van de DDR te scholen in discipline, uithoudingsvermogen en geweld jegens andersdenkenden. In het zogenaamde 'Nationale document van de SED' uit 1964, dat volgens Walter Ulbricht in betekenis niet onderdeed voor het Communistisch Manifest, eisten de communisten dat deel van de Duitse geschiedenis voor zich op dat tegenwoordig door de conservatieven herontdekt wordt. De liberale traditie in Duitsland daarentegen werd, als 'decadent' erfgoed van het gemeenschappelijke verleden, in dit document genereus toegewezen aan de Bondsrepubliek. Alles wat positief, sterk en nationaal was en op weerbaarheid wees, werd door de SED opgeeist; al het negatieve, liberale en 'ontaarde' werd tot geestelijk eigendom van het Westen verklaard. Met de groeten, voor de tweede maal, van Moller von den Bruck ...

Waarop moeten, in de algemene verwarring der geesten, jonge mensen zich tegenwoordig orienteren? Utopieen en dromen, die een samenleving kunnen bezielen, zijn door de politieke managers uit de politiek verbannen. Zelfs de Europese eenwording - ooit de droom van hen die uit de Tweede Wereldoorlog en de Europese tweedracht een les wilden trekken - is verworden tot een esoterisch, technocratrisch ritueel rondom economische belangen. Handig en bij voortduring wordt de burger buiten de beslissingen gehouden. Wat overblijft, is hopeloosheid, die haar uitdrukking vindt in haat en geweld.

Overal ter wereld hopen vele neo-conservatieven dat de herleving van conservatieve denk- en gedragswijzen het verval van de samenleving zullen kunnen stuiten. Law and order, binnenslands en daarbuiten, moeten de chaotische en gewelddadige wereld in toom houden. De Europese aanhangers van conservatieve waarden zien daarbij over het hoofd dat de goede Europese tradities allang verdrongen zijn door een Amerikaans beschavingsbegrip dat, steunend op het late kapitalisme, zich over de hele wereld verbreidt. Ook het buitenlands-politieke en strategische denken van de Amerikanen is naar Europa overgeslagen. Het zijn de nog altijd doorwerkende ideeen van de Amerikanen uit 1890 die tot de 'nieuwe wereldorde' van George Bush hebben geleid. En lijkt er op, dat ook de Democraat Bill Clinton zich daaraan houdt.

Tot het einde van de vorige eeuw toonden de Amerikanen geen enkele neiging, zich met de internationale handel te bemoeien. Ze hadden genoeg te stellen met de binnenlandse opbouw van hun door de burgeroorlog verzwakte land en met de ontwikkeling van hun economie. Pas toen, als gevolg van de technische ontwikkeling, het nationaal inkomen hun eigen behoeften overtrof en er geen afzetmarkten waren voor de overproduktie, begon Amerika de wereld te ontdekken. De zware economische crisis van 1898 deed de rest.

Plotseling zagen de Verenigde Staten zich geconfronteerd met twee vragen: hoe konden ze zich verzekeren van een passend aandeel in de wereldhandel; en hoe konden ze bijdragen tot het veilig stellen van de vrede in de wereld - want dat was een voorwaarde voor een ongestoorde wereldhandel.

De rol van Amerika in de wereldpolitiek werd voor de Amerikanen plotseling een thema. Opeens ontdekten ze dat ze voor de militaire beveiliging van de zeeroutes een grote oorlogsvloot nodig hadden en dat ze in de hele wereld steunpunten moesten vestigen. Tegelijkertijd wilden ze de boodschap van de Amerikaanse succes-beschaving uitdragen. Er ontstond een nieuw soort kolonialisme, onder een andere naam.

De Amerikanen hadden het gevoel dat hun twee strategieen - een militaire aanpak en een humanitaire - elkaar heel goed aanvulden. Het ging er immers niet om, simpelweg de wereld te veroveren, maar haar vertrouwd te maken met de zin van de historische ontwikkeling zoals zij die opvatten. Die zin bestond in het streven, de onbekwamen te verdringen door de bekwamen en de niet-produktieven door de produktieven. Volken die dachten en handelden als Amerika, beantwoordden het meest aan het Amerikaanse voorbeeld.

Het was een Amerikaan genaamd Alfred Mahan - hij zou het tot admiraal brengen - die deze nieuwe visie introduceerde en haar het nauwkeurigst verwoordde. In 1890 publiceerde hij een boek over de 'Invloed van de zeemacht op de geschiedenis'. Hij is wel de Clausewitz van de moderne maritieme strategie genoemd.

Mahan ging er in zijn geschriften van uit dat de betrekkingen tussen de volken gemarkeerd worden door een voortdurende strijd om het bestaan. Imperalisme en koloniale heerschappij behoorden voor hem bij de noodzakelijke missie van de blanke man en de christelijke beschaving. De uitbreiding van het Amerikaanse machtsgebied betekende voor hem 'de overname van verplichtingen' en van 'verantwoordelijkheid voor de incompetente volken'.

Zijn theorie kwam tot uitdrukking in vier concrete eisen: de bouw van een grote Amerikaanse oorlogsvloot; de stichting van maritieme steunpunten in de Stille Oceaan; de vestiging van de Amerikaanse hegemonie in het gebied van de Caribische Zee; de aanleg van een kanaal, door de landengte van hetzij Panama hetzij Nicaragua.

De meerderheid van de puriteins en liberaal opgevoede Amerikanen wees de machtspolitieke denkbeelden van Mahan aanvankelijk af. Ze waren in tegenspraak met de diep gewortelde tradities van de Founding Fathers, de staatslieden der Amerikaanse Revolutie. Volgens hen moesten de betrekkingen tussen volken beschouwd worden als een moreel probleem, een kwestie van recht en onrecht, 'rechtvaardigheid en fatsoen'.

Republikeinse politici als Theodore Roosevelt en Henry Cabot Lodge waren nauw met Alfred Mahan bevriend. Theodore Roosevelt, de latere president, bedacht voor Mahans doctrine de pakkende buitenlands-politieke uitdrukking van de big stick. Wie de morele leidersrol van Amerika niet wilde erkennen, zou er met een stevige knuppel van langs krijgen. Een andere aanhanger van Mahan, de protestantse zendeling Josia Strong, verkondigde dat God het angelsaksische ras had uitverkoren om aan de volkeren het evangelie en de beschaving te brengen. Het waren de Verenigde Staten die - in deze nieuwe wereldorde - met de hoofdverantwoordelijkheid waren belast.

Ook in Europa vonden de imperialistische ideeen van Mahan een vruchtbare voedingsbodem. Zijn boek werd in het Duits vertaald en grootadmiraal von Tirpitz beval zijn marine-officieren de lectuur ervan aan. Wilhelm II schreef in 1894 aan een vriend dat hij het 'verslonden' had en het van buiten probeerde te leren.

De theorieen van Mahan sloten destijds aan bij een tendens in de imperialistische machtspolitiek. Theorie en praktische politiek, economische expansie en morele verpakking, openbare mening en commercie vulden elkaar aan en liepen uit op een escalatie van deze maritieme politiek die de vrede moest verzekeren. Alom was het eerste resultaat een gigantische maritieme bewapening, die in de bekende gebeurtenissen van 1914 een voorlopig hoogtepunt bereikte.

Historische parallellen mogen onbetrouwbaar zijn, het valt niet te ontkennen dat er een zekere verwantschap bestaat tussen de Amerikaanse politiek uit de vorige eeuw en neo-conservatieve redeneringen in onze tijd. Dat moet tot nadenken stemmen. Krachtiger nog dan honderd jaar geleden worden Amerikanen en Europeanen geconfronteerd met de vraag hoe ze recht kunnen doen aan hun 'verantwoordelijkheid' voor de orde in de wereld. Want dat de wereld in wanorde verkeert, dat het onrecht triomfeert, behoeft geen uitvoerig betoog.

De rijke landen ervaren dit als een sterkere bedreiging dan de arme. Ze zijn daarom geneigd, voorzorgsmaatregelen te nemen tegen de immense druk van de kant van de arme landen. De vraag is alleen, welke middelen toereikend zijn om deze problemen te bestrijden.

De neo-conservatieve krachten die in Amerika en Europa de dienst uitmaken omdat er tegenwoordig geen humanitair en liberaal alternatief voorhanden is, spannen zich op allerlei manieren in om de problemen van de late twintigste eeuw aan te vatten met het 'beproefde' geestelijke erfgoed van de negentiende. Ook in Duitsland is het tegenwoordig in de mode, terug te blikken op de symbolische figuren van de - in dit geval Pruisisch-Duitse - geschiedenis. Ex-president George Bush zag met de val van de Berlijnse Muur al een groter, sterker Duitsland ontstaan, dat bereid zou zijn, als favoriete partner van de VS een grotere mate van wereldwijde verantwoordelijkheid op zich te nemen. De golf van vreemdelingenhaat en antisemitisme in het herenigde Duitsland heeft zijn enthousiasme over die partner snel doen luwen - zo snel dat hij voor zijn Europese afscheidsbezoek Parijs uitkoos in plaats van Bonn of Berlijn.

In het kader van de 'nieuwe wereldorde' die George Bush in de discussie introduceerde, wordt vaak gesproken over 'vredestichtende', 'vredebewarende' maatregelen. Het begrip 'maatregel' krijgt om voor de hand liggende redenen de voorkeur boven de preciezere aanduiding 'interventie'. Voor deze 'maatregelen' hebben de staten van de westerse wereld mobiele, wereldwijd optredende 'crisisbeheersings-troepen' nodig, waarbij maar liever verzwegen wordt dat het om 'strijdkrachten' gaat.

De onrijpe plannen van een - inmiddels weggestemde - Amerikaanse president hebben in elk geval tot resultaat gehad dat plotseling een chaotische discussie over de rol van Duitsland op gang is gekomen.

VERVOLG OP PAGINA 18

SOMMIGE DUITSERS VERKOPEN PRAATJES IN DE BESTE TRADITIES VAN WILHELM II

VERVOLG VAN PAGINA 17

Zonder kennis van zaken dringen Duitsers die de dienstplichtige leeftijd te boven zijn, erop aan, Duitse soldaten voor zulke interventies ter beschikking te stellen. Anderen verkopen praatjes in de beste tradities van Wilhelm II. Weer anderen beweren dat de voornaamste verantwoordelijkheid van het groter geworden Duitsland op militair gebied ligt - en er zijn er ook die eenvoudig eisen dat wij de grotere bondgenoot Amerika of de vermeende wil van de Verenigde Naties volgen.

Als de achtergrond van de huidige discussie over de inzet van troepen buiten het bondgenootschap - in het kader van de VN, de Navo of de WEU - niet zo'n bitter ernstige zaak was, zou een associatie met de opschepperijen van Wilhelm II voor de hand liggen. Maar tegenwoordig ligt de zaak dramatischer. De westerse, geindustrialiseerde wereld ziet zich in toenemende mate rondom ingesloten door ongewisse, irrationale bewegingen aan haar periferie. Demografische druk, extreme armoede, ethnologische conflicten en burgeroorlogen roepen de vraag op of het Westen met militaire middelen aan deze druk weerstand kan bieden.

Ten tijde van Theodore Roosevelt werd een legitimatie voor 'vredestichtende maatregelen' in het buitenland ontleend aan het besef van de eigen superieure beschaving en van een religieuze zendingsopdracht. Nu trachten de westerse landen die legitimatie te vinden bij de Verenigde Naties. Ze miskennen daarbij de beperkingen van en de contradicties binnen deze organisatie, die, wanneer een interventie grote problemen oproept, daar niet tegen bestand zal zijn. Hetzelfde geldt voor andere internationale organisaties zoals de Navo, de WEU of de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS).

De eerste ervaringen met de nieuwe interventiepolitiek onder auspicien van de VN zijn niet bemoedigend. Cambodja is, sinds de Rode Khmer weigert mee te werken, terug bij nul. Het conflict om Irak heeft de binnenlandse positie van Saddam Hoessein versterkt en de haat van de Arabische massa's tegen het Westen aangewakkerd. De militair-humanitaire operatie in Somalie zal op langere termijn de hongerenden niet kunnen helpen maar wel de chaotische toestand in de Hoorn van Afrika verder compliceren.

Een bedroevend maar veelzeggend voorbeeld van de moeilijkheden waarmee collectieve vredesinspanningen (met steeds meer wapens) gepaard gaan, biedt de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavie. Die bedreigt de stabiliteit en de vrede in Europa meer dan enige andere hedendaagse conflicthaard. Radeloosheid is troef. Van het begin af aan - dat wil zeggen vanaf de dag waarop de Servische president Milosevic weigerde, tegen de grondwet in, om de Kroaten mee te laten rouleren bij de vervulling van het presidentschap van Joegoslavie heeft de Europese Gemeenschap fout op fout gestapeld. Niet in de laatste plaats hebben atavistische gevoelens die voortkwamen uit vroegere bondgenootschappen, een rol gespeeld. In de bemoeienissen van de Europese staten zien we een terugkeer naar de negentiende eeuw. Het resultaat is dienovereenkomstig.

De machthebbers op de Balkan sollen met de Europese staten en onderhandelaars om hun afschuwelijke misdaden tegen de mensenrechten te kunnen plegen. Uiteindelijk hebben de naviteit en de besluiteloosheid van de Europeanen bijgedragen tot een verscherping van het conflict. De Europese Gemeenschap dreigt, maar ze weet dat ze de dreiging niet gestand kan doen; ze vaardigt een embargo uit, maar ze weet dat het niet in acht genomen wordt.

Afgezien van de vraag hoeveel kans van slagen militaire acties onder auspicien van de VN hebben, is er het principele probleem of de beslissing over oorlog en vrede - de meest tragische van alle beslissingen die een regering kan nemen - gedelegeerd mag worden aan een internationele organisatie waarin de meerderheid de doorslag geeft. Het Handvest van de VN zegt weliswaar dat de lidstaten 'souverein en gelijk' zijn, maar in werkelijkheid zijn ze niet gelijk. Iedereen heeft een stem, maar de werkelijke beslissingen liggen bij de grote mogendheden, ook in de Veiligheidsraad. En als het op de uitvoering van zulke beslissingen aankomt, prijzen de staten zich gelukkig, de verantwoordelijkheid bij de secretarisgeneraal te kunnen deponeren.

De verantwoordelijkheid voor leven en dood van de eigen burgers wordt afgeschoven op een ongecontroleerd web van invloeden, besluitvormingsorganen en politieke constellaties die maar al te vaak de kronkelweg volgen van wat politiek opportuun lijkt. Over oorlog en vrede wordt op het strijdtoneel beslist krachtens een blanco volmacht die maar moeilijk kan worden ingetrokken. Het Westen kan zich niet op de VN beroepen, en evenmin op zijn humanitaire taak, om zich te ontrekken aan zelfkritiek en aan een grondige analyse van de vraag of deze middelen nog toereikend zijn voor de oplossing van de huidige problemen.

De feiten van de wereldpolitiek zijn in de laatste eeuw zo ingrijpend veranderd dat het onvergeeflijk zou zijn, geen rekening te houden met de nieuwe factoren. De belangrijkste daarvan is de onmetelijk gegroeide economische macht van de westerse industriestaten. Die moet worden ingezet om internationale conflicten op te lossen en anarchistische ontwikkelingen tegen te gaan. De industriestaten moeten gaan beseffen dat hun economische macht niet alleen goed is voor winstbejag maar ook als drukmiddel tegen vredeverstoorders.

Wat altijd al gegolden heeft, geldt ook voor de 'vredestichtende maatregelen': met de middelen van de oorlog kan men oorlog voeren, maar geen vrede tot stand brengen. De oorlog kan overwinning of nederlaag afdwingen, vrede echter moet uitgaan van de mensen en geaccepteerd worden; ze moet van binnenuit komen. Wat dit betreft ziet het er op de Balkan zeer donker uit - en niet pas sinds het uitbreken van de vijandelijkheden. Mogen we dan niet hopen op de mogelijkheid, opgehitste volken af te houden van collectieve zelfmoord?

Hans Dietrich Genscher zei enige tijd geleden in een interview dat geweld en beschaving niet te verenigen zijn. Dat is precies de kwestie waarom het hier gaat. Geweld, door staten gebruikt, moet niet anders worden beoordeeld dan het geweld waarvan politieke extremisten of criminele enkelingen zich bedienen. Het is onmogelijk, een moreel onderscheid te maken tussen het geweld dat, in strijd met het volkenrecht, door staten wordt toegepast, en het geweld dat, in strijd met het strafrecht, door individuen wordt bedreven.

Ter verheldering van de gedachtengang past hier een belangrijke kanttekening. De pleitbezorgers van het gebruik van geweld in internationale betrekkingen stellen afzien ervan opzettelijk op een lijn met pacifisme. Dat is ontoelaatbaar. In tweeerlei opzicht kan een staat zich legitiem van geweld bedienen. Dit betreft allereerst het binnenlandse geweldsmonopolie van een democratische staat en in de tweede plaats het gebruik van militair geweld om het eigen land te verdedigen tegen een aanvaller. Afzien van geweld in de internationale betrekkingen heeft met de utopie van het pacifisme niets te maken. Geweld bestaat sinds Kain en Abel. Wat nieuw is, is het feit dat de industriele maatschappij van tegenwoordig andere dan militaire drukmiddelen bezit om verstoorders van de vrede tot rede te brengen.

De westerse industriestaten beschikken in hun economische potentieel over een 'wapen' dat doeltreffender is dan ieder militair wapensysteem. Als ze dit potentieel vastbesloten en solidair inzetten in de strijd voor vrede, kunnen ze met de middelen van het embargo en het isolement iedere rustverstoorder uit de kring van beschaafde staten bannen en een sombere toekomst bezorgen. Zelfs de meest criminele autocraten zullen zich er dan nog wel eens op bezinnen, of ze hun doeleinden niet met minder kosten kunnen bereiken via de weg van onderhandelingen.

Zo'n economische afschrikkingsstrategie, waarbij afgezien wordt van militaire interventie, kan alleen slagen als ze aan de volgende voorwaaren voldoet:

De afschrikking, gelegen in het dreigen met een totale boycot en isolering van een staat, moet geloofwaardig zijn. Ze is slechts geloofwaardig, wanneer de betrokken regeringen absoluut solidair zijn. Hun actie mag niet in 'voor-onderhandelingen' van tafel gepraat worden; het besluit ertoe moet, na een waarschuwing, onverwijld genomen en uitgevoerd worden.

De leden van de VN of de EG die het middel van de afschrikking hanteren, moeten ervoor zorgen dat embargo-besluiten doeltreffend worden nagekomen.

Aan regeringen die zich niet aan de afgesproken maatregelen houden, moet eveneens een boycot worden opgelegd. Voor niet-solidaire leden is binnen de Europese Gemeenschap geen plaats.

Regeringen die besluiten een conflicthaard te isoleren, moeten er een voorstelling van hebben, hoe het probleem in kwestie op een verstandige manier kan worden opgelost. Dan kan er onderhandeld worden.

Een blik op deze voorwaarden is voldoende om vast te stellen dat we hiermee de grenzen van het utopische naderen. Het valt gemakkelijk in te zien dat de kwestie van de leverantie van wapens en strategische goederen aan crisisgebieden van beslissende betekenis is. Juist in dit opzicht staan de zaken er droevig voor. China en Rusland hebben officieel verklaard dat ze voor hun buitenlandse handel aangewezen zijn op de uitvoer van wapens. Ze leveren aan iedereen die betalen kan. In Europa is de toestand niet veel beter. Drie jaar geleden nog leed de Zwitserse wapenfabriek Oerlikon verlies en probeerde ze haar militaire produktie af te stoten. Nu maakt ze weer winst. In Duitsland loopt er, naar verluidt, in veertig gevallen een gerechtelijk onderzoek tegen blokkade-brekers.

Hoe zouden staten die niet eens een doeltreffend wapenembargo tegen een verstoorder van de vrede kunnen afdwingen, bekwaam zijn om oorlog te voeren? Dus zullen politici, onderhandelaars en secretarissen-generaal blijven kletsen over vredebewarende, vredestichtende, humanitaire acties met en zonder zelfverdediging, over vliegverboden en bombardementen en over wederopbouw na de oorlog. Waar merkwaardig genoeg niet over gesproken wordt, is het isoleren van alle staten die uit het vroegere Joegoslavie zijn voortgekomen.

In wezen is het dilemma waarin zich de laat-kapitalistische, op winstmaximalisatie tot iedere prijs gerichte maatschappij bevindt, heel eenvoudig: militaire interventies leveren de bewapeningsindustrie winst op; een geweldloze politiek vergt economische offers.

Men mag intussen de toekomstige wereldwijde dimensies van het probleem niet uit het oog verliezen. Het is niet uit te sluiten dat de Verenigde Staten opnieuw, evenals een eeuw geleden, een keerpunt in hun wereldpolitieke engagement tegemoet gaan. In plaats van de beheersbare, bi-polaire spanning van de koude oorlog zien ze nu een gefragmentariseerde, wereldwijde uitdaging op zich afkomen, waarvoor ze militaire strategieen en instrumenten pogen te ontwikkelen.

Het Midden- en het Nabije Oosten, Noord-Afrika, zwart Afrika en Latijns Amerika confronteren het Westen met onopgeloste problemen van tot dusverre onbekende dimensies. Een wereld van armoedzaaiers organiseert zich tegen het bastion van de rijken. Of hier militaire interventies het juiste antwoord vormen, valt te betwijfelen.

Het gevaar waarmee het Westen - maar indirect ook de staten van het voormalige Warschaupact - geconfronteerd wordt, komt niet van duidelijk afgebakende fronten waar vriend tegenover vijand staat; het ligt in een uitbreiding van geweld die tot wereldwijde anarchie zal leiden. Voor een economisch en technologisch hoog ontwikkelde samenleving een dodelijk gevaar!

Voor buitenlandse politiek en crisismanagement kan, als ze afzien van geweld, een eenvoudige grondregel worden geformuleerd: cooperatie is altijd beter dan confrontatie! De aanzetten, in het begin van de jaren zeventig, tot een Duitse politiek die zou afzien van geweld, brachten in dit opzicht een vleugje hoop. Helaas zijn velen het principe daarachter gaan beschouwen als een tactisch 'foefje' om in het Oosten vertrouwen te winnen. Ze zien niet in dat hier de kiem ligt van een nieuw denken dat bij machte is de dwalingen van de negentiende eeuw te overwinnen. Wie het beginsel van het afzien van geweld niet kan aanvaarden, moet goed beseffen dat het alternatief is: geweld, met alle gevolgen vandien, vooral voor de toekomst van de westerse beschaving.

Is er kans op algemene aanvaarding van dit beginsel? Op dit ogenblik is er weinig hoop op dat de regeringen zich daarvoor verstandig genoeg zullen tonen. Ook vele burgers zien steeds meer in eenvoudige, gewelddadige oplossingen. Wat rest, is de hoop dat de woorden van de apostel aan zijn gemeente vervuld zullen worden: 'Der Herr schenke Euch die Gnade des Denkens'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden