TARA VARMA EEN KWADE POLITICA BOTST OP HAAGSE MORES 'Geld zegt mij niets, zo ben ik opgevoed'

Zij zal zich aanpassen. Haar taal kuizen, westerse kleren dragen, proberen een dame te zijn in de politiek en overal bonnetjes voor vragen. Het is de prijs die Tara Varma moet betalen na 'de affaire'. Maar haar deur blijft openstaan voor de onaanraakbaren van dit land. Want hoe hard zij ook in aanvaring is gekomen met de Nederlandse cultuur, niemand mag verlangen dat de Hindoestaanse vrouw vergeet waarvoor zij in de Tweede Kamer zit.

MARCEL TEN HOOVEN

Haar levenspartner herinnert zich dat Tara Oedayraj Singh Varma tijdens hun zomervakantie, op een van God verlaten plek ergens op de grens van Portugal en Spanje, een kilo vlees op het camping-gasje klaarstoofde. Zelfs daar, in dat niemandsland, gaf zij toe aan haar neiging voor een groot gezelschap een maaltijd te bereiden. Dat is Varma, opgegroeid in een grote en welbedeelde Hindoestaanse familie, met de paplepel ingegoten. Je eigen overvloed deel je met anderen. Zo hoort het, zo betaamt het een Hindoestaanse vrouw.

“Tara zou zich rotschamen als ze nee zou moeten zeggen tegen iemand die onverwacht komt eten. Zelfs daar in Portugal hield ze met die mogelijkheid rekening. Een kilo vlees!” zegt haar partner, Arnold Arnoldussen, die hoewel hij al tien jaar een relatie met Varma onderhoudt, zich nog dagelijks verbaast over het contrast tussen zijn Hollandse soberheid en haar ingeboren vrijgevigheid. Hij vertelt dat hij moeilijk kan wennen aan haar cadeautjes. “Het maakt haar niets uit wat het kost, daar kijkt ze niet naar. Bij ons, Hollanders, moet het toch altijd in balans zijn. Wat je iemand cadeau doet hangt af van wat hij jou eerder gaf.”

Tara Singh Varma probeert ook in haar huis in Amsterdam op z'n Hindoestaans te leven. “Wij wonen hier Hindoestaans. Ik wil dus een huis waar mijn hele familie, uit de hele wereld, moet kunnen eten en slapen. Dat is mij geleerd in het joint-familysystem waarin ik in Suriname ben opgegroeid.” Haar levensstijl vergt een groot huis. Er moet altijd een bed vrij zijn, ook als Jack, de holbewoner, 's nachts voor onderdak mocht aanbellen.

Dat maakt het begrijpelijk waarom Varma zich zo heeft opgewonden over een berichtje in het Algemeen Dagblad. Op het hoogtepunt van de publiciteit rond het GroenLinks-Kamerlid, wier naam de afgelopen maanden tot drie keer toe met financiële manipulaties in verband is gebracht, stuurde de krant een verslaggever op pad om in het kadaster de koopprijs van haar huis te achterhalen. Het berichtje meldde hoe opvallend het was dat Varma op de dag van haar verkiezing zo'n duur huis kocht. De suggestie van een politica, die om het geld een Kamerzetel ambieert, lag er duimendik bovenop. Geen woord over Varma's wens in Amsterdam Hindoestaans te wonen.

Het een-kolommertje in het AD past in de sfeer van het gemiespel, geroddel en gefluister waarvan veel berichten over Varma's vermeende dwalingen op financieel terrein waren doortrokken. Zelfs in de lift op weg naar de persconferentie over het rapport dat haar van de hoofdbeschuldigingen zuiverde, vielen nog terloopse, van achter de hand gemompelde opmerkingen te noteren over de prijs van haar huis en andere irrelevante kleinigheden over haar persoonlijke financiën.

Het laat zich raden dat deze sfeer is ontstaan door de cultuurschok die het optreden van een Hindoestaanse vrouw in de Nederlandse politiek oplevert. Haar omgang met bezit laat zich moeilijk rijmen met onze mores. Uit dat onbegrip lijkt het leeuwedeel van de publicaties over haar financiële handel en wandel geboren.

Die publiciteit is haar niet in de kouwe kleren gaan zitten, zal Varma aan het einde van het urenlange gesprek bij haar thuis bekennen. Koste wat het kost wil zij vermijden nog op te vallen, in de hoop geaccepteerd te worden. Zij voelt zich gedwongen tot aanpassing over haar persoonlijke grenzen heen. “Ik probeer een dame te zijn, hoewel ik feitelijk een straatvechter, een politica uit kwaadheid ben.”

Tijdens haar jeugd in Suriname zeiden ze al van Tara Oedayraj Singh Varma dat ze witte sokjes droeg. Iemand van de Hindoestaanse elite kon altijd rekenen op scheve blikken, hoe goed de familie zich ook voegde in de ongeschreven regel om anderen te laten delen in de eigen voorspoed. Varma's grootvader was één van de oprichters van de Hindoestaanse partij VHP. Varma: “Als je in Suriname een zekere status hebt bereikt, dien je je overvloed te delen. Ik herinner mij nog goed hoe bij mijn grootvader en -moeder 's middags om twaalf uur het grote rode tafelkleed werd uitgelegd voor alle mensen die kwamen eten. Een Nederlands spreekwoord luidt dat wie het breed heeft, het breed laat hangen. Maar dat gaat meer voor Suriname op. In Nederland laten rijke mensen het eerder smal hangen.”

“Ik ben opgevoed met het idee dat hoe meer je verdient, hoe meer je geeft. In een Terzijde in Vrij Nederland stond dat Varma toch moest weten dat je in Nederland geld niet weggeeft, vooral niet aan de armen. Raak getypeerd, toch! Bij mij is het zo dat hoe meer geld ik heb, hoe meer ik weggeef. Dat hoort zo. Het hele gedoe in de berichtgeving over mij heeft te maken met een verschil in de omgang met geld. Geld zegt mij niets, zo ben ik opgevoed in het joint-familysystem. Je kan me niet meer beledigen dan door te zeggen dat ik geld in eigen zak heb gestoken. Ik ben verplicht mijn bezit te delen, zeker nu ik Tweede-Kamerlid ben. Mijn grootmoeder is nog altijd het hoofd van de familie, ook hier in Nederland. Zij beslist. Als er nu iemand bij haar komt om hulp, zegt zij: Tara is nu Kamerlid, zij heeft geld, ga naar haar toe.”

De rode draad in de berichtgeving over Varma was dat zij haar functies in actiecomités en hulpverlenende instanties voor eigen gewin heeft misbruikt. “Ik vind het beledigend dat zo over mij is geschreven. Nederlanders vinden geld zo belangrijk dat ze zich geen voorstelling kunnen maken van andere omgangswijzen met geld. Dat is een cultureel verschil dat is terug te voeren op ons joint-familysystem. Als ik iemand te eten heb en die zegt: Je moet het maar eens komen terughalen, dan erger ik mij wezenloos. Ik kan er maar niet aan wennen.”

Tegen deze achtergrond zal het geen verwondering wekken dat Varma beschroomd was een bonnetje te vragen aan de Grenadezen die zij als lid van het Grenada Komitee tien, twaalf jaar geleden thuis gastvrijheid bood. Naar Varma's zeggen gaf zij geld uit de kas van het comité ten behoeve van de aankoop van apparatuur als tel- en stencilmachines. Zij kwam in opspraak doordat veel uitgaven niet met bonnetjes konden worden verantwoord.

“Ik vond laatst een brief van Tara uit die tijd”, vertelt haar partner. “Dear Sir, schreef zij, het spijt me dat ik u na al die jaren nog lastig val. Maar ik moet u vragen of u zich wellicht nog herinnert dat ik u eertijds, op die en die datum mee uit eten heb genomen in bodega Keyzer en dat u toen een bedrag van mij hebt gekregen. Als u het nog weet, zou u dan zo goed willen zijn dat schriftelijk aan mij te bevestigen? Ze vond het vreselijk om dat soort brieven te sturen.”

Buiten medeweten van Varma zamelden vrienden destijds 6 500 gulden in, ter vergoeding van het bedrag dat zij niet deugdelijk kon verantwoorden. Varma zegt blij te zijn dat ze zulke vrienden heeft. Desondanks heeft de gift een onbedoeld negatief effect gesorteerd. Ook in dit geval hangt het samen met de culturele verschillen in de omgang met geld: “Een Nederlander redeneert dat als er geld wordt geschonken, er ook geld moet zijn verdwenen. Dat is zijn logica. Toch is dat hier echt niet het geval.”

Evenzeer op onbegrip stuit de bevinding van Varma's accountant dat zij in de loop der tijd 24 000 gulden uit eigen zak heeft gestoken in de stichting Informatiepunt voor Surinamers, een kantoortje dat hulp biedt aan Surinamers en migranten die zich buiten de reguliere kanalen bewegen. Nog meer verwondering wekt haar weigering die giften van de belasting af te trekken. “Wat is het doel van die giften dan? vragen ze aan mij. Het moet toch een doel hebben? Ik heb nu een belastingman. Hij helpt mij. Ook hij zegt dat ik het moet aftrekken van de belasting. Dat stuit me zo tegen de borst! Ik doe dat gewoon niet. Ik heb dit geld gegeven aan mensen die het nodig hebben. Dan ga ik er vervolgens toch geen voordeel aan behalen! Daar zou ik wakker van liggen! Dikke boeken ten behoeve van mijn Kamerlidmaatschap, die trek ik af. Maar geld voor anderen niet.”

Tijdens het vraaggesprek wordt Varma veelvuldig gebeld, door een meisje voor wier niertransplantie Varma zich heeft ingezet, door een man die zij uit de cel heeft gekregen nadat hij in een illegaal naai-atelier was opgepakt. Zij neemt altijd op, alleen al om te voorkomen dat binnen luttele tijd in Amsterdam het gerucht gaat dat Varma kapsones heeft sinds zij Kamerlid is.

Varma heeft haar achterban aan de zelfkant van Amsterdam, stemloze mensen als protituées, zwervers, junks en mensen wier 'verblijfstatus niet is geregeld'. Op de avond dat de onderzoekscommissie van oud-staatssecretaris De Graaff-Nauta haar vrijpleitte op de hoofdpunten, trof zij op het stoepje voor haar huis een tuiltje bloemen aan van de 'stadsnomaden'. Jack is één van hen. “Ik ken hem al heel lang. Jack woont het liefst in een hol. Een tijdje geleden moest hij zijn hol uit om plaats te maken voor een nieuw kantoor. Hij belde me midden in de nacht op. Tara, ik wil een ander hol! Helaas, dat kon ik niet voor hem regelen. Hij woont nu in een kapotte bus.”

Haar werk voor het Informatiepunt voor Surinamers brengt haar in intensief contact met de marge van de Amsterdamse samenleving, zoals met die Marokkaanse suikerpatiënt, die doordat hij de medicijnen niet kon betalen al twee keer in coma was geraakt. Ze kent hem nu vijf jaar. Hij heeft in die tijd Nederlands geleerd en maakt nu op humanitaire gronden kans op een verblijfsstatus. Pas dan durft hij zich in te schrijven bij een ziektekostenverzekering.

Met scholen in Amsterdam heeft het informatiepunt afgesproken dat ze attent zijn op mogelijke uithuwelijking van jonge Turkse, Marokkaanse en Hindoestaanse meisjes. Varma nam deze meisjes vroeger wel eens bij zich in huis, tot die ene keer dat onverlaten haar interieur kort en klein sloegen.

De CPN bezorgde Varma, destijds raadslid voor de communisten, en de andere initiatiefnemers van het informatiepunt een eigen ruimte op de CPN-burelen, nadat het op het stadhuis te druk was geworden met Varma's bezoekers. Varma: “Het is begonnen met het geval van een Surinaamse vrouw die door kanker een groot gat in haar rug had. Ze kwam nergens in aanmerking voor behandeling. Ik was toen raadslid en bracht haar in contact met Tineke van den Klinkenberg. Dank zij de bemiddeling van de Amsterdamse wethouder is zij uiteindelijk geholpen in het Slotervaartziekenhuis. Ze tilt nog altijd haar rok op om haar rug-zonder-gat te laten zien, als ik haar tegenkom. Door de moffo kranti, mond-tot-mond-reclame stonden steeds meer migranten op de gang van het stadhuis die naar Tara vroegen. Andere raadsleden vonden dat lastig. Dat was ook wel zo, zeker samen met de stadsnomaden, junks en prostituées die daar ook stonden. Op het stadhuis vonden ze al die figuren wel grappig. Maar toch werden na hun vertrek wel de ramen opengezet.”

Varma's werkwijze als politica heeft alle trekken van het cliëntelisme dat in Suriname onontbeerlijk is voor politiek succes. Toch wil zij dat woord niet horen. “Het is géén cliëntelisme”, roept ze verstoord. “Cliëntelisme veronderstelt dat je een stem terugkrijgt in ruil voor de diensten die jij als politicus verleent. Dat gaat bij mij helemaal niet op. Stadsnomaden, junks en prostituées stemmen in het algemeen niet.”

“Bovendien is het mijn werk om de persoonlijke problemen waarmee ik in aanraking kom te benutten voor objectief beleid. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig met een voorstel om migrantenvrouwen van meet af aan het zelfstandige recht op een verblijfsvergunning te geven. Nu zijn ze drie jaar afhankelijk van hun partner. Nederlandse mannen maken misbruik van die regeling door een Thaise vrouw te trouwen en haar vervolgens in de prostitutie te dwingen. Die vrouwen komen bij mij op mijn spreekuur. Hun problemen breng ik in kaart. Dat is de basis voor de initiatief-wetgeving die ik graag met anderen zou willen voorbereiden, bij voorbeeld met Jeltje van Nieuwenhoven (PvdA) en Anne Lize van der Stoel (VVD).”

Fel spreekt zij tegen dat haar stijl van politiek bedrijven iets te maken heeft met haar Hindoestaanse afkomst. “Het is geen Hindoestaanse politiek, het is migrantenpolitiek. Alle migranten in de politiek worden geconfronteerd met hun achterban, of ze het willen of niet. Het heeft ermee te maken dat er zo weinig van ons zijn. Migranten in de politiek hebben verplichtingen aan hun verantwoordelijke positie. Ik zit op een vooruitgeschoven post. Ik zou deze nooit hebben bekleed als ik niet zo'n grote achterban had. Zoals elke zwarte politicus heb ik de plicht om één uur 's nachts de telefoon op te nemen of de deur open te doen. Een Hollandse politicus zou dat nooit doen. Het is nu hartstikke koud, dus kan ik zwervers aan mijn deur verwachten die vijftien gulden willen hebben voor een hotelletje.”

“Ik ben bevoorrecht als Tweede-Kamerlid. Daarom moet ik mijn positie gebruiken om de mensen in achterstand omhoog te helpen, hun aanzien te vergroten. Ik benut mijn functie om mensen tegen onrecht te beschermen. Dat is echt niet specifiek Hindoestaans.”

Haar 'onaanraakbaren' - Varma duidt haar achterban aan met de benaming van de laagste kaste in India - hebben zich fel geroerd in de periode dat zij in opspraak was. Met busladingen vol dreigden ze naar de Tweede Kamer te komen om de boel op stelten te zetten. “Kunnen we niet iemand ontvoeren?”, vroegen ze in hun redeloze woede aan Varma's levenspartner. Onbekenden legden spontaan een bewakingscordon rond Varma's huis. Mensen stonden huilend op de stoep van het Kamerlid.

Ondanks al die steun voelt Varma zich toch eenzaam in de Tweede Kamer. Ze gaat zo ver in haar neiging zich te plooien naar het specifieke wereldje op het Binnenhof dat ze het gevoel heeft persoonlijke grenzen te overschrijden. “Het heeft te maken met mijn Hindoestaanse achtergrond dat ik mij ongemakkelijk voel in een uitzonderingspositie. Het Hindoestaanse in mij is de neiging me ondergeschikt te maken. Ischa Meijer betrapte mij al eens. Je kijkt wel op tegen die Nederlanders, hè? Ja, gaf ik toe.”

“In de Kamer heb ik soms het gevoel dat ik mijn uppie zit. Ik wil op de een of andere manier geaccepteerd worden, daarom pas ik me aan. Ik kleed me netjes westers aan, hoewel ik veel liever mijn Indiase kleren zou dragen, een sieraad door mijn neus en m'n eigen ringen en armbanden om. Ik voel me echt een eenling. Ik raak altijd een beetje in de war als een lid van een christelijke fractie een bijbeltekst citeert. Want ik weet dat het niet geaccepteerd zou worden wanneer ik, als Hindoe, uit de Bhagwad Geeta zou voordragen.”

“In mijn gedachten ben ik trouw aan het hindoeïsme. Ik probeer te leven volgens de regels van de hindoe-traditie. Dat is in de Kamer helaas erg moeilijk. Van de 150 Kamerleden zal slechts een enkeling weten dat wij in maart het hindoe-nieuwjaar vieren en in oktober het feest van Lakshmi, de godin van het licht. Dan vergadert de Kamer, dus ik kan daaraan niet mee doen. Op het lichtfeest droeg ik altijd de traditionele klederdracht. Dat heb ik de laatste keer opgegeven. Dat heeft me wel iets gedaan. Maar ja, ik ben bang dat ze grapjes over me maken en mij neerzetten als een exoot. Het klimaat in de media en in de Kamer, ook in mijn eigen fractie, remt me af. Want stel dat ik wel een ring door m'n neus zou dragen, mijn eigen sieraden aan mijn handen, Indiase jasjes en een sari in de zomer - ik zie de spotprenten al voor me. Daar heb ik het moeilijk mee.”

“Mij klein voelen als ik op dinsdagmiddag de volle vergaderzaal van de Tweede Kamer binnenkom, dat is toch het kolonialisme dat in me zit. Ik herinner me nog goed het beeld van de nieuwe ambassadeur van Suriname, Ramkisoor, die bij Lubbers zijn opwachting maakte en nederig buiten, in de kletterende regen afwachtte tot-ie naar binnen kon. Dat ging me door de ziel, ik voelde me persoonlijk vernederd.”

In haar aanpassingsproces tracht Varma zichzelf welgevoegelijke taal aan te leren. Vroeger liet zij haar kwaadheid over het onrecht onbelemmerd doorklinken in haar spraakgebruik. Thans kuist zij haar woorden, ook onder druk van haar fractie. Varma realiseert zich dat haar herkenbaarheid kan lijden onder het keurslijf dat zij zich heeft aangetrokken. Haar kwaadheid is haar drijfveer in de politiek. Ze zoekt nog naar een nieuw evenwicht tussen deze woede en haar streven naar onopvallendheid. “Ik ben enorm geschrokken van alle publiciteit over mij. Ik voel me geïntimideerd. Dat heeft me timide gemaakt. Ik probeer nu een dame te zijn, hoewel ik feitelijk een straatvechter, een politica uit kwaadheid ben. Ik ben niet iemand van netjes en keurig, ik wil de dingen altijd zo plat en ongezouten mogelijk zeggen. Ik had nooit gedacht dat ik mezelf ooit zo netjes zou gedragen, om maar geaccepteerd te worden. Ik wil absoluut niet opvallen.”

“Ik heb nog geen nieuwe vorm gevonden om mijn kwaadheid te uiten. Neem onlangs de ophef die CDA, VVD en D66 maakten over het besluit van staatssecretaris Schmitz om illegalen die hier minstens zes jaar hebben gewerkt een verblijfsstatus te geven. Schmitz deed niet meer dan de bestaande praktijk formaliseren. En dan zo'n stennis maken! Dan loop ik thuis, woedend. Ik ijsbeer, laat het eten aanbranden. Alles valt uit m'n handen. Je mag niet kwaad worden, hoor! zeg ik tegen mezelf. Je moet keurig blijven, beleefd zijn. En dan sluit ik me maar aan bij het fractiestandpunt om het kerstreces af te wachten en pas eind januari in de Kamer over deze zaak te debatteren. Terwijl ik eigenlijk meteen een fel debat met het CDA zou willen over menselijkheid en menselijke waardigheid.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden