Talent alleen volstaat niet

de spelen op papier | Waarom reed de Nederlandse wereldkampioene wielrennen nooit op de spelen? Hoe werd oma Schippers ooit noordelijk jeugdkampioene? Hoe hebben de hockeyers zich voorbereid? Wie zich door de boekenberg over de Olympische Spelen heen leest, komt het te weten.

Hoeveel mensen zullen op 13 en 17 augustus de televisie aanzetten in de hoop Dafne Schippers in Rio goud te zien winnen op de 100 en 200 meter? Door het tijdsverschil is het nodig om vroeg op te staan of heel lang op te blijven om Schippers te zien lopen. Zeker is dat die twee nachten in één huis in Sneek de lichten aan zijn: in dat van Epie Schippers-Blaauw, oma van 's werelds snelste vrouw en zelf in haar jeugd evenmin de traagste.

Het is 1950 en scholiere Epie Blaauw wordt bij de Noordelijke Jeugdkampioenschappen eerste op de 80 meter. Dat heeft nog heel wat voeten in de aarde, zoals de Heerenveensche Koerier optekent. Het publiek 'zag iets, wat nog niet veel op 'n athletiekveld zal zijn voorgevallen: Epie Blaauw slaagde er in in een prachtige race als eerste te eindigen. Over en weer werd ze reeds met haar kampioenschap gelukgewenst, doch de jury geraakte in tweestrijd, daar de jury van de aankomst een andere volgorde vaststelde dan de heren met de stopwatches. De eindconclusie was, dat Epie Blaauw haar zojuist verworven kampioenschap na luttele minuten reeds met hand en tand verdedigen moest. Overlopen! Met een volle maag verscheen zij nogmaals aan de start en liet na een verwoed gevecht met twee harer rivalen 10.8 afdrukken!'

Het voorval toont dat atlete Epie zich net als haar kleindochter niet snel gek liet maken. Een vervelende knieblessure zorgde ervoor dat ze niet doorbrak bij de senioren. Zo ging haar droom in duigen: opvolgster worden van idool Fanny Blankers-Koen.

Een halve eeuw later is Blaauw beretrots dat haar kleindochter als de nieuwe Fanny door het leven gaat. Maar er is een belangrijk verschil tussen Blankers-Koen en Schippers: koelbloedigheid. Waar de eerste vaak ziek was van de zenuwen, straalt haar gedoodverfd opvolgster rust en vertrouwen uit.

Dit alles valt te lezen in 'Sprintkoninginnen', een boek van Kees Kooman met levensverhalen van Nederlands beste sprintsters uit heden en verleden. Veel met geschiedenis heeft Dafne overigens niet en ze wil zich met niemand laten vergelijken. Dromen doet ze wel. Nachtmerries. "Daarin word ik achternagezeten. Blij dat ik zo goed kan lopen."

Kampioenitis

Zoals aan Rio 2016 misschien voor altijd de naam van Schippers verbonden blijft, kleeft de naam van Fanny Blankers-Koen aan die van Londen 1948: viermaal goud. Minder bekend is dat de Vliegende Huisvrouw al meedeed aan de Spelen van Berlijn, in 1936. In Roel Tanja's 'Olympische Spelen voor in bed, op het toilet of in bad', een handzaam overzicht met hoogtepunten en ludieke feitjes, lezen we dat de jonge sprintster Fanny bij de estafetteploeg de plek innam van Tollien Schuurman.

Schuurman was de eerste vrouw ter wereld die sneller dan twaalf seconden was. In 1932 ging de wereldrecordhoudster dan ook als favoriete van start bij de Spelen van Los Angeles. Maar de lange reis per boot, heimwee en overvloedige banketten in het hotel zorgden ervoor dat Schuurman op de sintelbaan niet vooruit te branden is. Kooman citeert de vader van de Nederlandse sportjournalistiek, Joris van den Bergh: "Een vrouw op de Spelen is een slak die de zoutkeet binnenkruipt."

Schuurman heeft nog het geluk dat ze überhaupt naar de Spelen mag. Anders was dat voor wielrenster Mien van Bree. Toen zij in de jaren dertig doorbrak, moest ze uitwijken naar België. In eigen land was het uitgesloten om als vrouw aan wedstrijden deel te nemen. Een vrouw op de fiets is onzedelijk, dat gestoemp op de pedalen is ongezond voor het vrouwelijk lichaam en het leidt onherroepelijk tot onvruchtbaarheid. Pas in 1984 deden er wielrensters aan de Spelen mee. Het jaar daarvoor overleed Van Bree. Geen mens weet nog dat ze ooit wereldkampioene is geweest. Met 'Mien. Een vergeten geschiedenis' geeft Mariska Tjoelker haar de plaats in de wieler-hall of fame die haar toekomt.

Mien was tijdens haar wielercarrière niet alleen controversieel omdat ze zo graag fietste, haar seksuele geaardheid ging ook over de tong: Mien viel op vrouwen. Net als generatiegenoot Tollien Schuurman. Hoe daar door de atletiekwereld op werd gereageerd, blijft in 'Sprintkoninginnen' onvermeld.

Haar politieke voorkeur krijgt wel aandacht. Schuurman kwam uit een rood nest en wilde daarom niet sporten in het Derde Rijk. "Ik loop niet voor Hitler en zijn trawanten", zei ze in een interview, en zo kon in 1936 de achttienjarige Fanny Koen in haar plaats naar nazi-Duitsland.

Dat het tienermeisje niet veel klaarspeelde in Berlijn en pas later grootse successen op de atletiekbaan vierde, pakte achteraf goed uit. Heel anders dan voor zwemster Rie Mastenbroek. Op het omslag van '1936. Wij gingen naar Berlijn' poseert ze nog trots op het hoogste treetje van het podium na het behalen van een van haar drie gouden plakken. Auke Kok schrijft in dat boek dat de Rotterdamse nadien als de koningin van de nazi-Spelen door het leven ging. Het was alsof er een sticker met 'Hitler' op haar voorhoofd zat geplakt. Gek werd ze van steeds weer diezelfde vraag: 'Mevrouw Mastenbroek, hoe was het nou om te zwemmen voor Adolf Hitler?'

Daar kreeg Rie snel genoeg van. 'Kampioenitis' noemde ze al die heisa. Ze borg haar badpak op en gaf haar medailles aan de kinderen: leuk om te gebruiken als ratelaars bij het luilakken. Volgens Kok ergerde het Mastenbroek mateloos dat Blankers-Koen haar jaren later bij een toevallige ontmoeting ontweek: madame was bang om met de vrouw van de foute Spelen gezien te worden, was de uitleg van de verongelijkte zwemkampioene. En mensen die doen of ze lucht is, hadden voor haar snel afgedaan, want Rie wilde gezien worden. Juist daarom was ze indertijd gaan zwemmen.

Rij voor de bakker

Eenzelfde drang om bewonderd te worden had voormalig judoka Edith Bosch. De trigger voor haar bewijsdrang was een partij op het Nederlands Kampioenschap van 1995. In haar autobiografie 'Expeditie Edith' vertelt Bosch hoe ze bij het gevecht om brons tegenover haar oudere zus Karen op de tatami stond. Vooraf was haar door haar ouders ingefluisterd dat ze beter niet kon winnen. "Je moet het zelf weten hoor, maar je weet hoe belangrijk dit NK is voor Karen, hè?"

Nooit meer zou ze zich zoals toen als een lam naar de slachtbank laten leiden, nam Bosch zich voor. In haar zucht naar Olympisch eremetaal vergde ze onnoemlijk veel van haar omgeving en raakte ze zichzelf kwijt in haar egocentrisme. Het levert één keer zilver en twee keer brons op.

Dat maniakale, zelfzuchtige hoorde ook bij hardloopster Ellen van Langen, op de Spelen van 1992 winnaar van goud op de 800 meter. "Alles moest wijken voor mijn wedstrijd van die dag", biecht ze Kees Sluys op in 'De ontdekking van Dafne en andere verhalen uit de Nederlandse atletiekgeschiedenis'. "Ik kon daarin heel onredelijk zijn. Bij de bakker wilde ik niet even wachten voordat ik aan de beurt zou zijn."

Hoe anders de hockeyers, sporters om wie vanouds een zweem van corpsjoligheid hangt. Dat begon al in 1936, leren we van Auke Kok. Terwijl de Nederlandse Olympiërs die zomer per trein naar Berlijn reisden, gingen de hockeymannen met hun eigen auto. Wel zo comfortabel en dan konden ze tenminste zelf bepalen waar ze onderweg halt hielden om lol te maken en bier te drinken.

Maar het gedrag van de hockeyers van de Hitler-Spelen moet bezien worden in het licht van de tijdgeest - zo professioneel is de sportwereld in die tijd nog niet georganiseerd. En ach, als je Roel Tanja erbij pakt, kan het altijd erger. Tanja beschrijft hoe in 1896 de Griekse winnaar van de eerste Olympische marathon halverwege de wedstrijd een goed glas wijn nuttigde.

Codewoord 'Langa'

Topsporters van de eenentwintigste eeuw mogen daarentegen niet worden gezien met drank, vindt hockeybondscoach Max Caldas. Uit 'De enige weg naar Rio' van Edwin Alblas blijkt dat het niet voor alle spelers eenvoudig is zich aan die stelregel te houden. Talloze keren hamert de Argentijnse coach uit Leiderdorp op commitment, scherpte, overgave en discipline. En dan nog presteert een enkeling het om na een wedstrijd in India heimelijk pizza's te bestellen bij een pizzabakker met een twijfelachtige hygiënische reputatie.

Voor zijn boek mocht Alblas de hockeyploeg zonder beperkingen een jaar lang volgen. Geen deur bleef dicht en dat heeft een zeldzaam eerlijk verhaal over de route naar de Spelen opgeleverd. Alblas' boek is het verslag van een zoektocht naar meedogenloosheid. Caldas doet er alles aan om meer hardheid in zijn ploeg te brengen.

En mocht het tijdens een wedstrijd even tegenzitten, dan kan het elftal terugvallen op plan-B. Het codewoord daarvoor is 'Langa', een term die staat voor het achterwege laten van frivoliteiten, simpel spelen, terug naar de basis. Het woord is ontleend aan de naam van een township bij Kaapstad, waar de ploeg in 2015 een trainingsstage afwerkte en een bezoek bracht aan de krottenwijk.

In Rio zullen de hockeyers het wel uit hun hoofd laten de favela's in te gaan. Alleen met de juiste contacten kom je ongeschonden de gevaarlijke buurten uit, weet Brazilië-correspondente Ineke Holtwijk in 'Kannibalen in Rio'. Dit portret van de stad werd twintig jaar geleden voor het eerst uitgegeven en is speciaal voor de Spelen geactualiseerd. Mag niet ontbreken op het nachtkastje van Dafne, Epke en Ranomi.

Dat geldt ook voor 'Stalen zenuwen', waarin neurowetenschapper Ger Post uitlegt hoe je dat kweekt, een ijzeren gemoed waarmee je de overwinning in de wacht sleept. Hoe in het stadion (of op de werkvloer) te presteren onder druk? Door oefensituaties te creëren waarbij spanning om de hoek komt kijken, is een van de antwoorden van Post.

Hockeycoach Caldas heeft zijn raad al lang toegepast. Kom bij hem niet aan met praatjes die in het voetbal vaak worden opgedist: dat er niet te trainen valt op penalty's, dat een strafschoppenserie een loterij is. Onzin, volgens Caldas. Na elke training nemen zijn spelers shoot-outs om voorbereid te zijn wanneer het daarop aankomt in Rio. Want als één ding duidelijk is na het lezen van honderden pagina's Olympische boeken: talent alleen volstaat niet. Wie zich het best voorbereidt, maakt de grootste kans op de lauwerkrans.

een keur aan olympische boeken

Edwin Alblas: De enige weg naar Rio. Goudkoorts van de hockeyploeg. Nieuw Amsterdam; 207 blz. euro 19,99

Edith Bosch: Expeditie Edith. Hoe het gevecht met mezelf goud opleverde. Ambo Anthos; 200 blz. euro 18,99

Ineke Holtwijk: Kannibalen in Rio. Balans; 327 blz. euro 15,00

Auke Kok: 1936. Wij gingen naar Berlijn. Thomas Rap; 287 blz. euro 19,99

Kees Kooman: Sprintkoninginnen. Van Fanny tot Dafne. De Kring; 287 blz. euro 19,95

Ger Post: Stalen zenuwen. Hoe topsporters presteren onder druk. Maven Publishing; 190 blz. euro 18,00

Kees Sluys: De ontdekking van Dafne en andere verhalen uit de Nederlandse atletiekgeschiedenis. Uitgeverij Nieuw Amsterdam; 206 blz. euro 18,99

en tot slot

Roel Tanja: Olympische Spelen voor in bed, op het toilet of in bad. BBNC; 160 blz. euro 9,99

Mariska Tjoelker: Mien. Een vergeten geschiedenis. Thomas Rap; 237 blz. euro 19,90

Wie is wie in Rio?

Kijk op de speciale Rio-site van Trouw voor biografieën van de Nederlandse deelnemers aan de Spelen van Rio de Janeiro. Met iedere dag een overzicht van de sporters die op die dag in actie komen. Rio.trouw.nl

Rie Mastenbroek, Olympisch kampioene op de rugslag bij de Spelen van Berlijn 1936 (links). Fanny Blankers op de 100m in Stockholm (1947) in voorbereiding op de Spelen van Londen 1948.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden