TAHAR BEN JELLOUN

Ter gelegenheid van de vertaling van zijn een na laatste roman, 'Met neergeslagen ogen', was de in Parijs gevestigde Marokkaanse schrijver Tahar Ben Jelloun in Nederland op uitnodiging van de Novib en De Balie. Een gesprek.

LIESBETH KORTHALS ALTES

Eerst de fotograaf. Tahar Ben Jelloun neemt er alle tijd voor. Hij lijkt niet in het minst verlegen. Zelfbewust, vriendelijk, minzaam haast gaat hij gewillig staan of weer zitten, in de pontificale leunstoel. "Net Monsieur le President" , grapt hij.

Hij straalt de zelfverzekerdheid uit van iemand die weet wat hij bereikt heeft. Dat is ook niet niks. Meer dan menig van zijn landgenoten in Frankrijk zou durven dromen. Hij is een van de meest gevierde Franstalige schrijvers uit de Maghreb en ontving in 1987 de Prix Goncourt voor 'La nuit sacree' ('Gewijde nacht'). Negen romans heeft hij op zijn naam (waarvan zes in het Nederlands vertaald), verschillende dichtbundels, studies en zelfs een toneelstuk. Hij schrijft regelmatig in Le Monde, recensies maar vooral stukjes over racisme en over de situatie in het Midden-Oosten.

Betekent zo'n succesvolle carriere en zijn leven in Parijs niet een definitieve verwijdering van zijn geboorteland? "Volstrekt niet. Ik ben regelmatig in Marokko en blijf er soms maanden achtereen. Als 'buitenstaander' neem je de dingen in je land misschien scherper waar dan wanneer je er woont. Als schrijver sla ik bovendien alles op in mijn geheugen, beelden, verhalen - allerlei mensen vertellen mij hun verhaal. Later, wanneer het 'gefilterd' is door mijn eigen onderbewuste, verwerk ik dat weer in mijn romans."

Veel van zijn personages bevinden zich in een pijnlijk niemandsland. Ze hebben de zekerheden van de traditie verlaten maar nog geen nieuwe identiteit gevonden. Op de vraag of hij zelf die verscheurdheid kent, antwoordt hij stellig: "integendeel, ik ben iemand die streeft naar harmonie, naar evenwicht. In mijn persoonlijke leven probeer ik van de verschillende werelden waar ik in zit een synthese te maken. Dat is niet altijd makkelijk. Maar verscheurd, nee."

Een van de manieren om die synthese te bereiken is natuurlijk het schrijven. Zijn gedichten staan dicht bij de lyrische Arabische traditie.

Zijn eigen romanvorm heeft hij moeten uitvinden, daar naar zijn zeggen de roman niet bestond in de Arabische cultuur. Hij maakt gebruik van fabels, legendes of van de spreektrant van de verteller op het marktplein. De mengeling van stijlen is soms opmerkelijk.

In 'Harrouda', zijn eerste roman staan lyrische passages die sterk geinspireerd zijn op de Arabische rhetorica, naast modieus Parijs-intellectuelen-jargon.

Ben Jelloun laat duidelijk twee kanten van de traditie zien. Enerzijds de onderdrukking, de verstardheid en passiviteit, anderzijds de geborgenheid en de diepe verankering in het leven. Het is niet voor niets dat de meeste van zijn romans gaan over een zoektocht - naar een door een voorvader verborgen schat, naar een openbaring, wijsheid. De tocht eindigt op een begraafplaats (waar de voorouders liggen), of bij een 'marabout', een gewijde plek, plaatsen die naar het verleden wijzen.

"Je kunt veel kwaads zeggen over de traditionele manier van leven, het is natuurlijk waar dat vrouwen en verschillende groepen van de bevolking onderdrukt werden, en nog steeds gebeurt dat (neem nu Jemen, waar de vrouwen hun meest elementaire rechten verliezen). Maar toch, ik heb diep respect voor bepaalde aspecten van de tradiite. Die gaf de mensen zekerheid, en dat is indrukwekkend. Zij waren misschien niet gelukkig, maar hun leven was in zekere zin natuurlijk, ingebed in een grotere orde die hun ritme bepaalde."

"Dat wil ik ook duidelijk maken aan de jongere generatie Maghrebijnen in Frankrijk, de zogenaamde Beurs. Zij hebben vaak geen greintje respect voor hun ouders, vooral niet voor de vaders. Angst wel, soms, maar geen respect. Neem nou de vader in 'Met neergeslagen ogen'. Voor zijn gezin in het Marokkaanse dorp was hij een held. Als zij eenmaal in Parijs zijn, ontdekt zijn dochter dat hij maar een heel klein mannetje is, dat zich maar net kan redden. Zij is het die Frans leert en die hem wegwijs maakt in die Franse maatschappij. Dat is natuurlijk vernederend voor zo'n man. En tegen de tijd dat zij vriendjes krijgt, wil hij haar weer onder de plak krijgen. Maar hij is zijn natuurlijke autoriteit kwijt. Ik probeer die vader weer waardigheid te geven, te laten zien welke dromen hij koesterde, en hoe hij door het leven nietig is gemaakt. Het is belangrijk dat deze (Marokkaanse) kinderen hun ouders begrijpen. Het zijn hun eigen wortels."

Zijn eigen wortels?

"Ik kom uit een traditionele familie. Fez, de stad waar ik geboren ben (in 1944), is een oude, vrij gesloten stad. Later verhuisden we naar Tanger, een havenstad, veel westerser, open voor allerlei invloeden. Beide steden spelen een grote rol in mijn werk. Mijn ouders? Dat waren diepgelovige moslims. Dat had niets met fundamentalisme of fanatisme te maken. Er heerste bij ons een sfeer van volstrekt natuurlijke, vanzelfsprekende tolerantie. Mijn ouders hebben ons nooit gedwongen mee te doen aan hun religieuze gebruiken. Toen mijn broer en ik pakweg zeven jaar waren, zei mijn vader tegen ons, omdat hij wel zag dat we geen zin hadden om naar de moskee te gaan: 'Ik heb jullie de weg gewezen, zoek het verder maar uit met je eigen geweten.' Wat een vrijheid en verantwoordelijkheid voor een kind! Maar voor mij was dat erg belangrijk: dat je werd gerespecteerd in je eigen manier van denken."

In 'Harrouda' laat hij een vrouw aan het woord waarvoor, zo suggereert het boek, zijn eigen moeder model heeft gestaan.

"Mijn moeder staat aan de bron van mijn schrijverschap. Haar verhaal heb ik willen vertellen, van zo'n vrouw die weinig in te brengen had, maar waar ik mij enorm mee verbonden voelde. Mijn eerste jaren heb ik als jongetje doorgebracht in de wereld van de vrouwen, zoals het hoorde. Die levendigheid, de warmte van al die lichamen om je heen, maar ook al die verhalen - over de mannen, het verdriet, de zorgen - die zal ik nooit vergeten. Het zijn beslissende jaren nietwaar."

Ik merk op dat ik die solidariteit met vrouwen die uit veel van zijn boeken spreekt, verbazend vind, komende van iemand uit een toch sterk 'fallocratische' (zoals de Fransen zeggen) cultuur. Vaak is de hoofdpersoon van zijn romans een vrouw, veelal vrouwen die breken met het lot dat voor haar uitgestippeld was, of meisjes die een andere manier van leven proberen uit te vinden, met alle risico's vandien.

"Vrouwen spelen inderdaad in mijn wereld - de werkelijke en de imaginaire - een grote rol. Ik probeer mij in te leven in die totaal andere kant. Vandaar dat ik ook gefascineerd ben door een personage als in 'Zoon van haar vader', een meisje dat van haar vader een jongen moet zijn. Ik experimenteer met verschillende percepties van het leven, met de verschillende rollen die de maatschappij toestaat aan jongens of mannen, en aan meisjes en vrouwen. En ik probeer te bedenken hoe die patronen anders zouden kunnen zijn. En het is voor mij als schrijver een uitdaging om in de huid te kruipen van die ander, mijn zuster. Ik ben de stem van de vrouwen" (lacht).

Na zijn filosofie-studie in Marokko vertrok Tahar Ben Jelloun naar Parijs om daar te promoveren in de sociale psychiatrie. In zijn vrije tijd gaf hij alfabetiseringscursussen. Hij werd geconfronteerd met de ellende van de 'immigres', landgenoten, cultuurgenoten, volstrekt ontworteld in een stad die hem fascineerde. Zij werk als psychiater hield hij niet lang vol, hij miste de noodzakelijke afstand. Schrijven, getuigen, aanklagen - dat werd zijn manier om de wereld te verbeteren.

Wat vermag de literatuur? In een tijd waarin de meeste westerse schrijvers zich buiten hetzij over hun eigen navel hetzij over die van de literatuur, geldt voor Jelloun nog steeds de opdracht die Sartre weggelegd zag voor de schrijver.

"Je moet natuurlijk erg bescheiden zijn. De literatuur zal de wereld niet zo gauw veranderen. Maar je hebt als schrijver een taak: je moet getuigen. Je bent een soort geheugen en geweten. Ik beschouw mijzelf als een 'ecrivain public', de man die bij ons vroeger, nu nog trouwens, op het plein achter zijn tafeltje zat en die voor de mensen die niet konden schrijven brieven maakte. En ik ben een 'porteparole', de woordvoerder voor diegenen die geen kans hebben om hun stem te laten horen."

Gekken, dwazen, vrouwen, kinderen - en schrijvers - voeren de boventoon in zijn werk. "Zij staan in de marge van de maatschappij, buiten spel in zekere zin. Daardoor zijn zij minder gecorrumpeerd. Zij zien de waarheid scherper, zij durven kwetsbaar te zijn." Het belang van Jellouns werk ligt dan ook voor een groot deel in zijn vermogen, een rijkdom aan beelden, herinneringen en verlangens toe te schrijven aan mensen die voor velen in het westen geen gezicht hebben. 'Waardigheid' is een van zijn sleutelwoorden.

De drang tot getuigen spreekt ook weer, met wisselend succes, uit zijn twee laatste werken: de zojuist verschenen roman 'L'ange aveugle' ('De blinde engel') en het lange gedicht 'La remontee des cendres' (zoiets als 'Het opstijgen van de as'). 'L'ange aveugle' is een boek over de mafia, het is min of meer in opdracht geschreven van een Italiaanse krant die Tahar Ben Jelloun uitnodigde om twee maanden door Zuid-Italie te reizen. Het is een aaneenschakeling van korte verhalen waarin hij onder andere de levens van diverse mafia-slachtoffers reconstrueert. Naar mijn smaak een helaas mislukte manier om via fictie te trachten een beter inzicht in de gruwelijke realiteit te bereiken. Dan liever echte journalistiek, die hoeft tenminste geen treurig clichematige dialogen te bedenken.

Voor mij bleven de meeste personages lege hulzen. De goede bedoelingen van de schrijver liggen er op elke bladzij duimendik op, maar op een paar prachtige passages na (zoals over de Afrikanen die 's nachts bezit nemen van een Zuiditaliaans plein) mist dit boek de mysterieuze zeggingskracht die veel van Jellouns romans bezitten.

'La remontee des cendres' is ontstaan naar aanleiding van de Golf-oorlog. Er waren beelden op de televisie geweest van zwartgeblakerde Iraakse tanks, met flarden verkoolde lichamen eraan vastgekleefd. "Onbeschrijflijke beelden. Niet om aan te zien. Ik heb toen uitdrukking willen geven aan mijn afschuw over die oorlog, midden in de algehele sympathie voor de Amerikaanse actie, die ik bepaald niet deel. Over de duizenden naamloze Iraakse slachtoffers spreekt niemand. Die mensen, het Iraakse volk, hebben niet om een oorlog gevraagd. Zij zijn het slachtoffer van hun leider. Ik heb in mijn gedicht die doden een gezicht willen geven."

In De Balie in Amsterdam las hij een stukje van het gedicht voor:

Dit lichaam dat eens een lichaam was zal niet meer langs Eufraat of Tigris flaneren, opgenomen door een schop die zich niets zal herinneren van enige pijn in een zwarte plastic zak gestopt.

Nu keert dit lichaam dat een ziel was, een naam en een gezicht, weer terug tot de aarde van zand, afval en afwezigheid. (. . .)

De geteisterde woestijn heeft de loopgraven van de slaap geopend en in een lichtflits zijn er duizenden mensen in verzwolgen met ontvelde huid. (. . .)

Een metalen hand heeft een deken van zand over de zwarte zakken uitgespreid. (. . .)

Dit lichaam dat een droom was, is een ingestort huis.

Jelloun zegt dat hij naar het medium van de poezie grijpt wanneer hij heftig aangegrepen wordt door een gebeurtenis. "Dat is directer, voor mij de meest spontane vorm. Een roman vraagt om nadenken, construeren, logisch redeneren. Het gedicht welt op."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden