Te modern voor de kudde

Boekwinkels weigerden het boek te verkopen. En lezers die het desondanks te pakken kregen, waren diep geschokt. Precies 150 jaar geleden publiceerde de Haarlemse predikant Conrad Busken Huet ’Brieven over den Bijbel’, waarin hij zijn moderne theologische opvattingen ontvouwde. David Bos verdiepte zich in het schandaal dat deze 19de-eeuwse Kuitert teweegbracht.

Is dat die twijflaar, die een wereld van verdichting

Van uit zijn brein te voorschijn riep?

De Held des ongeloofs, de apostel der verlichting,

Die ’t Christendom uit faablen schiep?

Zo beschreef dominee-dichter Bernard ter Haar in 1841 wat er door hem heen ging bij het zien van een portret van de beruchte Duitse filosoof-theoloog David Friedrich Strauß (1808-1874). Ter Haar leek verbaasd dat deze ’gevallen engel’ eruitzag als een gewoon mens – en niet als een duivel. In ’Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet’ (1835-1836) had Strauß Jezus geportretteerd als een gewone Joodse volksleraar, die na zijn dood ten prooi was gevallen aan mythevorming en vergoddelijking. Als je wilde weten wie Jezus echt geweest was, moest je de evangeliën lezen met een nuchter, kritisch oog. De wonderverhalen bijvoorbeeld kon je dan ter zijde schuiven als vrome verdichting.

Strauß’ boek leidde in Duitsland en Zwitserland tot felle debatten, waarin niet alleen theologen zich mengden. Doordat de schrijver zich had bediend van zijn moerstaal, in plaats van het Latijn, konden ook leken kennisnemen van zijn ideeën. In Nederland bleef zo’n publiek debat achterwege. Toen in 1839 een uitgever een vertaling op de markt wilde brengen, riep de Groningse hoogleraar Petrus Hofstede de Groot hem op om daarvan af te zien. Alleen theologen zouden deze ’misgeboorte van onze eeuw’ moeten bestuderen „zoals een arts krankzinnigen moet kennen, om te weten, waar hun kwaal in gezeten is”. De uitgever zette zijn plan door, waarna de vereniging van boekhandelaren haar leden opriep om het boek te boycotten; ze kocht de hele oplage op. In 1858 zou ze alle exemplaren vernietigen.

Maar om Strauß’ ’historisch-kritische’ benadering konden Nederlandse theologen moeilijk meer heen. In Duitsland had ze school gemaakt. Vooral in Tübingen analyseerden theologen de Bijbel op dezelfde manier als geschriften uit bijvoorbeeld de klassieke Oudheid.

Nederland kende een eerbiedwaardige traditie van bijbelonderzoek, maar daarin ging het vooral om taalkundige kwesties. Sommigen bedreven daarnaast ook ’tekstkritiek’: het reconstrueren van de ’oorspronkelijke’ versie. Daarbij moesten ze voorzichtig te werk gaan; veel gelovigen beschouwden zulke correcties als een schending van de Schrift. Vragen naar het auteurschap en de totstandkoming van teksten lagen nog veel gevoeliger. Liever gingen theologen snel over tot de exegese. Die leverde wél stof op waarover je met een gerust hart kon preken – toentertijd het criterium, en niet enkel onder godgeleerden. Wetenschap werd opgevat als een vorm van beschaving die zich waar moest maken in welsprekendheid.

Rond het midden van de negentiende eeuw kreeg de ’historische kritiek’ een prominentere plaats. Dat was te danken aan een nieuwe opvatting van wetenschap, als een proces van onbevangen, empirisch onderzoek. Ook de theologie kon daar niet omheen. Waar de filosofie en de natuurwetenschappen vroeger dienden om Gods bestaan en goedheid te bewijzen, begonnen ze nu voor zichzelf te spreken. In plaats van het christelijke wereldbeeld te schragen, ondermijnden ze het. De hemel kwam in de lucht te hangen.

Na 1840 distantieerden enkele Nederlandse theologen zich van het idee dat er naast de waarneembare werkelijkheid nog een soort ’bovennatuur’ bestond. God, zeiden ze, maakte deel uit van de werkelijkheid. Dat had verstrekkende gevolgen voor hun opvattingen over de openbaring en over de wonderen.

De bekendsten van deze ’modernen’ waren de Utrechtse hoogleraar wijsbegeerte C.W. Opzoomer en de Leidse theologen J.H. Scholten en Abraham Kuenen. Een van hun leerlingen was Conrad Busken Huet (1826-1886).

Busken Huet zou geen professor, en zelfs geen doctor worden. Na zijn theologiestudie werd hij in 1851 Waals hervormd predikant in Haarlem. Op 13 oktober 1859 trouwde hij met een van zijn leerlingen, Anne van der Tholl. Op 31 mei 1860 kregen ze hun eerste en enige kind.

Huets kansen op een carrière in de kerk waren toen al verkeken. Niet omdat zijn zoontje zevenenhalve maand na het huwelijk was geboren maar vanwege een geruchtmakend geesteskind: ’Vragen en antwoorden. Brieven over den Bijbel’.

De eerste aflevering van deze ’Brieven’ verscheen op 21 mei 1857, de laatste krap een jaar later. De vorm was niet heel nieuw: er bestonden al talloze godsdienstige boeken waarin een vader correspondeerde met zijn kind, of een predikant met een catechisant. Maar dit is een briefwisseling tussen broer en zus – tamelijk gelijkwaardige partijen dus.

Reinout, zoals de jongen heet, is bovendien geen theoloog maar effectenmakelaar, die zich in zijn vrije tijd heeft verdiept in bijbelwetenschap. Zijn zusje Machteld vraagt hem om zijn kennis met haar te delen. Haar belangstelling voor geloofzaken is niet alleen intellectueel. „Weet je, Reinout, juist om dat geloof heb ik de laatste tijd veel geleden en veel verdriet gehad. [...] De reden is dat ik wel geloof heb, maar geen vast geloof, en zelf niet weet wat ik geloof en wat niet.”

De eerste, kardinale vraag die Machteld haar broer voorlegt luidt: „Hoe we moeten denken over het spreken van God tot de mensen, waarvan de Bijbel telkens gewag maakt?”

Ze wil best geloven dat God gesproken had via de profeten en Jezus – maar hoe? „Hebben zij God horen spreken, in de lucht, boven hun hoofd?”

Reinout antwoordt dat ook een schilder of beeldhouwer ’spreekt’, door middel van zijn kunstwerken. Zoiets moet je je voorstellen bij het spreken van God. De betekenis van de profeten en apostelen was niet zozeer gelegen in wat ze precies hadden gezegd, als wel in wat ze waren geweest; in hun karakter, persoonlijkheid of ’genie’. Dat gold ook voor de openbaring in engere zin: „De Tien Geboden zijn het product van Mozes’ geest.”

„Waarom heeft niemand mij dat eerder verteld?”, antwoordt Machteld. „Reken maar dat de jeugd van tegenwoordig meer met godsdienst op zou hebben en ook vaker naar de kerk, en aan het Avondmaal zou gaan, als men niet van die zwakke argumenten gebruikte om hun bedenkingen de kop in te drukken.”

Maar nog lang niet al haar vragen zijn beantwoord. „Ik weet niet of het aan de vertaling of aan mijn domheid ligt, maar afgezien van een paar historische hoofdstukken, begrijp ik niets van de profetische boeken van het Oude Testament. Dat is kennelijk geen meisjeslectuur.” Overal in de Bijbel stuit ze op verhalen „waarbij ik zo’n bedenkelijk gezicht trek dat jij, als je erbij was, nog medelijden met me zou krijgen”. Ze struikelt over verhalen waarin mensen gewelddadigheden begingen in naam van de Allerhoogste. „Het wil er bij mij niet in, dat zulke daden [...] werkelijk door God zouden zijn geïnspireerd of goedgekeurd.” En van veel andere bijbelverhalen merkt ze nu pas hoe vreemd ze zijn. „Wat een toverwereld, Reinout!”

Machteld twijfelt, tegen wil en dank. „Soms krijg ik zin om al mijn twijfels voorgoed opzij te zetten, en te denken: er staat geschreven; om me tevreden te stellen met dat wat onze dominee altijd zegt: de Bijbel is Gods Woord en daarmee uit; en mij zonder tegensputteren neer te leggen bij de letter van het Heilige Boek. Dat lukt soms ook best. Maar nauwelijks ben ik ingedut, of mijn geweten roept me wakker; dan voel ik hoe bedrieglijk die ingebeelde troost is, en dan moet ik erkennen dat ik me niet heb laten leiden door nederigheid, maar door luiheid, machteloosheid.”

Reinout antwoordt dat geloven niet betekent dat je alles wat in de Bijbel staat voor waar houdt. „Ik heb een fout afgeleerd”, zegt hij. „Het idee dat iets niet meer waar is als het niet werkelijk is gebeurd.”

Dit roept natuurlijk de vraag op hoe Reinout (lees: Huet) aankijkt tegen de berichten over Jezus’ leven en werken – vooral de opstanding. Zou hij net zo ver gaan als Strauß?

Het antwoord op die vraag stelt hij uit tot de allerlaatste brief. Eerst zet hij uiteen dat geen van de evangeliën beschouwd kan worden als een ooggetuigeverslag; Matteüs, Marcus, Lucas noch Johannes was ’de stenograaf van Jezus’ geweest. Vervolgens analyseert Reinout de verhalen over de verzoeking van Jezus in de woestijn, zijn ’verheerlijking op de berg’, en zijn geloofsstrijd in Gethsemane – drie voorbeelden van ’in geschiedenis getransformeerde zielservaringen’. Daarna bespreekt hij de gebeurtenissen die herdacht worden op de vier grote christelijke feestdagen.

De berichten van Matteüs en Lucas over Jezus’ geboorte zijn volgens Reinout legendes. Ook over de opstanding kan hij kort zijn: de vier evangelisten en Paulus spreken elkaar op vrijwel alle punten tegen. Maar dat wil niet zeggen dat ook dit maar een legende is. Voor de historiciteit van de opstanding is volgens hem meer te zeggen dan voor enig ander wonderverhaal. Alleen al het feit dat het christendom is ontstaan, duidt erop dat er na Jezus’ dood iets ongewoons moet zijn gebeurd.

Heel anders ligt dat met Jezus’ hemelvaart. ’Het opstijgen van ’s Heeren lichaam in de lucht’ vindt Reinout ongeloofwaardig. Die voorstelling is alleen bij Lucas te vinden, en ze gaat ervanuit „dat de aarde plat is, dat de hemel zich ongeveer boven Palestina bevindt, en dat er wegen zijn waarlangs je die hemel binnen kunt komen”.

Niet veel beter is het gesteld met het pinksterwonder. Ongeloofwaardig is alleen al dat inwoners van een wereldstad als Jeruzalem ervan zouden hebben opgekeken dat de apostelen vreemde talen spraken. „Moest een Jood te veel gedronken hebben om Arabisch of Latijn te spreken?”

Alle kerkelijke feesten zijn dus gebaseerd op onvolledige of tegenstrijdige berichten. En toch, zegt Reinout, vier ik ze van harte: „Kerstmis het feest van de verzoening, Pasen het feest van de wedergeboorte, Hemelvaart het feest van de onsterfelijkheid, Pinksteren het feest van de vrijheid van Gods kinderen.” Want in deze ’proza geworden poëzie’ of ’poëzie geworden dogmatiek’ herkent hij de kern van zijn geloof. Ook moderne mensen kunnen niet zonder zulke symboliek. Bovendien acht Reinout het niet uitgesloten dat er werkelijk wonderbaarlijke dingen zijn gebeurd. Maar het idee dat God zo nu en dan naar believen de natuurwetten zou hebben opgeheven, vindt hij onaanvaardbaar. Dat zou betekenen dat de Almachtige onbetrouwbaar is. „Ja, ja, ik weet het: ’God is groot en wij begrijpen Hem niet.’ [...] Maar wetteloosheid, willekeur, wijn uit water, lopen over water, vermenigvuldigde broden en vissen, van de duivel bezeten varkens? Ik kan je wel vertellen: als ik dit moet geloven om lid van de kerk te mogen blijven dan stap ik er liever uit en zoek ik het helemaal zelf uit.”

Wat gelooft Reinout dan eigenlijk wél? En wat betekent de Bijbel voor hem? Beschouwt hij de Schrift enkel als een voortbrengsel van de cultuur waarin ze was ontstaan? In zijn laatste brief legt hij daar een klinkende belijdenis over af.

„Zoals het hele christendom puur en alleen dienende liefde is naar het voorbeeld van Christus, zo is de hele Bijbel puur en alleen mensenwerk. Ja, geïnspireerd door het geloof van mensen, van profeten en apostelen.; [...] niet uit de wolken gevallen als een meteoriet.

Maar opgerezen uit de boezem van het Joodse volk. [...] niet, stukje bij beetje of in één keer, op schrift gesteld door de Voorzienigheid [...] maar ontloken aan de stam van Israël, blad voor blad, zoals een bloem ontluikt; niet afkomstig van God zonder dat de Joden eraan te pas kwamen, of over hun hoofden heen, maar uit de Joden zelf, onder Gods leiding; mensenwerk, dus, door menselijk geloof ingegeven, door menselijke kunst geperfectioneerd, door menselijke zorg bewaard, door elk waarachtig mensenhart verstaan en herkend als stem van het hart, als stem van menselijke vroomheid, van menselijk lijden, van menselijke blijdschap: zulk mensenwerk is voor mij de Bijbel.”

Doordat Huet zijn ’Brieven’ in afleveringen publiceerde, kon hij ingaan op de reacties die ze opriepen – bijvoorbeeld van critici die zeiden dat hij weliswaar gelijk had maar dat ’de mensen’ er nog niet rijp voor waren, en dat je ’de zwakken’ moest ontzien.

„Als je dan op de man af vraagt wie die zwakken zijn, antwoordt iedereen: ’Ik niet’, ’Ik ook niet’, ’Stel je voor! Ik zeker niet!’ Zodat je uiteindelijk te maken hebt met een hele verzameling mensen die unaniem erkennen: ’Jullie en ik kunnen dit aan.’ De zwakken liggen op het kerkhof.”

Volgens Huet zou het publiek wel wennen aan de opvattingen waarop het nu nog geschokt reageerde. „Laatst zat ik in de trein. [...] Ik keek uit het raam en zag met plezier de kudde grazende koeien [...] Ik herinnerde me toen hoe ik in het vroege voorjaar [...] had gelachen om de angst van die beesten toen de ratelende trein als een donderbui voorbij denderde. [...] Maar dit keer, nu ik ze terugzag, bleven ze volkomen rustig doorgrazen. [...] Ach ja, dacht ik, alles went.”

Vooralsnog leek de kudde er niet aan te kunnen wennen. De ’Brieven’ leidden tot een groot schandaal. Sommige boekwinkels weigerden ze te verkopen, en waar het publiek ze wel in handen kreeg, raakte het er niet gauw over uitgepraat.

Veertig jaar na dato schreef een domineeszoon daarover: „Nog zie ik den schrik op het gezicht van sommige gemeenteleden van mijn vader die kennis hadden durven te nemen van deze wilde aanval op Bijbel en christendom; nog hoor ik hoe men fluisterde als dit onderwerp werd aangeroerd; nog zie ik de geheimzinnige wijze waarop men elkaar de jongste aflevering van dit werk liet zien. Busken Huet was destijds tegelijk de Strauß en de Voltaire van Nederland.”

Hoewel de ’Brieven’ meteen veel stof deden opwaaien, werden ze maar in een paar tijdschriften besproken. De uitvoerigste en meest kritische recensie verscheen in Waarheid in Liefde, het tijdschrift van Hofstede de Groot en andere ’Groninger Godgeleerden’. Die waren zelf ook lang niet orthodox, maar Huet ging volgens hen te ver. Zijn benadering was on-Nederlands; ze hoorde thuis in het vaderland van die vermaledijde doctor Strauß. Dat verwijt, schreef Huet in een weerwoord, was tekenend voor de hardleersheid van deze godgeleerden.

„Ze gaan ervan uit dat je een Nederlandse predikant niet erger in diskrediet kunt brengen dan door erop te wijzen dat hij op één lijn zit met de schrijver van ’Das Leben Jesu’, een boek waaraan de theologie volgens mij zeer veel te danken heeft. [...] Uit godsdienstig oogpunt zie ik in dr. Strauß een koning Assur, een roede van Gods toorn, een stok van Zijn grimmigheid, een man die gezonden werd voor het bestraffen van een godvergeten volk van ongezeglijke theologen.”

De methode van de Groningers was ’door en door onwetenschappelijk’, vond Huet. Hij had gesteld dat het verhaal over Jezus in Gethsemane geen ooggetuigenverslag kon zijn, aangezien het verhaal zelf wilde dat de discipelen hadden geslapen. ’Maar, hadden de Groningers toen opgemerkt, „er staat niet geschreven, dat ze de hele tijd geslapen hebben”. Zulke uitvluchten bewezen volgens Huet dat de Groningers geen wetenschappelijk fatsoen kenden. Niet hij, maar zij ondermijnden de fundamenten van het christelijk geloof „want door hun verdediging [...] beginnen die grondvesten te lijken op een bouwvallige en scheefgezakte kade”. Eerder had Huet al kritiek geuit op de beduchtheid van theologen om in te gaan tegen de opvattingen van het kerkelijk publiek. Door die koudwatervrees was godgeleerdheid een mislukte wetenschap: „Ze is een volwassene aan de leiband van een kind [...]; een kaars die aan een kandelaar komt vragen: Mag ik zo vrij zijn?’

Vanaf 24 december 1858 verscheen een reeks alternatieve ’Brieven over den Bijbel’, geschreven door dr. Cornelis Philippus Hofstede de Groot, zoon en leerling van de Groningse hoogleraar, en hervormd predikant in het Groningse dorpje Rottum. Zijn serie had ongeveer dezelfde vorm en opzet, maar ze bestond alleen uit brieven aan Machteld, geschreven door haar neef. Deze Leonard was verder geen geïnteresseerde leek, zoals Reinout, maar een ’proponent’: een kandidaat-predikant. Bovendien was zijn toon was heel wat plechtstatiger dan die van Reinout en Machteld.

Leonard gaf toe dat de Bijbel niet van begin tot eind ’een goddelijk, heilig, van Gods geest ingegeven boek’ was, en dat je niet overal waar God werd aangehaald moest denken aan een ’buitengewone openbaring’. Maar aan dat laatste hield hij in principe vast, net als aan andere goddelijke interventies: „Er zijn wonderen gebeurd en het christendom is op wonderen gebouwd.” Daar hoopte neef Leonard zijn lieve nichtje van te overtuigen.

Ook de remonstrantse predikant P.A. de Génestet, dichter, vriend en geestverwant van Huet, reageerde op de kwestie. In zijn gedichten dreef hij graag de spot met de betweterigheid van de modernen, én met de intellectuele lafheid van de orthodoxen of conservatieven. Hij vond het ’nogal wonderlijk’ dat een meisje het middelpunt was van godgeleerd gekrakeel.

Eerst Reinout en nu Leonard! En wie zal ’t dan weêr wezen? Ik hoop een man voor Machtelds hart: Die zal haar wel genezen Van ’t schrijven en van ’t lezen!

De Génestet werkte dit idee verder uit in een lang gedicht. Leonard, zo suggereerde hij, was niet alleen Machtelds neef, maar ook haar vrijer. Op een mooie lenteavond hoort de dichter de jongelui met elkander praten – maar op luidere toon dan je zou verwachten van een verliefd stel:

Dwepen zij met dichtren zangen, ’t Hart vol jeugd en poëzij? Of is Jaloezie aan ’t spoken? Wordt de huwelijksreis besproken? Is de Proponent wat vrij?

Neen, o Goôn – maar zij bespreken, Onder ’t filomelenlied, Bij het geuren der seringen... De echtheid van de Handelingen Der Apostlen! – minder niet.

De woordenwisseling tussen de geliefden eindigt met het verschijnen van Reinout, die zijn tegenstrever velt met een ’Tübingsch zwaard’.

In de ’Brieven’ had Huet geschreven dat er veel te zeggen viel voor de historiciteit van de opstanding. Maar in 1860 stelde hij onomwonden dat het christendom niet gebouwd was „op de hoeksteen van een [...] weer levend geworden lijk. Als dogma of poëzie heeft deze voorstelling waarde [...] Maar de historische betekenis van deze verhalen is nihil.”

Huet was inmiddels niet de enige die openlijk in twijfel trok of Jezus daadwerkelijk was opgestaan. Zo was in de hervormde kerk een jonge theoloog toegelaten als predikant, terwijl hij had verklaard dat hij nog moest uitzoeken „of de herleving van een waarlijk dood lichaam al of niet [...] tot de volstrekte onmogelijkheden behoort”. Toen de hervormde synode daarop werd aangesproken, stelde ze uitdrukkelijk dat ze vasthield aan de Bijbel en aan de opstanding. Maar ze wilde degenen die daaraan twijfelden niet veroordelen. De synode voorzag dat ze dan verstrikt zou raken in oeverloze discussies over de vraag welke opvattingen net wel, en welke net niet door de beugel konden.

Huet kon dus predikant blijven. Maar door het rumoer over zijn ’Brieven’ was hij op dood spoor beland. Bij de ene na de andere predikantsberoeping werd hij gepasseerd, en ook een leerstoel in de letterenfaculteit ging aan hem voorbij. Begin 1862 werd hij vaste medewerker van De Gids, maar dat leverde hem te weinig op om van te leven.

Toch bood hij op 13 januari van dat jaar zijn ontslag aan. De kerkeraadsleden verleenden hem dat zonder dralen: ze hadden gemerkt dat veel gemeenteleden niets van Huets ideeën moesten hebben. Dankzij een van de diakenen kreeg hij een baan als redacteur van de Opregte Haarlemsche Courant.

Na hem zouden nog veel andere moderne theologen het predikambt verruilen voor de journalistiek, of voor het middelbaar onderwijs. In de hervormde kerk bleef er weliswaar ruimte voor het verkondigen van het moderne gedachtengoed, maar dat viel bij de meerderheid van de gemeenteleden in slechte aarde.

De Moderne Theologie leidde niet, zoals Huet en de zijnen hadden gehoopt, tot een nieuwe Hervorming, maar tot een richtingenstrijd tussen vrijzinnigen, rechtzinnigen en alles wat daartussenin zat. Die strijd dwong predikanten tot behoedzaam opereren. Tijdens hun universitaire studie kregen ze, zeker in Leiden, zo ongeveer hetzelfde te horen als Huet en zijn generatie. Maar die verontrustende wetenschap hielden ze voortaan vaak voor zich, om niet openlijk in aanvaring te komen met ’het geloof van de gemeente’.

Het zou ruim een eeuw duren eer mainstream gereformeerde en hervormde theologen als C.J. Labuschagne, Nico ter Linden en H.M. Kuitert weer even openlijk antwoord durfden te geven op de vragen die Machteld haar broer had gesteld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden