Review

'Te veel filosoof om christen te worden'

Salomon Maimon: Mijn levensverhaal. Vertaling en nawoord W. Hansen. Atlas, Amsterdam; 287 blz. - ¿ 49,90.

'Mijn levensverhaal', zoals het simpelweg heet, is een prachtig, met vaart en humor geschreven boek, dat zich laat lezen als een Bildungsroman. Maimon was niet alleen als filosoof een overtuigd aanhanger van de Verlichting, hij was bovendien, wat zijn intellectuele ontwikkeling betreft, het vleesgeworden Verlichtingsideaal.

'Verlichting', schreef zijn tijdgenoot Immanuel Kant, betekent: zich bevrijden van de onmondigheid die men aan zichzelf heeft te wijten. Daartoe is besluitvaardigheid nodig en moed - moed om zijn eigen verstand te gebruiken, in plaats van af te gaan op de leiding van anderen.

Welnu, die moed bezat Maimon in hoge mate, samen met een onvermoeibare weetgierigheid, een flinke dosis eigenzinnigheid en doorzettingsvermogen. Al die eigenschappen had Maimon nodig om zich te kunnen ontworstelen aan het milieu waaruit hij stamde, de joodse gemeenschap in Litouwen. Daar stelde men zich, zoals hij schrijft, bij de geringste afwijking van de ceremoniële wet of bij het uitspreken van een vrije gedachte bloot aan de woede van de rabbijnen. Bovendien beletten vooroordelen leergierige jongens zoals hij de toegang “tot alle andere talen dan het Hebreeuws en alle andere kennis en wetenschap dan die van de talmoed en van het enorme aantal commentatoren ervan.”

Maimons beschrijvingen van dit milieu zijn levendig en informatief tegelijk. Onpartijdig en onbevooroordeeld zijn ze niet, anders dan de oorspronkelijke tekstbezorger Moritz in zijn voorwoord wil doen geloven. Maimon beschrijft zijn volk vanuit de ironische distantie van de verlichte en rationele geest, die zich heeft losgemaakt van religieus dogmatisme, magisch bijgeloof en 'rabbijns despotisme.' Maar hij beschrijft het - en daar doelt Moritz misschien op - zonder enige rancune, en zeker zonder de haat die onder veel christenen leefde. Hij is altijd jood gebleven, zelfs een 'verstokte jood', zoals hij zich ergens noemt.

De levensomstandigheden van de joden binnen het Poolse rijk, waartoe Litouwen behoorde, waren betrekkelijk gunstig. Ze genoten een grote mate van vrijheid, als gevolg niet zozeer van respect voor de algemene rechten van de mens, zoals Maimon opmerkt, maar van 'onwetendheid en luiheid': de joden waren, hoe gehaat ook, onontbeerlijk om het economische leven draaiende te houden, als kooplui, ambachtslieden, of als pachters van land, zoals Maimons grootvader.

Het grootste ideaal van joodse ouders was echter dat hun zoon rabbijn werd. Dat was ook Maimons bestemming. Hij begon veelbelovend: al op negenjarige leeftijd was hij een grondig kenner van de bijbel en de talmoed, inclusief de vele commentaren daarop. Een paar jaar later liet hij zich 's nachts insluiten in een synagoge om de kabbala te bestuderen.

Dankzij zijn groeiende reputatie kreeg Maimon het ene huwelijksaanzoek na het andere, want rabbijnen in spe waren gewilde schoonzonen. Dat leidde tot ronduit kluchtige verwikkelingen. Zijn vader, vaardig onderhandelaar over de bruidsschat, had hem op een gegeven moment aan twee partijen tegelijk beloofd, wat de betrokken kandidaat-schoonouders door toeval ontdekten.

Na de nodige onderhandelingen en een mislukte ontvoering werd de zaak geschikt. Maimon trouwde, nog maar elf jaar oud, met de dochter van een weduwe en trok bij hen in. Het werd geen succes. Elke dag bekogelden hij en zijn schoonmoeder elkaar met huisraad en zijn vrouw had hem meteen al duidelijk gemaakt wie de baas in huis zou zijn, door hem volgens oud gebruik bij de bruiloft hard op de voet te trappen. Van de vervulling van de huwelijkse plichten kwam aanvankelijk weinig terecht, niet onbegrijpelijk gezien de leeftijd van de echtgenoot. Toch werd hij al op veertienjarige leeftijd vader van een zoon, nadat hij door de goede zorgen van een heks van zijn schroom was afgeholpen.

Over Maimons gezinsleven vernemen we verder nog maar weinig. Hij was zelden thuis, want hij moest als inwonend huisleraar geld verdienen, nadat was gebleken dat zijn schoonmoeder de in het huwelijkscontract opgenomen verplichting om hem zes jaar lang te onderhouden, door grote schulden niet kon nakomen. Door zijn kostwinnerschap moest hij, zoals hij schrijft, een hele tijd vergeefs snakken naar de bevrediging van zijn natuurlijke instinct - de drang naar kennis en wetenschap die bijbel of talmoed hem niet konden bieden.

Wel leerde hij in die jaren van frustratie zichzelf met veel moeite Duits lezen, een grote stap op weg naar het onontkoombare besluit dat hij nam toen hij vijfentwintig jaar oud was: zijn land en volk te verlaten om de waarheid te zoeken.

Hier begint het tweede deel van Maimons levensverhaal: het verslag van zijn omzwervingen door Duitsland. Hij wil naar Berlijn om er medicijnen te studeren, maar wordt er aanvankelijk niet toegelaten. Later, na een half jaar bedelen en een paar gelukkige jaren als huisleraar in Polen, krijgt hij er een verblijfsvergunning. Hij verkeert er in verlichte kringen, die hij verbaast met zijn grote wijsgerige kennis, ook al spreekt hij nog nauwelijks Duits (later zal hij op het gymnasium van Altona zijn talenkennis verbeteren).

In Berlijn en de andere steden waar hij verblijft, zoekt hij vooral het gezelschap van zijn volksgenoten. Door verlichte joden wordt hij bewonderd en financieel gesteund, door orthodoxe verketterd om zijn denkbeelden en zijn ongodsdienstige leefwijze: synagoges bezocht hij allang niet meer en zijn baard had hij afgeschoren.

Een aantal maanden brengt hij in Den Haag door, maar gebrek aan intellectueel gezelschap drijft hem daar tot zo'n grote eenzaamheid dat hij alleen door zijn getreuzel wordt weerhouden van zijn voornemen om in een gracht te springen. Weer terug in Duitsland doet hij, ter verbetering van zijn omstandigheden, een halfslachtige poging over te gaan tot het christendom. “U bent te veel filosoof om christen te worden”, constateert de door hem benaderde dominee echter, nadat Maimon hem bij voorbaat heeft laten weten dat hij geen geloofsvoorwaarden kan aanhangen die in strijd zijn met zijn redelijke overtuigingen.

'Mijn levensverhaal' is ook een intellectuele autobiografie. Maimon beschrijft zijn omgang met de beroemde Moses Mendelssohn, Verlichtingsfilosoof én groot talmoedist, en erkent zijn schatplichtigheid aan twee andere joodse denkers, Spinoza en Maimonides. Deze laatste, die leefde in de twaalfde eeuw, bewonderde hij zo dat hij zijn naam aannam. Aan hem heeft hij een aantal interessante hoofdstukken gewijd, die door vertaler W. Hansen terecht apart achter in het boek zijn geplaatst om de verhaallijn niet te onderbreken. Maimon werd ook diepgaand beïnvloed door Immanuel Kant, over wie hij een studie schreef die door Kant in een brief hogelijk werd geprezen.

Pas aan het einde van het boek vernemen we weer iets over Maimons gezin. Zijn vrouw heeft hem na jaren weten op te sporen en komt met zoonlief naar Breslau, waar hij op dat moment vertoeft. Ze eist dat hij onmiddellijk met hen terugkeert naar Litouwen, maar hij geeft niet toe. Ik had me, schrijft hij, ter rechtvaardiging van zijn besluit, “met succes bevrijd van bijgeloof en religieuze vooroordelen; ik had mijn ruwe zeden en levenswijze afgelegd en mijn kennis enorm vergroot. Ik kon niet vrijwillig naar mijn vroegere barbaarse en ellendige leven terugkeren.” Het loopt uit op een scheiding.

In het nawoord van de vertaler, die uitstekend werk heeft verricht, vernemen we hoe het Maimon naderhand is vergaan, in de laatste jaren van zijn korte leven. Door zijn eigenzinnige karakter raakte hij gaandeweg vervreemd van zijn vrienden en stierf, eenzaam en ten prooi aan drankzucht, op een landgoed in Silezië, waar hij mocht wonen van zijn laatst overgebleven weldoener.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden