Review

Tegen het levensvijandig gepieker

In het twaalfde gesprek over poëzie en filosofie laat filosoof Theo de Boer zien hoe Rainer Maria Rilke in zijn ’Sonnetten aan Orpheus’ leven en dood als eenheid opvoert.

Alle componisten en alle zangers staan in de schaduw van Orpheus, de beroemde mythische zanger die wilde dieren verlokte, woeste golven tot bedaren bracht, monsters in slaap suste, het verharde gemoed van de mensen mild wist te stemmen. En als zijn geliefde Eurydice sterft aan een slangenbeet, weet hij met zijn gezang zelfs de goden van de onderwereld te verleiden. Ze staan hem toe Eurydice mee terug te nemen, op voorwaarde dat hij niet omkijkt voordat ze weer in het rijk der levenden zijn gearriveerd. Dat laatste lukt hem niet. Nieuwsgierig, bang, hoopvol, we weten niet waarom, maar Orpheus draait zich om, waardoor hij Eurydice opnieuw en nu voorgoed verliest.

In 1922 schreef de Duitse dichter Rainer Maria Rilke (1875-1926) ’Die Sonette an Orpheus’. Toch komt in dit werk de geschiedenis met Eurydice nauwelijks voor, haar naam valt slechts éénmaal. Vertalers Blok en Jellema schrijven in hun inleiding dat Orpheus een oude jaargod is, wiens lied de zomerse jubel van de natuur verzinnebeeldt.

Wat wil Rilke met zo’n vergeten God?

Filosoof Theo de Boer: „Je moet dit gedicht vooral zien als een vrije schepping van Rilke. Het gaat hem om het restaureren van een oude mythe waarin de eeuwig scheppende natuur centraal staat, en leven en dood bij elkaar horen als twee kanten van het ene bestaan.”

Dat is nu niet meer zo?

„Nee. Voor velen van ons blijft het moeilijk ons vergaan te accepteren. Toen ze het graf van Goethe openden, schrijft Gerrit Komrij ergens, ontdekten ze dat hij van top tot teen bedekt was met zwarte torren. Zijn huid was onzichtbaar. Zoiets is toch huiveringwekkend?”

Zacht uitgedrukt.

„Die veranderende houding tegenover de dood hangt samen met de geschiedenis van Europa. De Tsjechische filosoof Jan Patocka – een van de eerste woordvoerders van de protestbeweging Charta ’77 – wijst in de Europese geschiedenis drie fasen aan: de orgiastische, de platoonse en de christelijke.

De bronnen van het orgiastische stadium gaan terug tot de zevende eeuw voor Christus. ’Orgiastisch’ heeft trouwens niets met orgasme te maken; het duidt op een levensleer waarin mysteriën centraal staan: men viert het leven en de dood met allerlei rituelen. De platoonse filosofie, die volgt op dit orgiastische stadium, zet het denken in het middelpunt en ziet de dood als bevrijding van de onsterfelijke ziel. En het christelijke stadium hoopt door Woord en Geest de dood te overwinnen.

In ’De sonnetten aan Orpheus’ verwoordt Rilke het eerste, orgiastische stadium. Orpheus hoort thuis in het rijk van het leven én van de dood, en maakt de eenheid van beide hoorbaar in zijn lied.”

Is dat te tonen?

„Je ziet het al in de eerste regel van het gedicht: richt geen gedenksteen op, denk niet te veel aan de dood. Stel hier tegenover Plato die in zijn dialoog ’Phaedo’ het hele leven beschreef als een ’zich trainen tot de dood’. Pas daarna zou de individuele ziel ’ontwaken’. Rilke verzet zich tegen dit levensvijandige gepieker.

Paradoxaal genoeg heeft hij trouwens zelf wel een gedenksteen. In 1976 ben ik bij zijn graf geweest. Het heeft een mysterieus, maar heel rilkiaans grafschrift dat hij bij testament heeft laten vastleggen: ’Rose, oh reiner Widerspruch, Lust,/ Niemandes Schlaf zu sein unter soviel/ Lidern.’ Ofwel: ’Roos, o zuivere tegenspraak, lust,/ niemands slaap te zijn onder zoveel/ leden.’

De tegenspraak is de eenheid van dood en leven. De roos beleeft de samenhang daarvan op de zuiverste wijze. Het is haar lust en leven de slaap van niemand in het bijzonder te zijn. Zij slaapt de anonieme slaap des gerusten onder haar vele bladeren als oogleden. Rilke is hier als het ware nog postuum in de contramine. De vergankelijke roos is een symbool van levens- én stervenskunst. Bij ’Lidern’ mag je ook aan ’Liedern’ denken. De dichter slaapt de naamloze slaap onder de nalatenschap van veel gedichten.”

De roos komt ook terug in dit sonnet.

„Dat moet slaan op Orpheus: het leven is metamorfose, de roos bloeit, verwelkt en volgend jaar is er een nieuwe roos. De roos moet sterven om opnieuw te ontstaan. De dood is noodzakelijk voor het leven. En ja, die metamorfose is typerend voor Orpheus: ’Zijn metamorfose in dit en dit’.”

Wat is ’dit en dit’?

„Over de kopjes die hier op tafel staan, kun je zeggen: dit zijn twee kopjes, alleen is dit kopje dit kopje en dat kopje dat kopje. ’Zijn metamorfose in dit en dit’ slaat op de individuele verschillen, die uitgewist moeten worden als het leven zich na de dood in de soort voortzet. De volgende regel zegt hetzelfde: ’Wir sollen uns nicht mühn/ um andre Namen’. We moeten niet zoeken naar andere namen. Met namen duiden we individuen aan. Maar dat is overbodig, ook in de godenwereld. Alles kan samengevat worden onder de collectieve naam Orpheus.”

Aan welke andere godennamen kan Rilke gedacht hebben?

„Misschien aan Dionysus, de god van de wijn en de roes, en aan Apollo, de god van de maat, het licht, de wijsheid. Friedrich Nietzsche heeft in ’De geboorte van de tragedie’ de strijd tussen de twee beschreven. Dionysus zou staan voor de droomachtige roes waarin je vergeet wie je bent en wordt meegesleept met anderen. Daartegenover staat Apollo als symbool van rust en maat, die het individu in toom houdt. Nietzsche zocht de synthese. Dat samenspel vind je bij Orpheus: aan de ene kant is muziek vervoerend, aan de andere kant gebonden aan maat en getal. ’Ten enenmale/ is ’t Orpheus, in elk lied.’

Heel typerend is dat Rilke zegt: ’wenn es singt’. Hier zingt niet iemand, hier zingt iets. In de metamorfose van verdwijnen en verschijnen, van leven en dood, zingt ’het’. Bij het sterven vervalt het individu, maar het leven gaat door.”

Dat vind ik een troostende gedachte.

„In zekere zin ik ook. Als ik naar mijn kleinkinderen kijk, besef ik dat het leven na mijn dood doorgaat. Die gedachte kun je ook metaforisch opvatten. Het geldt dan bijvoorbeeld ook voor het oeuvre van Rilke. Wat mij niet aanspreekt, is de uitwissing van het individu. Kun je dan niet meer zeggen: dit is typisch Rilke? Ik voel mij overigens meer thuis bij de Engelse dichter Dylan Thomas, die bij het sterven van zijn vader schreef: ’Rage, rage against the dying of the light.’ Ofwel: verzet je, ga tekeer tegen het doven van het licht.”

Instemming dat het leven doorgaat na de dood, en verzet ertegen. U bent een halve orgiast.

„Patocka zegt dat een bepaalde fase nooit helemaal verdwijnt maar in een volgende wordt geïntegreerd. Het platonisme neemt het orgiastische denken over, maar geeft het een ondergeschikte plaats. Hetzelfde overkomt het platonisme weer in het christendom. In die zin kun je zeggen dat de platoonse en christelijke stadia de orgiastische levensleer behalve onderdrukt ook hebben ingelijfd. Dat zie je eveneens aan allerlei oude, orgiastische gezegden en rituelen, die ondergronds nog een rol spelen in ons dagelijks leven.

De orgiastische gedachte dat het aardse leven doorgaat na de dood van het individu maakt nog steeds deel uit van onze stervenskunst. Ik kreeg laatst een rouwkaart met het opschrift: ’Het leven eindigt, het leven gaat door’. Ik heb op een begrafenis van een student meegemaakt dat er rode rozen werden uitgedeeld, die je in het open graf kon werpen. Dat gebaar kun je rilkiaans uitleggen. Het is al heel wat, volgens Rilke, als Orpheus de rozenbladeren voor een paar dagen overleeft. Maar ook in het socialisme en het christendom komt de roos als symbool voor. Dat is onze huidige multiculturele situatie.”

Hoewel Orpheus niet te veel over de dood nadenkt, lijkt hij wel angst te kennen: ’Und wenn ihm selbst auch bangte, daß er schwünde.’

„Ja, de angst wordt toegegeven. Vanuit orgiastisch standpunt is dat eigenlijk een zwakte, want de dood is natuurlijk en wordt overwonnen door de vele gedichten die hem overleven. Prachtig is het beeld dat Rilke gebruikt: ’Der Leier Gitter zwüngt ihm nicht die Hünde’. De snaren kun je als tralies zien – dat is het apollinische element in de muziek – maar zij dwingen de handen niet. Hier geldt wat de Nederlandse dichter Jacques Perk schreef: ’De ware vrijheid luistert naar de wetten’. De snaren beperken Orpheus, ze zijn een strenge vorm. Maar als je gehoorzaamt aan de wetten van de snaren, kun je vrij muziek maken. ’Und er gehorcht’ staat er ook, Orpheus gehoorzaamt. Hij overtreft en overschrijdt – hij overleeft de dood – door te gehoorzamen.”

Het kunstwerk zal het individu overleven?

„Ja. Het zingt, en het blijft zingen. Orpheus heeft zijn leven opgeofferd aan de kunst om dat mogelijk te maken.

Iets vergelijkbaars geldt voor Rilke. ’Die Sonette an Orpheus’ ontstonden in februari 1922. Afgezonderd in een toren in het Zwitserse Rhônedal werkte hij onder hoge druk aan een van zijn andere hoofdwerken: de ’Duineser Elegien’. Onverwacht werden hem toen in de eerste week van februari 26 sonnetten ’geschonken’, zoals hij zelf in een brief schrijft. In de tweede week maakte hij de ’Elegien’ af, terwijl hij er tien jaar niets aan gedaan had. In de week daarna vielen hem nogmaals 29 sonnetten in. Dit is een uiterst kras voorbeeld van wat inspiratie vermag. Rilke zelf was extatisch over zijn overweldigende productie, maar het werk putte hem ook uit. Zijn huishoudster Frieda Baumgartner vertelde dat hij zelfs nauwelijks meer at en sliep. De vermoeidheid die hem na februari 1922 overviel, raakte hij in de jaren die hij nog te leven had niet meer kwijt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden