Techniek haalt onze moraal overhoop

Straks kun je, terwijl je met iemand staat te praten, in een Google-bril alles over hem te weten komen. Volgens Peter-Paul Verbeek heeft een verbod op zulke nieuwe technieken geen zin.

'Google Glass'. De naam is niet spectaculair, maar de intelligente bril die Google nu in Californië ontwikkelt, is dat wel. Hij herkent gebouwen, gezichten en afbeeldingen, en levert via de krachtige zoekmachine van Google alle informatie die erover te vinden is, als een permanente ondertiteling bij de wereld. In een oogopslag weet je alles over de mensen en dingen om je heen: Google maakt het paranormale doodnormaal. Maar sociale codes, privacywetgeving, veiligheidsbeleid, er is haast geen domein van de samenleving dat niet opnieuw doordacht en georganiseerd moet worden als de Google-bril ingang vindt.

Ook dichter bij huis sluimert een revolutie: in de menselijke voortplanting. Dat danken we aan de onderzoeksgroep van Spinozapremiewinnaar Albert van den Berg van de Universiteit Twente. Die ontwikkelt momenteel laboratoriumpjes op chipformaat. Daar is van alles mee te doen: van het opsporen van kankergezwellen tot het bepalen van bloedwaarden.

Een recente toepassing is het testen van de kwaliteit van menselijk sperma. Dit bespaart mannen met vruchtbaarheidsproblemen een vervelend bezoek aan het ziekenhuis. Maar ondertussen opent deze technologie ook een heel andere mogelijkheid.

Omdat 'vrouwelijke' spermacellen iets zwaarder zijn dan 'mannelijke', kun je er sperma mee scheiden op geslacht. Wie een meisje wil, gebruikt de ene helft, wie een jongetje wil de andere. Voor alle duidelijkheid: de technologie is nog lang niet rijp voor de markt, en geslachtskeuze is in Nederland niet toegestaan. Maar dat maakt het alleen maar interessanter om nu al de vraag te stellen wat het gaat betekenen, als er straks bij de drogist een doe-het-zelfpakketje te koop is om te kiezen of je een jongetje of een meisje wil. Sinds mensenheugenis is het geslacht van je kinderen immers iets dat je overkomt. Nu staan een paar knappe koppen uit Twente op het punt om voor altijd de betekenis van ouderschap te veranderen.

Technologieën als deze roepen direct vragen op. Wat gebeurt er met de mens, als we zo diep in onszelf kunnen ingrijpen? En hoe wenselijk zijn deze ontwikkelingen? Moeten we er geen grenzen aan stellen? We worden steeds meer hybride wezens - samenstellingen van organisme en technologie, mens en machine - maar gaan we niet te ver? Is al dat geknutsel aan onszelf geen vorm van 'hybris',zoals de oude Grieken overmoed noemden?

Opmerkelijk genoeg is dat woord taalkundig verwant aan 'hybride': ze delen dezelfde wortel. Het maken van hybriden wordt blijkbaar al van oudsher geassocieerd met overmoed. Wie zichzelf op het spel zet, loopt het risico zichzelf te verliezen.

Eén van de centrale inzichten in de hedendaagse techniekfilosofie is dat we de grenzen tussen mens en techniek moeten vervagen om de wereld te begrijpen. Mens en technologie hebben niet elk hun eigen domein: ze raken onderling verweven. Technologie geeft namelijk vorm aan de manier waarop wij mens zijn.

En zelfs aan onze moraal.

De Nederlandse filosoof Annemarie Mol, ook Spinozaprijswinnaar, heeft heel mooi laten zien hoe de anticonceptiepil invloed heeft gehad op onze opvattingen over homoseksualiteit. De rol van de pil in de emancipatie van vrouwen is niet moeilijk te zien: dankzij de pil kunnen ook vrouwen genieten van seks zonder het risico dat er een kind uit voortkomt. Maar juist deze loskoppeling van seks en voortplanting heeft een centraal argument tegen homoseksualiteit de wind uit de zeilen genomen. In een tijd waarin seks en voortplanting onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, is het gemakkelijker om homoseksualiteit als afwijkend, tegennatuurlijk of ongepast te zien. Sinds de pil hebben velen van ons seks losgekoppeld van voortplanting. En zo heeft de pil onze morele opvattingen over homoseksualiteit veranderd.

Dat is nogal wat: onze ethiek wordt beïnvloed door techniek. De ethiek is voor velen het kroonjuweel van de mens, ons unieke vermogen om verantwoordelijkheid te nemen voor ons handelen, en om goed en kwaad te onderscheiden. En nu komen een paar techniekfilosofen vertellen dat die ethiek eigenlijk helemaal geen mensenwerk is, maar ook het werk van technologie. Toch is die conclusie onontkoombaar. Wij zijn veel minder autonoom in onze ethiek dan we soms denken.

Dat bekent niet, dat de dingen zelf aan ethiek zouden kunnen doen en hun eigen moraal aan de mens opleggen. De apparaten om ons heen kunnen op zichzelf geen morele keuzes maken. Maar het interessante is dat hetzelfde in feite geldt voor mensen. Net als de dingen zijn ook mensen 'op zichzelf' nauwelijks tot iets in staat. Onze moraal komt tot stand in de netwerken van relaties die tussen mensen en technologieën ontstaan.

Welke antwoorden heeft de ethiek op deze steeds verdergaande hybridisering van de mens? De meest voor de hand liggende - en ook vaakst gestelde - ethische vraag ten aanzien van nieuwe technologieën is: mag dit wel? Moeten we deze nieuwe mogelijkheid nu wel of niet invoeren in de samenleving?

Ironisch genoeg is dit precies de vraag waardoor de ethiek steeds verder afdrijft van de alledaagse technische praktijk. En waardoor ethische reflectie maar nauwelijks invloed heeft op technologische ontwikkelingen. We hebben een ander model van ethiek nodig.

In hun recente studie 'Reageerbuisdebat: over de maakbaarheid van de voortplanting' laten de medisch ethici Wybo Dondorp en Guido de Wert zien dat ethische discussies over nieuwe voortplantingstechnologieën volgens een vast patroon verlopen. In eerste instantie draait het om principiële bezwaren op grond waarvan deze technologie verboden zou moeten worden. Gaan we nu niet echt een stap te ver, mogen we het lot wel zo in eigen hand nemen, heeft deze technologie geen negatieve invloed op de samenleving?

De tweede stap is steevast dat er voorwaarden worden geformuleerd die ervoor zorgen dat de nieuwe technologie op een veilige en verantwoorde manier wordt ingevoerd.

Een technologie tegenhouden, kortom, gebeurt zelden of nooit, en de ethische discussie beperkt zich vervolgens tot veiligheid. Dit is uiterst problematisch. Als de ethiek alleen 'ja' of 'nee' kan zeggen, blijft de vraag onbeantwoord 'hoe' we met een nieuwe technologie op een goede manier vorm kunnen geven aan onszelf. Dat is mij te schraal.

De Griekse Oudheid biedt hier verrijkende aanknopingspunten. Bijvoorbeeld in de mythe van Icarus, die met zijn vader Daedalus werd vastgehouden op Kreta. In opdracht van koning Minos had Daedalus een labyrint gebouwd waarin de Minotaurus was opgesloten, een hybride monster dat half stier was en half mens en dat gevoerd moest worden met mensenvlees. Daedalus bouwde een doolhof waaruit de Minotaurus nooit zou kunnen ontsnappen. Maar omdat hij als enige de weg wist in het labyrint mocht hij Kreta niet meer verlaten.

Daarom deed hij nog een uitvinding. Voor zijn zoon en zichzelf ontwierp hij vleugels, gemaakt van veren en was, bevestigd op een houten raamwerk. Voordat ze wegvlogen naar Athene waarschuwde Daedalus zijn zoon. Als hij te laag zou vliegen, dan zouden zijn vleugels het water van de zee absorberen en te zwaar worden. Vloog hij te hoog, dan zou de was smelten door de warmte van de zon, en zouden zijn vleugels uit elkaar vallen. Maar Icarus raakte zo in vervoering van het feit dat hij kon vliegen, dat hij steeds hoger opsteeg. Zijn vleugels vielen uiteen en hij stortte neer, onder de ogen van zijn vader.

Daedalus probeerde Icarus het oud-Griekse principe van het juiste midden te leren - een principe dat ook een centrale rol heeft in de deugdethiek van Aristoteles ('moed is het juiste midden tussen lafheid en overmoed'). De vraag van Daedalus was niet: mogen we wel vleugels maken om de menselijke conditie te overwinnen of niet? Zijn vraag was: hoe kunnen we de menselijke beperkingen verantwoord overwinnen? Door niet te laag te vliegen, te laf, te nederig, te bang. En ook door niet te hoog te vliegen, want dat zou overmoedig zijn, waardoor hybriditeit omslaat in hybris.

De vleugels van Icarus stellen ons voor de vraag hoe wij ons moeten verbinden met technologie, en niet alleen voor de vraag of dat wel mag. De neiging om direct nee te zeggen is, in Aristotelische termen, een vorm van lafheid: een weigering om te erkennen dat het menselijk bestaan verweven is met technologie. Terwijl een onvoorwaardelijk 'ja' de mens onbezonnen in de waagschaal stelt. Beide benaderingen miskennen hoe mens en techniek samenhangen: conservatisme miskent het technologisch bemiddelde karakter van het menselijk bestaan, terwijl technologie-optimisme de mens opgeeft en de techniek de dienst laat uitmaken.

In onze technische tijd kan de ethiek haar oordelen niet vellen vanaf een plaats buiten datgene waarover ze wil oordelen. Elk oordeel is een oordeel van binnenuit. Het goede midden houden betekent dat je niet meer kunt vragen of we bepaalde technologieën eigenlijk wel hadden moeten maken. Zodra ze er zijn, hebben ze de wereld al veranderd en moeten we er wat mee. Wie dat ontkent, miskent de kracht van technologie; wie er onbezonnen mee aan de haal gaat, is overmoedig.

Zo'n ethiek van binnenuit kan technologie niet meer beoordelen aan de hand van voorgegeven criteria. Die criteria worden immers mede beïnvloed door de technologie zelf, zoals prenatale diagnostiek onze morele oordelen over menswaardig leven en lijden heeft veranderd en zoals anesthesie onze normen ten aanzien van de draaglijkheid van pijn heeft beïnvloed. De kerntaak van een ethiek van binnenuit is niet zozeer het beoordelen als wel het begeleiden van technologische ontwikkelingen.

Door de Google-bril kan degene die ik ontmoet niet zien welke informatie ik allemaal over die persoon beschikbaar heb; misschien zie ik wel heel gênante dingen, of ziet de zoekmachine de persoon voor iemand anders aan, waardoor ik een onjuist beeld krijg. Dat wéét die ander niet, wat open communicatie bemoeilijkt, voor beide partijen. Daar zullen we iets mee moeten doen.

Ik kan me voorstellen dat in gesprekken tussen mensen de code ontstaat de bril af te zetten. Maar de vluchtige uitwisseling van een blik op straat zal voor altijd veranderen, omdat je weet dat iedereen die jou met zo'n bril bekijkt dwars door je heen kijkt. We zouden de bril kunnen uitrusten met een waarschuwingslampje - zodat je weet of het systeem aan staat wanneer iemand je aankijkt. Of het zou pas mogelijk kunnen zijn om informatie over iemand op te vragen als je langer dan vijf seconden expliciet oogcontact hebt - waarmee er toch duidelijk een grens van intimiteit overschreden is. Ook kan Google mensen invloed geven op het 'profiel' dat anderen te zien krijgen als je gezicht wordt herkend. Maar de grens tussen privé en publiek wordt onherroepelijk dunner. We hebben straks een nieuwe etiquette nodig, zoals die ook nu bestaat voor smartphones in de openbare ruimte.

Snel omarmen van deze techniek is even kortzichtig als het meteen afkeuren ervan. Ze vraagt om begeleiding. Om nadenken over de vraag welke informatie mag worden ontsloten door de bril en welke niet. Wat behoort tot het privé-domein en wat niet, en wie bepaalt dat? Hoe moeten jongeren leren wat de consequenties van de Google-bril kunnen zijn voor hun sociale leven?

Ook bij de geslachtskeuzechip zullen we dicht op de huid van de techniek zelf moeten kruipen. Verbieden is geen optie. We kunnen ons beter afvragen welke ethische vragen deze nieuwe technologie oproept. Zoals: waarom was geslachtskeuze ook alweer verboden in Nederland? Stamt dit verbod uit de tijd dat een zoon het grootste geschenk was dat je kon krijgen? Dan is het verbod misschien al achterhaald. Gaat het om een principiële weigering om mensen keuzes te laten maken over hun nageslacht, omdat elk mens evenveel waard is? Maar dan zouden we ook geen embryo's en foetussen mogen selecteren op erfelijke ziektes.

Het juiste midden houden betekent hier: niet bij voorbaat ja of nee zeggen, maar voorzichtig experimenteren met geslachtskeuze. Laten we ermee beginnen onder bijzondere omstandigheden, net als met abortus. Door mensen vervolgens nauwkeurig te volgen en te helpen bij hun ethische vragen en de keuzes die ze maken, krijgen we meer inzicht in de normatieve dimensies van deze technologie. Dat vergt nauwgezet onderzoek, waar een vruchtbare combinatie mogelijk is tussen sociale wetenschappen en techniekfilosofie. In plaats van voorgegeven ethische theorieën toe te passen op technologie, moeten we onderzoeken hoe deze technologieën moreel relevant worden gemaakt in de manier waarop mensen ermee omgaan en erover spreken. De ethiek komt dan van binnenuit, niet van buitenaf.

Het is zeker mogelijk dat deze technologie ondertussen onze ethische grenzen opschuift, en dat het een beladen keuze wordt om je kinderen te laten opgroeien in een gezin met vier jongetjes of vier meisjes. Net zoals het nu steeds meer een beladen keuze is om een kind met Down te krijgen: het gebeurt nog steeds (gelukkig maar, zeg ik met de moraal van nu) maar alleen als bewust besluit. Onze moraal ontwikkelt zich immers met de techniek mee. Dat is altijd zo geweest en daar is ook niets mis mee. We moeten ermee leren leven - zoals Icarus moest leren vliegen met zijn vleugels.

Peter-Paul Verbeek is hoogleraar Filosofie van Mens en Techniek aan de Universiteit Twente. Dit artikel is een bewerking van zijn diesrede aan deze universiteit.

Hier heb je vleugels, zei zijn vader tegen Icarus. Vlieg niet te hoog, vlieg niet te laag

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden