'Tegen de macht van het gewauwel'

Een van de voornaamste kenmerken van het proza van de gisteren overleden Hugo Brandt Corstius is dat het een overmaat aan ideeën vertoont. Je zou hem een typische 'stukjesschrijver' kunnen noemen, maar dan wel eentje met het breedst denkbare arsenaal aan onderwerpen. Zo schreef hij columns, kritieken, essays, polemieken, spelregels, programma's, lijsten, raadsels en nog een heleboel tekstsoorten meer. En in al die genres blonk hij uit als een man van verrassende, vaak dwarse invallen. 'Ik sta op mijn hoofd' luidt de titel van zijn debuut in 1966 en het geldt ook voor de rest van zijn werk: hij zette alles graag op zijn kop.

Zo sneed hij de Nederlandse taal op een volstrekt oorspronkelijke wijze door in het werk waarmee hij allicht in de meeste Nederlandse boekenkasten belandde, de 'Opperlandse taal & letterkunde', dat hij onder de naam van Battus schreef, typisch het werk van iemand die taalkunde en wiskunde combineerde, want dat waren de twee vakken die hij had gestudeerd. De 'Opperlandse taal & letterkunde' is een fundgrube van taalvondsten en -grappen, van palindromen en anagrammen, van flauwiteiten, 'Wat krijg je als je een lord omkeert', en van ingenieuze woordconstructies: 'Deze geniet de zege niet'. In zekere zin was hij een hedendaagse rederijker.

Speelsheid en originaliteit waren Brandt Corstius' handelsmerk, het blijkt alleen al uit de enorme voorraad alter ego's waarvan hij zich bediende: Raoul Chapkis, Piet Grijs, Battus, Victor Baarn, Jan Eter, drs. G. van Buren, Stoker, Dolf Cohen, Maaike Helder, Peter Malenkov en nog tientallen andere. Hij was niet één schrijver, hij was vele schrijvers. En zo was hij naast een vrolijke en inventieve taalkunstenaar ook een scherp satiricus en een onverbeterlijke polemist, die zich keerde 'tegen de macht van het gewauwel' en die met alles wat in zijn ogen naar humbug en pretenties riekte de vloer aanveegde.

Zeker, hij maakte met zijn scherpe pen slachtoffers, de criminoloog professor Buikhuisen was er een van, maar ook collega's als Renate Rubinstein moesten het in zijn stukken ontgelden; ook leden van het koninklijk huis achtervolgde hij soms als een terriër. Het leverde hem de naam op van ongeremd en gevreesd columnist. Zo gevreesd zelfs dat in 1985 minister Brinkman, toen nog verantwoordelijk voor de toekenning van de P.C. Hooftprijs, hem die door de neus boorde, alhoewel de jury Brandt Corstius eenstemmig had voorgedragen, omdat zijn werk 'te kwetsend' zou zijn om bekroond te worden. Het werd een regelrecht schandaal dat zelfs de Elfstedentocht van de voorpagina's verdrong, en het leidde ertoe dat de P.C. Hooftprijs voortaan door een aparte stichting zou worden toegekend, die hem de prijs in 1988 alsnog bezorgde.

Hugo Brandt Corstius laat een fiks en heel divers oeuvre na, maar nog veel groter zal het nagelaten werk zijn dat na zijn dood allicht gebundeld gaat worden. Want hij was toch in de eerste plaats een kranten- en tijdschriftenman die elke dag in de pen klom. Jarenlang schreef hij in Vrij Nederland onder de naam Piet Grijs een column, waarvan de laatste in 2008 verscheen. En van 1979 tot 1986 schreef hij zijn veelgelezen, vaak controversiële columns voor de Volkskrant onder de naam Stoker.

Naast een onverbeterlijke polemicus was hij ook een geestige ironicus; karakteristiek is een stukje als 'Gulp': "Ik loop nu al een week met een open gulp, en het is interessant om te zien hoe de reacties zijn. Vergelijken met twintig jaar geleden kan ik niet, want toen ging je liever van honger dood dan bewust met open gulp rond te lopen. Ik moet daar wel aan toevoegen dat een man twintig jaar geleden een witte onderbroek droeg met voorin een ingebouwde onafsluitbare opening. Terwijl je tegenwoordig een gekleurd broekje draagt dat je bij het plassen aan het elastiek naar beneden trekt. Een zwembroek dus. Dit heet vooruitgang." Als Jan Eter schreef hij dan weer bijvoorbeeld de volgende quasi-redevoering: "Mevrouw de minister! Alvorens ik dat foeilelijke mantelpakje van 1300 gulden van uw lijf ga trekken en de ongetwijfeld daaronder in groten getale en verknooptheid aanwezige roomse ondergoederen uiteen ga scheuren wil ik het hebben over verkleden. Brandt Corstius was geen schrijver met zachte handschoenen.

Behalve letterkundige was Brandt Corstius ook wetenschapper. Hij promoveerde op een proefschrift over computertaalkunde en doceerde vervolgens aan het Mathematisch Centrum en aan het Instituut voor Neerlandistiek in Amsterdam. In 1974 werd hij buitengewoon lector aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam. In 1998 bekleedde hij de Leonardo-leerstoel aan de Universiteit van Tilburg en in 2005 gaf hij neerlandistiek aan de Sorbonne in Parijs; over zijn ervaringen aldaar deed hij verslag in deze krant.

Met Hugo Brandt Corstius verliest de Nederlandse letterkunde een van haar meest kameleontische figuren, iemand die voor geen enkel onderwerp zijn hand omdraaide. Samen met die andere polemische en satirische kameleon, Gerrit Komrij, bepaalde hij in hoge mate het kritische aanzien van de Nederlandse letterkunde in de laatste decennia van de twintigste eeuw.

Gisteren stierd hij na enige tijd ziek te zijn geweest, 78 jaar oud. Hij laat drie kinderen na, van wie er twee, Aaf en Jelle Brandt Corstius, net als hun vader publiekelijk in de literatuur en de journalistiek werkzaam zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden