Tante Lies gaat niet kijken naar koningin Bettrik

JOKJAKARTA - Tante Lies heeft een waroeng op een strategische plek in Jokjakarta. Op een hoek tussen twee straten waar veel middenklassehotels zitten, Jalan Prawirotaman 1 en Jalan Prawirotaman 2. De vele Nederlandse toeristen kijken raar op als ze het spandoek boven het rommelige terras met een allegaartje aan stoelen en tafels zien hangen: 'Dit is de plek van tante Lies'.

JAN BEZEMER

De waroeng 'Java-Timur' (Oost-Java) is een geliefde plek omdat de sfeer en het eten in het restaurantje nog echt Indonesisch is. Natuurlijk is er pannekoek voor de verwende Europese kinderen. Maar de keuken is vooral bekend vanwege de saté ajam en de sop ajam, de kippesaté en de kippesoep. Het uitzicht verveelt nooit. Hinderlijke becakrijders, die daar met tientallen rondhangen klampen iedereen aan en laten niemand ongehinderd gaan. “Hello sir, transport? Where are you going? Later may be?” Nerveuze toeristen, net even zonder groep of begeleiding, schieten van schrik vaak de verkeerde straat in, omdat ze anders niet weten hoe ze deze fietstaxirijder van zich af moeten schudden.

Op deze rommelige straathoek trekt eigenlijk heel het Indonesische leven voorbij. Marktvrouwen sjouwen groenten en fruit. Becaks, brommers en bussen scheren met doodsverachting door elkaar en wijken pas op het laatste moment uit. Remmen is taboe. Handelaars bieden allerhande goederen aan van sarongs tot fluitjes. Het is een oorverdovend lawaai, maar alles went.

Tante Lies is een kleine, breekbare Chinese vrouw en heet eigenlijk Liesje Tan. Haar moeder heette ook Liesje. Haar vader bouwde huizen voor de Hollanders. Ze behoort tot de almaar kleiner wordende groep Indonesiërs die nog Nederlands spreekt. Alleen Indonesiërs van 65 en ouder hebben nog lang genoeg op een Nederlandse school gezeten en Lies is 69. Ze komt uit Iati Roto in Oost-Java en ging naar de katholieke Sint Jozefschool, bij de nonnen. Een missieschool want dat was goedkoper dan de Europese school of de Hollands-Indische School. In die tijd was er thuis vaak geen geld voor kleren. Ze is christen, een minderheid in het islamitische Java, maar inmiddels niet meer katholiek. Ze is tegenwoordig lid van de Pinkstergemeente.

In 1941 is ze met haar man een waroeng in Lumayang begonnen, eveneens in Oost-Java. In 1961, toen het racisme tegen de Chinezen steeds dreigender werd, heeft ze haar naam veranderd in Lies Setiowati. Een Indonesische naam. “Ons werd gezegd: u woont in Indonesië. We kregen toen de keus. Weggaan of blijven en ons aanpassen.” In 1983 is ze naar de grote stad getrokken en in Jokja begonnen op de plek die inmiddels in veel reisgidsen staat aangeprezen. Maar waar komt de toevoeging tante vandaan? “Dat gaat vanzelf, als je oud bent. Je kunt toch niet zeggen: ga maar naar Lies. Dat is onbeleefd. Ja?”

Ze is een echte Javaanse, liever op de achtergrond. Een interview maakt haar verlegen. “Wat moet ik zeggen? Ik heet Lies. Veel meer valt er toch niet te vertellen?” Ze staat het liefst in de keuken en als het moet achter het loket waar de rekeningen worden opgemaakt in een hoekje van de waroeng. Ze geeft leiding aan zeven bedienden en werkt elke dag van 7 tot 23 uur. Ze is nog geen dag gesloten geweest, behalve toen haar man overleed, dit voorjaar. Toen zijn voor het eerst de luiken vier dagen dicht gebleven.

Ze gaat elke morgen naar de markt om de hoek om zelf haar vlees en groenten te kopen. Zo'n vijftien kilo kip. “Als het stil is vijf kilo, maar gisteren is er wel twintig kilo kip opgegaan.”

Ze kan niet gemist worden. Enthousiaste toeristen hebben haar wel eens tickets aangeboden om naar Nederland te vliegen, maar ze durft niet te gaan: “Ik ben bang, ja? Veel te koud. Bovendien ik kan hier niet weg. Als ik maar even naar de markt ben, wordt er al in de keuken geroepen: Waar is Lies, waar is Lies. Dit restaurant kan niet zonder mij. Als de kalender rood is, dan zijn dat vrije dagen in Indonesië, maar dan is het bij mij extra druk. Ik kan nooit weg.”

Lies zal dus nooit Nederland zien, het land waar ze op de lagere school zo veel over gehoord heeft. Jawel, Hoogezand, Sappemeer. Ze weet er alles van. Ze haalt veel Nederlandse woorden aan die zijn blijven hangen in het Bahasa Indonesia. Asbak, handdoek, knalpot, bekleding, fillem, garasi. Vooral financiële en bestuurlijke termen bestaan nog: kantor pos, loket, gratis. Het woord rekening kennen ze ook, maar is als al te koloniaal in onbruik geraakt.

Als haar kinderen ter sprake komen diept ze uit een kastje foto-albums op. Ze heeft vijf kinderen. Eentje woont er nog in Jokjakarta. De rest is naar de hoofdstad Jakarta gevlogen. Ze is inmiddels grootmoeder van 25 kleinkinderen. 'Familyplanning' is een begrip in Java, maar niemand doet er wat aan, ondanks fraaie dalende geboortecijfers van de overheid. Eén album is geheel gewijd aan de begrafenis van haar overleden echtgenoot.

Halverwege het zesde foto-album verschijnt ineens een grote foto van prinses Juliana uit de tijd dat die nog koningin was. Juliana was in 1971 nog in Jokjakarta. Dat Koningin Bettrik in aantocht is weet ze niet, maar ze heeft toch geen tijd om te gaan kijken. Tante Lies begint opeens te zingen: “Wilhelmus van Nassaue, ben ik van Duitschen bloed . . .” Ze zingt zachtjes voor zich uit min of meer om te bewijzen dat ze het helemaal kent.

'Lang zal ze leven', kent ze ook. Beter dan de meeste Hollanders, want ze beklaagt zich erover dat de lange versie daarvan in onbruik is geraakt. “Als Nederlanders dat hier zingen is het altijd zo kort, ja? Het is toch veel langer met gloria, victoria enzo er nog achteraan. Wij zongen dat op school in canon. Maar als ik dat hier zeg kijken ze me altijd raar aan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden