Tante Batje

Mijn tante over de was, vroeger. Wie doorleest zeurt echt nooit meer.

Een Veluwse boerderij, jaren veertig vorige eeuw. Vanwege een zieke moeder runt mijn tienertante als oudste het gezin van acht personen. Eens per twee weken doet ze de was. Die begint op vrijdagmorgen. Met een hondenkar haalt ze acht melkbussen water uit de beek, tachtig meter verderop. Hoe een meisje van vijftien volle melkbussen kan tillen? „Dat moest gewoon”, zegt mijn tante nuchter. In een speciaal washuisje giet ze een deel van het water in een kolossale teil met soda en zet de witte was in de week: tien lakens, zestien onderbroeken, tweeëndertig hemden, handdoeken, theedoeken, vaatdoeken. Op zaterdagmorgen haalt ze weer acht melkbussen water, maakt vuur van rijshout en kookt de geweekte witte was in een gietijzeren fornuispot van anderhalve meter doorsnee en zeventig centimeter hoog. In de teil met het sodaweekwater stopt ze de bonte gezinswas.

Op zondag is ze vrij. Dat wil zeggen twee keer naar de kerk, koken en helpen met melken. Op maandag maakt ze vuur, verwarmt de witte was opnieuw en schrobt met een harde borstel elk stuk textiel afzonderlijk op een plank. Vervolgens gaat alles in de zon op ’de bleek’, een grasveldje zonder bomen er om heen zodat er geen vogelpoep op de was komt. Ook als het regent, want zegt ze, „er was toen geen luchtvervuiling en de regen was heel schoon”. De bonte was gaat in de fornuispot, wordt handmatig gewrongen, geborsteld, twee keer gespoeld en aan de lijn gehangen of bij regen in de nok van de hooiberg. Aan het eind van de middag spoelt mijn tante de witte was twee keer en zet het met blauwsel in schoon water.

Op dinsdag spoelt ze de witte was opnieuw, wringt het uit en hangt het op. De bonte was vouwt ze op stapels. Kapotte kledingstukken repareert ze ’s avonds, bij een petroleumlamp want geen elektriciteit.

Op woensdag haalt ze de witte was van de lijn. Het opvouwen is een precies werkje; de lakens moeten met strakke plooitjes en randjes recht tegen elkaar. Strijken doet ze met een op het houtfornuis verwarmde strijkbout. Bij vorst staat ze in het onverwarmde washuisje op een stoof met een gloeiende turf erin. Het water komt dan uit de pomp. Er zit ijzer in en daar wordt was rood van. Vandaar dat beekwater als het niet vriest.

Niet eerder waren er in de geschiedenis van de mensheid zoveel grote veranderingen binnen één mensenleven. Altijd als ik mijn was in de machine mik denk ik even aan vrouwen als mijn tante Batje.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden